Wij hebben de opkomst en de ontwikkeling van de vrije steden in Noord-Italië sedert den tijd van Hildebrand en Hendrik IV gevolgd en wij hebben gezien, hoe de Lombardische stedenbond na zijn overwinning op Frederik Barbarossa den grondslag legde van hetgeen een groote republikeinsche confederatie had kunnen worden. Na de verpletterende nederlaag van den Keizer bij Legnano (1176) en den vrede van Constanz (1183), toen Frederik zich eindelijk in den toestand schikte, erkende hij openlijk de rechten en zelfstandigheid van de Noordelijke steden, en zijn zoon, Hendrik VI, werd zoo volkomen in beslag genomen door zijn pogingen om zijn aanspraken op den troon van de Beide Siciliën te doen gelden, dat hij zich weinig inspande om zijn gezag in Lombardije te handhaven, ofschoon hij het bestuur over Toskane en Umbrië aan zijn eigen hertogen gaf. Ook zijn zoon, Keizer Frederik II bemoeide zich voortdurend met zijn zuidelijk gebied en oefende over Noord-Italië nauwelijks eenig gezag uit, behalve hetgeen hem door de Ghibellijnsche steden vrijwillig werd toegestaan, omdat zij zich gaarne van de hulp van den Keizer tegen hun mededingers wilden verzekeren. Aldus maakten de steden in het noorden zich langzamerhand vrij van het keizerlijke gezag en werden republikeinsch, terwijl Zuid-Italië en Sicilië in den macht van den Keizer bleven; en toen de droevige terechtstelling van Konradijn te Napels in 1268 een einde maakte aan de dynastie der Hohenstaufen, gingen deze zuidelijke gewesten over in de handen van de vorsten van Anjou en Arragon, onder wier regeering zij bestemd waren vele jaren lang te blijven.
Maar behalve de republieken in het noorden en de zuidelijke koninkrijken was er een Kerkelijke Staat, die bestond uit streken van Midden-Italië, zooals gedeelten van Latium, Tuscia Romana en Sabina, waar de Pausen een tamelijk krachtig gezag uitoefenden, een gezag, dat natuurlijk zeer verschilde van de aanspraken, die zij maakten op de souvereiniteit over de Beide Siciliën, Toskane, de Pentapolis (Emilia), de Mark van Ancona, het hertogdom van Spoleto en over andere streken. Deze Kerkelijke Staat (Stato della Chiesa) droeg een vaag, niet georganiseerd en onstandvastig karakter. De Keizers hadden steeds zoowel de bestaande als de denkbeeldige Kerkelijke Staten als onafscheidelijke deelen van het Keizerrijk beschouwd. Zoo stelde Hendrik VI zijn broeder, Hertog Philips, als zijn stadhouder in Toskane aan, en andere van zijn bevelhebbers als gouverneurs in Romagna en de Marken; ook Frederik II bezette, ondanks zijn vrome beloften, Romagna en andere streken, waarop de Paus aanspraak maakte; en Manfred, wiens soldaten de Florentijnsche Ghibellijnen bij Montaperti in 1260 hielpen overwinnen, maakte een van zijn bevelhebbers tot keizerlijk stadhouder van Florence en had een tijdlang, totdat Karel van Anjou verscheen, in het pauselijk gebied van Midden-Italië de macht in handen. In naam begunstigde Karel van Anjou natuurlijk de zaak van de Pausen, maar inderdaad was ook hij hun meester en deed geen moeite hun souvereine rechten uit te breiden, zoodat het zeer begrijpelijk was, dat ten slotte, in 1278, Paus Nicolaas III het verstandig oordeelde van de pauselijke aanspraken op Romagna, Pentapolis, Ancona en Spoleto afstand te doen ten behoeve van den Keizer, Rudolf van Habsburg.
60. S. Croce, Florence.
Derhalve was het maar een betrekkelijk klein gebied, waar de Paus zijn souvereine rechten uitoefende, rechten, die hij bovendien nog dikwijls moest deelen met de republikeinsche regeering te Rome; en hij was afhankelijk van de eenigszins onzekere trouw van zijn legaten en zijn onderdanen, en door opstanden, zoowel van de democraten als van de aristocraten, verloor hij dikwijls zijn macht over verschillende steden, zooals Perugia en Viterbo. En eindelijk, toen Clemens V den pauselijken Stoel naar Avignon (1309) overbracht, werd het gezag van de Pausen in Midden-Italië niet meer dan een schaduw van macht.
Aldus hebben wij met een paar trekken een ruwe schets gegeven van den toestand van Italië gedurende het tijdperk, toen de voornaamste noordelijke steden hun hoogste ontwikkeling in commercieele welvaart en republikeinsche onafhankelijkheid bereikten en daarna, sommige ten minste, hetzelfde lot ondergingen, dat in vroeger tijden niet weinige van de oude Grieksche republieken trof; in de Grieksche staten toch gebeurde het zoo dikwijls, dat de een of ander voortreffelijke staatkundige leider, of het hoofd van een partij, de gunst en het vertrouwen van het volk won en misbruikte om zichzelf als “tyran” op te werpen. Deze loop der gebeurtenissen heeft zich in de geschiedenis menigmaal herhaald. Eerst komen het volk en de feudale edelen in botsing. Daarna, wanneer de handel en de algemeene welvaart toeneemt, ontstaat er een nog veel heviger botsing tusschen het kapitaal en den arbeid, tusschen de nouveaux riches en den arbeidenden stand. Dan sluiten de oude en armere edelen een verbond met het volk. Ten slotte verwerft een stoutmoedige en begaafde aanvoerder van den adel den onvoorwaardelijken steun van de volkspartij en maakt zich door een coup d’état meester van de regeering. Zoo ontstonden de Grieksche Tyrannides en evenzoo de Italiaansche Signorie.
De belangwekkende en leerzame geschiedenis van de opkomst en de lotgevallen van de Italiaansche Republieken is, met volledige verslagen over de voornaamste van deze steden, verhaald door vele schrijvers van den tijd van Dino Compagni en Giovanni Villani (c. 1300) tot de Istorie fiorentine van Machiavelli (c. 1500) en verder door Sismondi en ontelbare politici, letterkundigen en begaafde schrijvers van onze dagen. Hier moeten wij er ons toe bepalen, eenige feiten te vermelden in verband met sommige van deze steden, en voor dat doel zullen wij wederom Florence, Milaan en Venetië kiezen, wier geschiedenis wij reeds hebben gevolgd tot omstreeks 1200; en er zal iets bijgevoegd worden over Verona, Bologna en andere steden.
Van de vroegste geschiedenis van Florence hebben wij reeds een schets gegeven. Het had zich altijd verzet tegen de aanmatigende overheersching van de Duitsche keizers en edelen en men kan aannemen, dat de onafhankelijkheid van deze stad is ingetreden bij den dood van Gravin Mathilde in 1115, toen zij voor het eerst haar eigen Consuls koos. Maar ofschoon zij bestemd was de belangrijkste van de Italiaansche Republieken te worden, ontwikkelde zij zich langzaam. Het grootste gedeelte van Toskane bleef nog lang onder den invloed van den keizer, nadat de Lombardische steden zich vrij hadden gemaakt, en er waren Toskaansche steden, zooals Pisa en Arezzo, die, zelfs nog na den tijd van Dante en Hendrik van Luxemburg, steunpunten van de Ghibellijnsche partij bleven, terwijl Florence langzamerhand, met horten en stooten, de republikeinsche vrijheid verwierf, die zij heeft gehandhaafd tot de opkomst der Medici in de vijftiende eeuw.
De ontwikkeling van de Florentijnsche Republiek werd in den beginne belemmerd door het ontstaan van verderfelijke veeten. Wij hebben reeds verhaald, hoe de moord op Buondelmonte, die bij het voetstuk van het oude standbeeld van Mars werd gedood, de stad in twee verbitterde partijen verdeelde, die aangevoerd werden door de Donati en de Uberti, en hoe de keizerlijken gebruik maakten van dezen twist om hun eigen belangen te bevorderen. Gesteund door den sterken invloed van Keizer Frederik II slaagde de Ghibellijnsche adel erin de democratische en pauselijke Welfen-aanvoerders te verjagen. Maar na den dood van Frederik II werd de Welfsche partij teruggeroepen en in eere hersteld als een belangrijk deel van de Florentijnsche Republiek onder leiding van een Capitano del Popolo, en eindelijk, toen in 1259 Ezzelino, de groote Ghibellijnsche tyran van Noord-Italië, was overweldigd en gedood, werd de volkspartij in Florence zoo machtig, dat zij op haar beurt haar tegenstanders verdreef. Derhalve hadden in Florence een tijdlang de Welfen de overhand en werd de witte lelie rood geverfd2. Maar de verbannen Ghibellijnen verzamelden een groot leger te Siena, en aangevoerd door Farinata degli Uberti versloegen zij, met de hulp van de Sieneezen, Pisanen en Manfred’s Duitsche ruiterij, de krijgsmacht, die de Florentijnen tegen hen in het veld hadden gebracht. De slag vond plaats bij Montaperti, niet ver van Siena, in 1260 (vijf jaar voor de geboorte van Dante). De slachting, vooral om de Florentijnschen Carroccio, was zoo verschrikkelijk, dat de Arbia door het bloed rood werd geverfd, zooals Dante3 zegt; en zoo verpletterend was de nederlaag, dat de Welfen naar hun eigen stad niet durfden terugkeeren, maar naar Lucca vluchtten. Hoe Florence door de overwinnaars toen werd veroordeeld met den grond te worden gelijk gemaakt en hoe de stad door Farinata werd gered, is aan alle lezers van Dante bekend4.
Zes jaren lang na dezen slag bij Montaperti hadden de Ghibellijnen in Florence de macht in handen en werd de stad bestuurd door Manfred’s keizerlijken stadhouder, Guido Novello; maar toen Manfred bij Benevento in 1266 gedood was, kregen de Welfen wederom de overhand. Eerst onderwierpen zij zich op tamelijk oneervolle wijze aan Paus Clemens IV en kozen tot hun Podestà Karel van Anjou, die een tijdlang in Florence door zijn gezanten heerschte. Maar de republikeinsche geest, die door den ontzaglijken groei van den handel en de welvaart in kracht toenam, had nu diep wortel geschoten en begon zijn levensvatbaarheid te bewijzen.
De gilden waren de grondslag van den regeeringsvorm, die thans door de volkspartij werd aanvaard. Er waren van deze gilden (Arti) zeven groote en vijf (later veertien) kleinere5. Aan het hoofd van elk gild stond een raad, een voorzitter of Consul en een militaire ambtenaar, de Gonfaloniere (banierdrager). Deze vormden de voornaamste overheden van de volksregeering. De consuls maakten evenwel een tijdlang plaats voor “Anziani”6 en in het jaar van den Siciliaanschen Vesper (1282) veranderde die titel in dien van Priori. Drie, later zes Priori van de groote gilden werden bekleed met het hoogste gezag in de Republiek en vormden de uitvoerende Signoria. Omstreeks den tijd van Dante’s Prioraat (1300) was een Gonfaloniere della Giustizia met de Priori verbonden. Deze ambtenaar bezat in tijden van oproer en onlusten bijna dictatoriale macht en was dus somtijds de gewichtigste persoon in den staat.
Munt van de zonen van Ugolino, c. 1290.
Het was in de vroegste periode van het Prioraat (in 1284), dat Florence plotseling tot hooge macht en welvaart steeg door een verpletterende nederlaag, die haar bondgenoot, Genua, toebracht aan haar groote mededingster, Pisa, welke stad Florence langen tijd den toegang tot de zee had belemmerd. De zeeslag werd geleverd bij het rotsachtige eilandje Meloria, op de hoogte van Livorno. Zoo groot was de buit en het aantal gevangenen, dat het gezegde ontstond, “hij, die Pisa wil zien, moet naar Genua gaan.” Een van de bevelhebbers der Pisanen bij Meloria was de Graaf Ugolino della Gheradesca, aan wiens tragische geschiedenis Dante in zijn “goddelijk” gedicht aangrijpende en hartstochtelijke verzen heeft gewijd. Na den zeeslag had hij zich als tyran in Pisa opgeworpen, maar men beschuldigde hem ervan, dat hij de oorzaak van de nederlaag der Pisaansche vloot was door verradelijke samenwerking met de Florentijnsche Welfen en het gelukte zijn tegenstander, den Aartsbisschop Ruggieri, hem te overvallen en te laten dooden (misschien dood te hongeren met zijn zonen en kleinzonen in de Torre della Fame), om welke feiten Dante hen beiden heeft veroordeeld tot het bevroren meer in den diepsten put van den Inferno7.
Na den val van Ugolino, kregen in Pisa de Ghibellijnen wederom de macht in handen. De ramp van Meloria maakte een einde aan de gelukkige mededinging ter zee met Florence, maar toch bleef Pisa een hardnekkige staatkundige tegenstander, trouw aan zijn keizersgezinde beginselen en dikwijls begon het weder den strijd tegen zijn zegevierende mededingers; een bewijs hiervan wordt geleverd door den beroemden Campo Santo, waar men niet alleen de graftombe van den laatsten Romanorum Imperator, Hendrik van Luxemburg, kan zien, maar ook de kettingen, die eenmaal de haven van Pisa afsloten en in 1362 door Genua en Florence zijn buitgemaakt, maar in onze dagen, als een bewijs van de eenheid van Italië, zijn teruggegeven (zie plaat 51).
Andere Toskaansche steden, die een tijdlang de anti-republikeinsche zaak begunstigden, waren Arezzo, Siena en S. Gimignano. De hulp, die Arezzo aan de verbannen Ghibellijnen verleend had, was voor de Florentijnen een reden om in 1289 de Aretijnen aan te vallen, en zij versloegen hen bij Campaldino. Aan dezen slag nam Dante, die toen vier en twintig jaar oud was, deel, zooals hij ons vertelt8 in een fragment van een zijner brieven, dat nog over is. “Ik was daar”, zegt hij, “een nieuweling in de wapenen en eerst beving mij groote vrees, doch later groote blijdschap”. Een stad van nog sterker Ghibellijnsche gezindheid was in den beginne Siena, dat, zooals wij zagen, zulk een krachtdadige hulp bracht aan de Florentijnsche bannelingen in den slag bij Montaperti. Maar tien jaar later verwisselde Siena van politiek. Door den invloed van Karel van Anjou, die na den dood van Manfred zich meester maakte van de meeste der Toskaansche steden, sloot Siena zich aan bij het Welfsche verbond, en het bleef geheel onafhankelijk en republikeinsch tot veel later tijd, c. 1490, toen Pandulf zijn Signoria over die stad vestigde. Het lot van S. Gimignano was geheel anders. Reeds vroeg werd het een volkomen onafhankelijke Republiek, die neiging vertoonde het republikeinsche Florence te steunen. Dante bracht het, omstreeks 1300, een bezoek als gezant van Florence, en heeft, naar men zegt, een redevoering gehouden in de zaal, die nu Sala di Dante heet; maar ondanks zijn welsprekendheid werd de democratische vrijheid gefnuikt door de partijtwisten van den plaatselijken adel, vooral door de veete tusschen de Ghibellijnsche Salvucci en de Ardinghelle9. Ten slotte was Florence omstreeks 1353 in staat, door de medewerking van de Welfsche Ardinghelli, het protectoraat over S. Gimignano af te kondigen.
Toen Dante acht en twintig jaar oud was, ongeveer drie jaren na den dood van Beatrice, verwierf de Florentijnsche staat een zeer belangrijk voordeel door de openbare bekrachtiging van de Ordinamenti della Giustizia, die aan alle burgers gelijke rechten tegenover de wet verleende. Maar ongelukkig werd de kans, die Florence nu had om zich te ontwikkelen tot een model-republiek, vernietigd door het feit, dat uit Pistoria, “dat hol van schadelijke beesten”, zooals Dante zegt, een nieuwe veete werd ingevoerd, van de Neri en de Bianchi; aan het hoofd van de Neri stelde zich in Florence de voorname familie der Donati, de leiding der Bianchi nam de aanzienlijke familie der Cerchi op zich. De aanvoerder der Neri, Corso Donati, verbond zich met Paus Bonifacius VIII en slaagde erin, geholpen door Karel van Anjou, die in 1301 Florence een bezoek bracht, de Bianchi-Cerchi te verdrijven, die er van beschuldigd werden, dat zij niet alleen ontrouwe Welfen maar ook verkapte Ghibellijnen waren. Onder hen, die verjaagd werden, was ook Dante10.
Terwijl Dante als balling rondzwierf—waarschijnlijk in dien tijd in het land van Massa en Carrara, dat naar de oude Etruscische stad Luni, Lunigiane heet—stond het volk van Florence op tegen de tyrannie van Corso Donati11; en kort daarna stierf Donati, misschien op gewelddadige wijze, misschien door een ongeluk12. Maar deze gebeurtenis vergunde Dante toch niet naar zijn geboortestad terug te keeren. Toen hij verbannen was, had hij openlijk de zijde van de Ghibellijnen gekozen; maar nu had hij, teleurgesteld, hen reeds verlaten, en besloten, voor zichzelf een partij te vormen13.
De verdere geschiedenis van Florence was gedurende vele jaren die van een vrije republiek. Zoo nu en dan werd de stad in opschudding gebracht door oorlog en volksoproeren, zooals in 1378 door de Ciompi, maar over het algemeen genoot zij van haar vrijheid en welvaart tot de opkomst der Signoria van de Medici.
Terwijl Florence zich aldus haar weg baande naar de republikeinsche vrijheid, ondergingen vele Noord-Italiaansche steden het lot, dat wij beschreven hebben; Venetië en Genua maakten hierop een schitterende uitzondering. In Verona, de geboortestad van de Montecchi en Capuletti, vestigde de bloeddorstige Ezzelino, zooals wij hebben gezien, zijn tyrannie en ook in Padua, Vicenza, Treviso en andere steden. Na zijn dood (1259) werd Mastino della Scala tot Podestà en tot Capitano del Popolo voor zijn leven gekozen, en aldus begon de dynastie der Scaligeri. De bekendste van deze familie is Can Grande, aan wiens hof Dante een tijdlang een tehuis vond en ondervond,
Evenzoo vestigden zich de Gonzage in Mantua, de Markiezen van Este in Ferrara, Modena en Reggio, de Correggi en Visconti in Parma, de Montefeltri in Urbino, de Malatesta-familie in Rimini en de da Polenta in Ravenna15.
Munt van Milaan, c. 1260.
Van bijzonder gewicht zijn de annalen van Milaan. De geschiedenis van deze stad tot 1200 ongeveer is reeds verhaald. Nadat zij weder verrezen was op de puinhoopen, waarin Frederik Barbarossa haar veranderd had, en door den slag bij Legnano en den vrede van Constanz zich bevrijd had van de Duitsche overheersching, had de stad een tijdlang een merkwaardigen drieledigen regeeringsvorm. Het machtigste van de drie politieke lichamen was de Credenza van den H. Ambrosius, die de volkspartij vertegenwoordigde. De Molta vertegenwoordigde de lageren adel en de Credenza van de Consuls den hoogeren adel. Elk van deze lichamen had zijn eigen overheden en vormde een soort republiek op zich zelf. Deze stand van zaken gaf natuurlijk aanleiding tot oneenigheid en, zooals gewoonlijk, de oneenigheid leidde tot het optreden van een dictator. Zoo sloten omstreeks 1250 de Torriani (het geslacht della Torre) zich bij de volkspartij aan en kregen de macht in handen. Maar zij gedroegen zich zoo despotisch, dat de Aartsbisschop Otto, die behoorde tot de familie van hun mededingers, de Visconti, zich aan het hoofd van de aristocratische (Ghibellijnsche) partij plaatste en in staat was hen in 1277 te verdrijven; hij regeerde gedurende langen tijd in Milaan. Otto werd opgevolgd door Matteo, die, ofschoon hij voor eenige jaren uit de stad verbannen werd door de Torriani, door Hendrik VII hersteld werd, toen “die vredestichter” in 1311 te Milaan kwam om de ijzeren Kroon te aanvaarden16; en met Duitsche hulp richtte hij een bloedbad onder zijn mededingers aan en roeide hen bijna geheel uit; hij was de stichter van de beroemde dynastie der Milaneesche Visconti.
61. Kansel van het Baptisterium, Pisa.
Een merkwaardige, hoewel kortstondige Signoria, was die van Guglielmo Spadalunga (Langzwaard), Markies van Monteferrato. Ongeveer 1270 maakte hij zich meester van een groot aantal Lombardische steden, waartoe Novara, Vercelli, Asti en Pavia behoorden. Maar zijn denkbeeldig rijk viel terstond uiteen, toen hij omstreeks 1290 overweldigd werd door een coalitie van eenige der steden, die hij had onderworpen.
Het is van belang op te merken, dat het leger dezer steden aangevoerd werd door een van de voorvaderen van den tegenwoordigen Koning van Italië, nl. door Amedeo van Savoye. De oudste, bekende voorvader van het Huis van Savoye was een zekere Graaf Umberto, met den bijnaam Biancamano, die uit de bergen van Savoye in de Po-vlakte afdaalde, in Piemonte door gevechten en listige verbonden vasten voet kreeg en in 1033 Koenraad II hielp om Bourgondië te veroveren. In 1310 hooren wij, dat een anderen Graaf van Savoye, Luigi, tot Senator van Rome verkozen wordt. Gedurende vele eeuwen heeft dit geslacht zich door zijn dapperheid en energie voor de hooge stelling, die het zou bekleeden, waardig getoond.
Wij hebben reeds gehoord van het belangrijk aandeel, dat Genua in vroeger tijden heeft genomen in de worsteling tegen de Saracenen en hoe, nadat in 936 de stad genomen en geplunderd was door de Saraceensche zeeroovers, zij haar maritieme macht herwon en als kampioen van de Ligurische steden en bondgenoot van Pisa de zeeën met haar galeien schoon veegde. Wij hebben ook gezien, hoe de Genueezen zich bij den eersten kruistocht aansloten en hun steun verleenden om Boudewijn op den troon van Jeruzalem te plaatsen en hoe zij een belangrijke commercieele en koloniale macht werden in het oostelijk gedeelte van de Middellandsche zee. De aanwezigheid van buitenlandsche vijanden, eerst van de Saracenen en later van de machtige heeren van Ligurië, had een verbond van de volkspartij met den lageren adel ten gevolge. Dit verbond heette de Compagna, en de verkiezing van Guglielmo Boccanegra als Capitano del Popolo in 1257, of misschien de eindelijke overwinning van de volkspartij in 1270, kan beschouwd worden als het begin van de Genueesche Republiek en van haar groote maritieme macht en commercieele welvaart. In 1284 verpletterde Genua, zooals wij gezien hebben, haar mededingster, Pisa, in den zeeslag bij Meloria. Ongeveer veertien jaar later (1298) vernielde het de vloot van Venetië volkomen bij Curzola. Omstreeks acht duizend Venetianen werden gevangen genomen, onder wie de reiziger Marco Polo, die in de gevangenis zijn beroemd werk, Milione, schreef. Wij nemen dus afscheid van Genua, wanneer zij op het toppunt van haar grootheid staat, want niet lang daarna werd haar zeemacht lam geslagen door een ernstige nederlaag op de hoogte van Chioggia. Daarna, door de overwinningen van Doge Andrea Dandolo, omstreeks 1350, en door de verovering van de Genueesche vloot in de Lagunen in 1380, werd de maritieme heerschappij van Venetië over haar groote mededingster blijvend gevestigd.
De geschiedenis van Venetië van haar eerste begin tot ongeveer 1200 is reeds in het kort verteld. Haar politieke en kunst-geschiedenis in de dertiende eeuw geeft bij voortduring vele belangwekkende eigenaardigheden te zien, die afwijken van die der overige Italiaansche republieken.
Ten eerste had, wat haar inwendige, staatkundige geschiedenis betreft, de ontwikkeling van die stad in oligarchische richting plaats, en wel in de richting, die wij misschien eerder mogen noemen een patricische dan een democratische. De oude Venetiaansche families bestonden voor het grootste gedeelte niet, zooals in andere Noord-Italiaansche steden, uit een feudalen Duitschen adel, maar stamden van de oude Romeinen af, daar Venetië met haar eilanden in vroegere tijden een geliefkoosde verblijfplaats was van de vermogende Romeinen. De nauwe betrekkingen bovendien, die er tusschen Venetië en Byzantium bestonden, hadden ten gevolge, dat in deze stad rijkdom en weelde en Oostersche ideeën, die de democratie niet in de hand werkten, hun intrede deden.
In de oudste tijden werd de Doge gekozen met de algemeene stemmen van het volk, dat zijn wil te kennen gaf door middel van de volksvergadering (de Arengo). De doges evenwel verschilden wezenlijk van de Gonfalonieri en Capitani en Priori der andere steden, omdat zij geen tijdelijke presidenten waren, maar voor hun leven werden gekozen. En ofschoon het volk gebruik maakte van zijn rechten en de macht van den Doge beperkte door middel van een Raad en een Senaat (Maggior Consiglio en Pregadi), werd de democratische winst toch vernietigd door het feit, dat deze Raad werd gekozen uit de vermogende klassen en dat elke nieuwe hervorming meer en meer het aantal van hen verminderde, die tot raadsleden konden worden verkozen, zoodat in den loop der tijden het streven naar een oligarchischen regeeringsvorm niet meer kon worden geremd. Bijna in denzelfden tijd, dat Florence de Ordinamenti della Giustizia vaststelde, die den adel van de regeering uitsloten en gelijkheid voor de wet aan alle Florentijnen gaven, namen de Venetianen de gewichtige Serratura (sluiting) van hun Grooten Raad aan, waardoor alle gewone burgers van de verkiezing voor dat lichaam werden uitgesloten en de candidatuur tot een betrekkelijk klein aantal adelijke families werd beperkt17.
Maar vele van de Venetiaansche edelen van dit tijdperk hadden hun vermogen en rang door den handel verworven, en de oude adelijke families, uit hun bezittingen gedrongen door deze plutocraten, werden ten slotte zoo ontevreden, dat zij, aangevoerd door Baiamonte Tiepolo, een krachtige, maar ijdele poging ondernamen om de gevestigde regeering omver te werpen (1310). De commissie, die ingesteld werd om de aanleggers van deze samenzwering op te sporen, behield haar ambt gedurende een reeks van jaren en eindelijk werd zij door een besluit, dat in 1335 werd aangenomen, permanent verklaard. Dit was de beruchte en gevreesde Raad van Tien, waarvan men in later tijd zooveel hoort.
Ten opzichte van de ontwikkeling naar buiten gedurende de veertiende eeuw ondergingen de macht ter zee en de handel van Venetië een zeer gunstigen invloed door haar gelukkige ligging, die haar in staat stelde dienst te doen als stapelplaats voor den handel tusschen het Oosten en de noord-westelijke streken van Europa. Aan de inneming en schandelijke plundering van Constantinopel door de zgn. Latijnen (Franschen, Vlamingen en anderen) tijdens den zoogenaamden vierden kruistocht namen de Venetianen een werkzaam aandeel en zij werden beloond door een geweldige uitbreiding van hun handelsbetrekkingen in het oosten, waar hun kooplieden vele privileges genoten. Het gevolg hiervan in Venetië zelf was een duidelijke herleving van den Byzantijnschen invloed, vooral merkbaar in de bouwkunst en mozaïeken18. Deze Byzantijnsche invloed duurde in Venetië langen tijd en overleefde en werkte sterk op den Venetiaansch-Romaanschen stijl, waarop wij reeds gewezen hebben en wederom zullen moeten wijzen (zie p. 390 en plaat 56).
Zooals wij hebben gezien, leden de Venetianen een verpletterende nederlaag in 1298 door de Genueesche vloot. Gedurende de volgende halve eeuw en nog langer ontwikkelde Genua een werkzaamheid, die zeer nadeelig was voor den Venetiaanschen handel en maakte zich ook meester van eenige Venetiaansche bezittingen in het Oosten, en het was niet voor het einde der veertiende eeuw, dat Venetië onbetwistbaar de Koningin van de Adriatische Zee werd en haar heerschappij over haar mededingsters in de Levant vestigde. Wanneer wij de opkomst van de Italiaansche Gotiek bespreken, zullen wij zien, dat eerst in een tamelijk laat tijdperk die stijl van architectuur in Venetië ingang vond. Hier behoeven wij er slechts op te wijzen, dat deze Venetiaansche Gotiek bijzondere en fraaie kenmerken bezit, daar zij niet slechts onder plaatselijke maar ook onder Oostersche invloeden stond, waarbij, zooals Ruskin heeft aangetoond, ook de Saraceensche invloed soms herkenbaar is.
1 Zie p. 473.
2 Dante, Parad. XVI, 153. Het oude vaandel der Florentijnen (en Ghibellijnen) droeg een witte lelie op een rood veld; de Welfen namen een roode lelie op een wit veld. Dante’s woorden “werd vermiljoen gemaakt” hebben waarschijnlijk betrekking op het bloedbad. Zijn groote stamvader, Cacciaguida, was keizersgezind; de van hem afstammende Alighieri, de onmiddellijke voorvaderen van Dante, waren trouwe Welfen.
3 Inferno X. Farinata, die uit zijn vurige graftombe met trotsche, kalme waardigheid verrijst, “alsof hij de Hel in groote minachting had” is een van de grootste en levendigste figuren in de Divina Commedia.
4 Inferno X, 86.
5 Dante liet zich inschrijven in het groote gilde van de geneesheeren en apothekers (Medici e Speziali, la sesta arte, zegt Zingarelli). Van de ontelbare werken over het leven en de werken van Dante noem ik in het bijzonder Nicola Zingarelli, Vita di Dante, con un’ analisi della Divina Commedia, Henri Hauvette, Dante, Inleiding tot de studie van de Divina Commedia (Wereldbibliotheek) en Karl Federn, Dante, van welk laatste werk de Italiaansche uitgave buitengewoon fraai geïllustreerd is. [Vertaler].
6 Zie Dante, Inferno XXI, 38: Un degli anzian di Santa Zita, i. e. van Lucca. De Anziani van Lucca en Pisa beantwoordden aan de Florentijnsche Priori.
7 Inferno XXXIII. Er zijn weinig plaatsen in de Commedia, die een zoo schitterende getuigenis afleggen van het buitengewone genie van dezen dichter. Beestachtig is de wraak van Ugolino op zijn beul Ruggieri, in wiens nek hij zijn tanden zet, die hij daarna afveegt aan de haren van het hoofd, waaraan hij knaagt. Maar ons afgrijzen verandert in diep medelijden, wanneer wij dan in hartverscheurende bewoordingen lezen, hoe de vader de machtelooze getuige was van het langzame sterven zijner kinderen.
“Nadat wij aan den vierden dag waren gekomen, wierp Gaddo zich uitgestrekt voor mijn voeten, zeggende: ““Mijn vader, waarom helpt gij mij niet?”” Daar stierf hij; en zooals gij mij hier ziet, zoo waar zag ik hen alle drie, éen voor éen, vallen, tusschen den vijfden en den zesden dag. Twee lange dagen nog tastte ik, reeds blind, naar hen rond en riep hen; daarna deed de honger wat de smart niet vermocht”.
Dit tooneel in den Inferno, dat ons nu nog doet trillen van ontroering, is wel een van de treffendste illustraties van de wet der wedervergelding (il taglione, ius talionis). Wel zijn hierop van toepassing de woorden van Ugolino: “En als gij nu niet weent, waarover pleegt gij dan te weenen?” [Vertaler].
8 Zie ook Inferno XXII, 4 en Purgat. V, 92. In het volgend jaar was Dante aanwezig bij de capitulatie van Caprona, een vesting aan den Arno, die de Pisanen bezet hadden. Inferno XXI, 94, vergelijkt hij zich, wanneer de duivels, ofschoon zij hem niet mogen aanraken, hem van alle kanten bedreigen, met de krijgsknechten, die uit Caprona wegtrokken en bang werden, toen zij zich tusschen zoovele vijanden zagen.
9 Dertien van de meer dan vijftig (?) torens, die door de edelen van S. Gimignano gebouwd zijn, verleenen nog steeds een merkwaardig uiterlijk aan deze città della belle torre. Zie plaat 54.
10 Voor de feiten, die in verband staan met Dante’s ballingschap zie men p. 445. Tien jaar tevoren was hij met Gemma getrouwd, waarschijnlijk een zuster van Corso Donati, den leider van de Ultra-Welfen. Ofschoon Dante den naam van zijn vrouw nergens vermeldt, koesterde hij blijkbaar groote genegenheid voor Piccarda, Corso’s zuster die hij in het Paradijs ontmoet en ook voor Forese, den broeder van Corso, ofschoon hij hem wegens zijn gulzigheid in het Purgatorium verschrikkelijk straft. “Om de oogen waren allen hol, en donkerbleek van gezicht en zoo uitgehongerd, dat de huid zich naar hun knoken scheen gevormd te hebben”. Purgat. XXIII, 22–24.
11 Hij geleek, zegt Dino Compagni, op den Romein Catilina, maar hij was wreeder, schoon van uiterlijk, edel van afkomst, een innemend spreker, scherp van geest en steeds geneigd om het kwade te doen. [Vertaler].
12 Dante schijnt het verhaal te bevestigen, dat hij, waarschijnlijk bij een worsteling, in het Casentijnsche van zijn paard werd geworpen en aan den stijgbeugel werd voortgesleurd. Forese voorspelt Dante, dat Corso “aan de staart van een dier naar dat dal wordt gesleept, waar men nooit vergiffenis voor zijn zonden krijgt.” Purgat. XXIV, 83, 84.
13 Paradiso XVII, 69.
14 (Zoo zult gij proeven) hoe zout smaakt andermans brood, en hoe harde weg het is op- en afgaan van een andermans trappen. (Paradiso XVII, 58–60).
15 Guido da Polenta was Dante’s vriend aan het einde van zijn leven. Te Ravenna zag de dichter zonder twijfel dikwijls de kleine Francesca, de dochter of nicht van Guido, die later gehuwd is met Giancotto Malatesta en door hem is gedood. Ieder lezer van Dante kent de geschiedenis, hoe Francesca en Paolo den roman van Lancelot lezen, hoe de liefde zich van hen meester maakt; “toen wij lazen, hoe het begeerde lachje gekust werd door zoo grooten minnaar, kuste hij, die nooit van mij gescheiden moge worden, mij gansch sidderend den mond; Galeotto was het boek en die het geschreven had; dien dag hebben wij niet verder gelezen”. Inferno V, 133–138.
16 Men zal zich herinneren, dat Hendrik VII zich tot rex pacificus liet uitroepen, maar het een militaire noodzakelijkheid vond een aandeel te nemen in de staatkundige woelingen van Italië.
17 In 1315, zegt Villari, werd de eerste lijst van deze families gepubliceerd. In later tijden (in de zestiende eeuw) kreeg het register den naam van “het Gouden Boek” (Libro d’oro).
18 Bijv. de oude mozaïekwerken van de voorhal van de St. Marcus. Vele prachtige marmeren standbeelden en andere schatten, waartoe ook de beroemde bronzen paarden behoorden, werden uit Constantinopel meegebracht door den “blinden ouden Dandolo” en zijn krijgers (c. 1204).