[15] Zie bl. 186/7.

De crisis in de bouwnijverheid is zeer verlicht door de verhaaste uitvoering van groote werken, waarover ik in verband met de werkverschaffing sprak[16]. De particuliere woningbouw heeft sterk den terugslag ondervonden van de duurte van het hypothecaire crediet. Zooals in het vorig hoofdstuk werd vermeld[17], werd daaraan vooral te Amsterdam van overheidswege eenigermate te gemoet gekomen. De particuliere woningbouw is echter, hoewel ook daarin allengs wat verbetering kwam, toch kwijnend gebleven. Enkele aanverwante bedrijven, met name de baksteenindustrie, hebben daarvan den terugslag ondervonden. Toen de credietverhoudingen gunstiger werden, werkten de schaarschte en de hooge prijzen van verschillende grondstoffen, speciaal van het hout, belemmerend voor de bouwnijverheid.

[16] Zie bl. 159/160.

[17] Zie bl. 224.

§ 2. Land- en tuinbouw.

In den aanvang van den oorlogstijd scheen de toekomst ook voor land- en tuinbouw duister. Deze zeer belangrijke takken van onze volkshuishouding staan en vallen met den exporthandel, daar hunne producten in veel grootere hoeveelheden worden gewonnen dan voor het binnenlandsch verbruik noodig zijn. Het kan dus wel niet anders of de vooruitzichten moesten voor beiden in het begin van Augustus 1914, toen de meeste dezer producten ten uitvoer waren verboden en er een bijna algeheele stremming in het vervoer had plaats gehad, alles behalve rooskleurig zijn. Spoedig echter kwam de kentering. Toen bleek, dat van de uitvoerverboden, welke voorzichtigheidshalve in de eerste dagen van Augustus 1914 waren gesteld, die welke land- en tuinbouwproducten troffen, voor een groot deel konden worden opgeheven, en toen in de tweede helft van die maand zoowel het spoorwegverkeer als de groote scheepvaart en de binnenschipperij zich begonnen te herstellen, kwam er verbetering.

De eerste Nota betreffende den Economischen Toestand, die van het begin van November 1914 dagteekent, klonk reeds bemoedigend:

„Ten gevolge van de sedert medio Augustus sterk toegenomen buitenlandsche vraag naar de voornaamste artikelen van land- en tuinbouw en veeteelt, alsmede naar andere voedingsmiddelen, is de export van deze producten naar Engeland en Duitschland niet slechts normaal, maar zelfs grooter dan vroeger geworden”.

De tweede Nota, die den toestand in Januari 1915 weergeeft, kon nog geruststellender luiden, ook al was zij niet onverdeeld gunstig:

„In den landbouw is de gang van zaken weder vrij normaal geworden. De voornaamste bezwaren, waaronder deze gebukt gaat, zijn het gebrek aan veevoeder, voortvloeiende uit de noodzakelijkheid om de rogge voor de voeding der menschen te bewaren,.... benevens de moeilijkheid om voldoende kunstmest te krijgen....

„Mede door gebrek aan veevoeder ging de varkensstapel sterk achteruit, terwijl ook de hoenderteelt zeer belemmerd werd, hetgeen vooral de kleine landbouwers in de roggestreken benadeelde.

„Overigens stegen de meeste landbouwproducten in prijs, ook die zooals aardappelen, voor welke tot op zekere hoogte een uitvoerverbod geldt.

„Ook het stroo, dat volgens het vorige economische overzicht laag geprijsd was, is zeer gestegen.

„De bietenoogst is geheel naar wensch verloopen. De prijzen der zuivelproducten zijn hoog.

„Alles te zamen genomen, hebben de landbouwers over het jaar 1914 allerminst te klagen.

„Zulks is feitelijk ook het geval met de groentetelers, al zijn dan ook de verdiensten in de maand Augustus buitengewoon slecht geweest.

„Op dezen regel zijn intusschen bij den tuinbouw meer uitzonderingen dan bij den eigenlijken landbouw; daar er inderdaad veel kleine bedrijven zijn, die door den zooeven genoemden tegenslag ernstig getroffen werden.

„Ook het gebrek aan varkensvoeder drukt vele tuinders; deze moeten toch in het belang der bemesting deze dieren houden”.

De vierde Nota, over den toestand in April 1915, is al weer heel wat hooger gestemd. Het is de moeite waard den hoofdinhoud van de tamelijk uitvoerige beschrijving, welke die Nota van land- en tuinbouw geeft, onverkort mede te deelen:

„Wat den landbouw betreft, zoo mag er op gewezen worden, dat ook deze in vele opzichten reden tot zeer groote tevredenheid biedt. De landbouwers hebben zeker in het algemeen allerminst reden tot klagen.

„Vele producten zijn sedert het vorige kwartaal nog in prijs gestegen. Dit geldt in de eerste plaats voor varkensvleesch, waarvan de prijs eene buitensporige hoogte bereikte..... Voor zoover kan beoordeeld worden, is de fokkerij, die in den voorgaanden herfst nagenoeg geheel was stopgezet, weder toegenomen.

„Het vette rundvee is ook hoog in prijs. De prijzen der fok- en melkkoeien zijn iets lager dan zij geweest zijn.

„De boterprijzen, die in ’t begin der maand Maart eene sterke daling vertoonden, stegen daarna hooger dan in andere jaren om dezen tijd. Ook de kaasprijzen blijven hoog. Waar de zaken zoo staan, is het niet moeilijk te verklaren dat de landprijzen, ondanks den hoogen rentestand eer eene neiging tot rijzen dan tot dalen vertoonen. Vooral het voor één jaar verpachte grasland bracht hooge prijzen op. Opgemerkt moet echter worden, dat er betrekkelijk weinig verkoopen plaats hebben.

„Bij het beoordeelen van den toestand van den landbouw moet wel in het oog gehouden worden, dat de uitkomsten niet in alle streken even gunstig waren. Zeer geprofiteerd hebben de groote kapitaalkrachtige akkerbouwers in de kleistreken. Hunne producten waren meest alle zeer duur, terwijl zij weinig of geen hinder ondervinden van Regeeringsmaatregelen of van prijsstijging van grondstoffen. Ook in de Veenkoloniën waren de uitkomsten, ten gevolge van de hooge prijzen van aardappelen en aardappelmeel, over ’t geheel zeer gunstig. Minder gunstig, ofschoon toch goed, waren de resultaten van het zandbedrijf.

„In de weidestreken profiteerde men wel van de hooge vee- en zuivelprijzen, maar de voordeelen daarvan werden voor een belangrijk deel geneutraliseerd door de hooge veevoederprijzen.

„Niet alleen varieeren de uitkomsten naar de streek, maar in iedere streek ook naar de omstandigheid, of men zijne producten vroeg van de hand heeft gezet, dan wel grootendeels heeft verkocht toen de prijzen gestegen waren. Uit alle streken komen berichten, die er op wijzen, dat de kleine boer in den regel aan het kortste eind heeft getrokken, daar de omstandigheden er hem in den regel toe dwingen zijn producten zoo spoedig mogelijk van de hand te doen. Vooral in het begin van de crisis, toen het zoo moeilijk was crediet te krijgen, deed zich dit verschijnsel sterk gevoelen. Zoo wordt uit Gelderland bericht, dat de kleine, weinig financieelkrachtige keuterbedrijven, vooral indien de bedrijfsleider onder de wapenen was, in de moeilijke eerste weken van de crisis te veel vee en varkens tegen betrekkelijk lagen prijs van de hand hebben gedaan en van de daarop volgende betere tijden niet konden profiteeren.

„In Utrecht had hetzelfde plaats. In de zandstreken van die provincie wordt het veevoeder als regel door de kleine boeren op crediet gekocht. In Augustus werd contante betaling ingevoerd, wat leidde tot ontijdig verkoopen van vee en varkens en slecht voeren. In de Groninger Veenkoloniën trokken de niet-coöpereerende aardappelverbouwers (dat zijn over het algemeen de kleine) weer aan het kortste eind. Zij verkochten hunne aardappels in voorkoop voor 80 cents per H.L. en in nakoop aanvankelijk voor nog minder, terwijl eerst later de prijzen rezen tot ƒ 1.20. Omtrent de uitkeeringen der coöperatieve fabrieken hoort men daarentegen bedragen noemen van ƒ 1.50 à ƒ 2..”

Omtrent den toestand van den Landbouw in Juli 1915 zegt de zesde Nota:

„Het afgeloopen kwartaal is zeker voor den Landbouw bij uitstek voordeelig geweest. De hooge prijzen, die voor zoo goed als alle producten betaald worden, hebben den landbouwers een goeden tijd bezorgd”.

De achtste Nota geeft meer uitvoerige en zeer belangwekkende mededeelingen over den toestand in Januari 1916. Ik neem daaruit het volgende over. Nadat omtrent de akkerbouwgewassen is opgemerkt, dat de oogst niet te best is geweest, gaat de Nota voort:

Moest de opbrengst den doorslag geven, zoo zou het financieele resultaat van vele akkerbouwbedrijven niet schitterend zijn geweest, ja van sommige bepaald onvoldoende moeten worden genoemd. Ten gevolge van de hooge prijzen, die voor tal van artikelen konden worden bedongen, waren nu de uitkomsten in het algemeen zeer bevredigend.

„Zeer hoog in prijs waren de peulvruchten en verschillende handelsgewassen als: vlas, mosterd, cichorei, blauwmaanzaad en uien. De prijs der tarwe was niet bijzonder hoog. Haver en gerst waren naar verhouding duurder.

„Vermoedelijk ten gevolge van de betrekkelijk lage tarweprijzen, werden omtrent den door de Regeering vastgestelden roggeprijs van ƒ 8 per K.G., die aanvankelijk door de landbouwers te laag geacht werd, later weinig klachten gehoord.

„De prijs, die voor de op „tel quel contract” verkochte bieten werd ontvangen, was niet hoog, zoodat, mede ten gevolge van de matige opbrengst voor de landbouwers, die op deze wijze hun gewas hebben verkocht, de bietenteelt niet meer dan middelmatige financieele resultaten heeft gegeven. Gunstiger staan de aandeelhouders der coöperatieve beetwortelsuikerfabrieken er voor, daar de suikerprijzen hoog zijn.

„Terwijl in den herfst van 1914, mede ten gevolge van de lage kartonprijzen en de groote oogsten in de voorgaande jaren, het stroo zeer goedkoop was, liepen door de geringe stroo-opbrengst, de sterke stijging der kartonprijzen en wellicht ook door de groote vraag voor legerdoeleinden, in den herfst van 1915 de strooprijzen tot eene voorheen ongekende hoogte op.”

Omtrent het akkerbouwbedrijf deelt de Nota voorts mede, dat de verbouw van aardappelen niet zoo gunstig is geweest als die van andere gewassen, omdat in verband met den minder goeden oogst, in het najaar geen gelegenheid tot uitvoer gegeven werd, en dat de uien buitengewoon duur waren, zoodat de telers daarvan ongekend goede zaken hebben gemaakt. Daarna zegt zij van de veehouderij:

„Over het algemeen waren de financieele resultaten van de rundveehouderij zeer gunstig. De prijzen, die het buitenland besteedde voor boter, kaas en andere melkproducten, waren buitengewoon hoog. Daartegenover staat, dat er veel boter en kaas voor het binnenland moest worden geleverd tegen prijzen, die, de hoogere productiekosten in aanmerking genomen, eer beneden dan boven de normale waren. Voorts waren de krachtvoedermiddelen hoog in prijs, evenals het hooi.

Onbevredigend was het financieele resultaat, verkregen door hen die consumptiemelk leveren.

„De uitvoer van boter en kaas was grooter dan in normale jaren....

„De varkensfokkerij en -mesterij kwam in den loop des jaars de crisis te boven, waarin zij in den winter van 1914/1915 ten gevolge van de hooge prijzen van het mestvoer verkeerde. Gedurende de zomermaanden waren de uitkomsten, ten gevolge van de hooge prijzen der varkens en de betrekkelijk matige maïsprijzen, zelfs zeer voordeelig. In de laatste maanden van het jaar is daarin eene belangrijke verandering gekomen, doordien de maïsprijzen belangrijk stegen en de prijzen der vette varkens eer neiging tot dalen dan tot stijgen vertoonden.

„De uitvoer van de onderscheiden soorten van varkensvleesch (inclusief de levende varkens) bedroeg in 1915 ruim 63 millioen K.G. tegen 81 millioen in 1914 en 50 millioen in 1913.”

Voor de groentetelers was de oorlogstoestand over het algemeen niet minder gunstig dan voor de boeren. Zooals boven[18] reeds werd medegedeeld, schildert de tweede Nota dien der groentetelers over het algemeen als niet ongunstig. De Nota die den toestand van April 1915 beschrijft, zegt in aansluiting daaraan:

[18] Zie bl. 284.

„In de vorige nota werd opgemerkt dat het jaar 1914 voor de groentetelers, ondanks de slechte tijden in de eerste weken van de crisis niet slecht was geweest. Toch leeren de thans bekend geworden cijfers van menige veilingsvereeniging, dat de totale omzet belangrijk is gebleven beneden dien van 1913, wat vooral moet worden geweten aan de geringe opbrengst van de zomergroenten. Het best waren zij er aan toe, die veel late groenten teelden, welke in de eerste maanden van 1915 tegen, over ’t geheel, flinke prijzen konden worden van de hand gezet, zoodat de financieele uitkomsten van het bedrijf daardoor belangrijk verbeterden. Wat de vooruitzichten voor het jaar 1915 betreft, kan worden opgemerkt, dat de sterke uitbreiding, die de groenteteelt in de laatste jaren heeft getoond, tot staan is gekomen. Speciaal geldt dit voor de teelt onder glas, waartoe de hooge prijzen van het glas, de hooge rentestandaard, alsmede de in 1914 geleden verliezen elk het hunne bijdragen, terwijl men over het algemeen geneigd is eene afwachtende houding aan te nemen. Een tweede verschijnsel, dat valt te constateeren is, dat minder is vervroegd, zoowel waar dit gebeurde door stoken als door het gebruik van broeimest. De oorzaak hiervan schuilt in verschillende omstandigheden: gebrek aan geld, vrees voor onvoldoenden aanvoer van brandstof, militaire dienst van den bedrijfsleider, enz.

„Zooals het zich thans laat aanzien zijn de vooruitzichten voor de groentetelers gunstig. De afzet naar het buitenland zal, mits de transportgelegenheid voldoende is, in het komende seizoen ongetwijfeld zijn tegen loonende prijzen”.

De Nota over den toestand in Juli 1915 maakt er melding van, dat in de centra voor fruit- en groenteteelt verschillende producten die op den uitvoer zijn aangewezen, bevredigende en soms zelfs zeer goede prijzen maakten. De Achtste Nota eindelijk, betreffende den toestand in Januari 1916, zegt van den tuinbouw:

„De opbrengst der warmoezerijgewassen is, vooral wat de producten van den open grond en speciaal de latere gewassen betreft, zeer goed geweest.

„Terwijl in het begin van het seizoen de prijzen van verschillende groenten nogal te wenschen overlieten, waren nagenoeg alle producten in het tweede gedeelte van het jaar duur. De financieele uitkomsten van het bedrijf zijn dan ook over het algemeen zeer gunstig geweest, wat mede blijkt uit de groote bedragen, die op de veilingen zijn omgezet en de groote hoeveelheden, welke zijn uitgevoerd....

„Wat de fruitteelt betreft, kan de teelt van bessen, frambozen, kersen en aardbeien door de ruime opbrengsten en de hooge prijzen zeer voordeelig genoemd worden.

„Ook over den oogst van appels en peren kan men over ’t geheel tevreden zijn. De opbrengst is, met uitzondering van enkele centra in de noordelijke provinciën, buitengewoon groot geweest. De prijzen waren wel niet hoog, maar over ’t algemeen maakte de hooge opbrengst de financieele uitkomst toch wel zeer goed. Vooral in Utrecht, de Betuwe, alsmede in Zeeland is van het fruit veel geld gemaakt”.

Aanvankelijk wekt het eenige verwondering dat de uitkomsten van de bloemisterij zeer goed waren. Dit verblijdend verschijnsel vindt hierin zijn oorzaak, dat in Duitschland de oorlog het betrekken van bloemen uit Italië en Zuid-Frankrijk verhinderde, ten gevolge waarvan de vraag naar Nederlandsche bloemen aldaar groot was en daar goede prijzen waren te maken.

Aan het slot van de beschrijving van den toestand van land- en tuinbouw zegt de Achtste Nota:

„Evenals ten vorigen jare valt ook thans weer de opmerking te maken, dat de kleine landbouwondernemers over ’t geheel minder gunstige financieele resultaten bereiken dan hunne grootere en meer kapitaalkrachtige collega’s.

„Dit is in de eerste plaats het gevolg hiervan, dat zij minder dan de grootere landbouwers het voor den verkoop gunstige oogenblik kunnen kiezen. Voorts staan zij buiten sommige takken van coöperatie, wat o.a. het geval is ten aanzien van de suiker- en aardappelmeelfabrieken. Dan worden verschillende producten, die vooral door Regeeringsmaatregelen zijn getroffen, door den kleinen producent voortgebracht. Dit geldt o.a. van aardappelen en consumptiemelk.

„Ten slotte worden juist de kleine bedrijven het meest gedrukt door de afwezigheid van den bedrijfsleider. Zoo deelde de Rijkslandbouwleeraar voor Drenthe mede, dat meer nog door schaarschte van arbeidskrachten dan door financieele onmacht vele kleine bedrijven zoo worden verwaarloosd, dat de gebruikers waarschijnlijk geheel geruïneerd worden.”

Deze algemeene opmerking is een illustratie van de aan economisten genoeg bekende waarheid, dat in den regel het kleinbedrijf het minst weerstandskrachtig is. In den landbouw is dat echter in veel mindere mate het geval dan in de nijverheid, waar over het algemeen het machinewezen aan het grootbedrijf een veel grooteren voorsprong geeft op de kleine nijverheid, dan het groote landbouwbedrijf op de kleine boerderij heeft. Het kleinbedrijf ligt in den regel veel dichter bij de grens der bestaansmogelijkheid dan het grootbedrijf, dat gewoonlijk die grens in meer of minder belangrijke mate overschrijdt. Toch mag men hieruit niet afleiden, dat de marginale onderneming steeds onder het kleinbedrijf is te zoeken. Vooral in een tijdperk van zoo snel veranderende conjunctuur als de oorlogstoestand te weeg brengt, kan dit zich in veel gevallen vlugger en gemakkelijker aan de wisselende omstandigheden aanpassen dan de groote onderneming. In den landbouw is daaromtrent in deze crisis bij ons weinig ervaring opgedaan, omdat hier te lande werkelijk groot landbouwbedrijf niet of nauwelijks voorkomt. Het is trouwens reeds lang bekend, dat daar het middelgroot bedrijf, dat hier te lande sterk vertegenwoordigd is, over het algemeen de beste kansen biedt. Het vereenigt, vooral als het aangesloten is bij eene ontwikkelde in- en verkoopscoöperatie, en daardoor zoowel bij den aankoop van zaden en meststoffen als bij den verkoop van zijn producten, van de voor het bedrijf gunstigste kansen kan profiteeren, de voordelen van het groot- met die van het kleinbedrijf. Op de markt treedt het als onderdeel van een groot coöperatief lichaam op, dat zoowel bij in- als bij verkoop de voordeelen van den grooten koopman deelachtig wordt, in het bedrijf zelf gaat het oog des meesters over alles en zorgt dit ervoor dat niet geluierd wordt en niet roekeloos met het vee noch met de grond- en hulpstoffen of met de producten wordt omgesprongen. Dat de kleinste boeren van de voor den landbouw zoo gunstige conjunctuur niet het grootste profijt hebben getrokken, behoeft niet te verwonderen; verwondering zou het gewekt hebben, als het anders geweest ware. Dat neemt intusschen niet weg, dat ook voor hen de toestand niet slecht was en in elk geval aanmerkelijk veel beter dan iemand in het begin van Augustus 1914 durfde hopen.

Dat de mobilisatie vooral voor het kleinbedrijf schadelijk is geweest in de gevallen waarin de kleine boer zelf onder de wapenen komen moest en niemand hem kon vervangen, is begrijpelijk genoeg. Maar dit geldt voor de kleine nijverheid even goed als voor de kleine boerderij. Ook daar heeft de afwezigheid van den „baas” de zaak dikwijls doen verloopen. Aan dit euvel werd zoo goed mogelijk te gemoet gekomen door de economische verloven, waarvan de landbouwverloven een onderdeel uitmaken. Het is genoeg bekend dat de Minister van Oorlog de groote beteekenis van zulke verloven waarlijk niet heeft onderschat. Daaromtrent is hij, wat de industrie betreft, bijna voortdurend in overleg geweest met het Kon. Nat. Steuncomité. Voor den landbouw werd bij het verleenen van verloven het advies ingewonnen van de Directie van den Landbouw; voor de industrie stond de Directeur-Generaal van den Arbeid bij het verleenen der economische verloven het Departement van Oorlog ter zijde. In overleg met den Minister van Landbouw werden bovendien in de provincies commissies van deskundigen ingesteld, om den Minister van Oorlog omtrent de landbouwverloven van advies te dienen. De regeling der verloven heeft niettemin aanleiding gegeven tot heel wat critiek zoo buiten als in de Kamer. Onberispelijk is zij zeker niet geweest, maar dit neemt niet weg dat door die verloven het economische nadeel van de mobilisatie wegens het weghalen van vele leiders, zoowel van kleine als van groote bedrijven, veel werd verzacht, al kon het er niet door worden weggenomen. Bij de beoordeeling van verlofsaanvragen werd er ook rekening mede gehouden (dit geldt natuurlijk meer voor de industrie dan voor den landbouw) of er door het wegblijven van den leider gevaar van werkloosheid zou ontstaan voor een eenigszins belangrijk personeel. Waar dit het geval was, werd steeds tot verlofsverleening voor onbepaalden tijd geadviseerd en werd dit advies ook schier altijd gevolgd.

Voor den landbouw kon zulk een regeling niet worden gemaakt. Landbouwbedrijven met groote aantallen arbeiders zijn hier met een lantaarntje te zoeken. Hier werden economische verlofsregelen gevolgd, welke verband hielden met zaai- en oogsttijden. Die regelingen hebben, gelijk ik reeds opmerkte, wel aanleiding gegeven tot critiek; ook misbruiken kwamen daarbij voor, maar over het algemeen hebben zij zeer nuttig gewerkt en haar doel niet gemist. Landbouw zoowel als nijverheid hebben alle reden den Minister van Oorlog, wien de economische verloven steeds veel hoofdbreken hebben gekost, en die bij de instelling en de doorvoering daarvan groote tegenkanting heeft moeten overwinnen, dankbaar te zijn, dat hij niet is gezwicht voor bekrompen militairistische opvattingen, als zou ter wille van de weerkracht van het land niet ook de zorg voor zijne economische hulpbronnen noodzakelijk zijn.

Maar niet alleen door het onder de wapenen zijn van vele jongere boeren heeft het landbouwbedrijf en vooral de kleine boerderij nadeel ondervonden; ook de mobilisatie van een groot aantal arbeiders gaf, vooral in de tijden dat veel werkkrachten noodig zijn, veel last. Wat in de nijverheid slechts in enkele takken voorkwam, was in het land- en tuinbouwbedrijf in de drukke tijden algemeen, namelijk gebrek aan arbeidskrachten en dat gebrek werd slechts zeer ten deele verholpen door het terugstroomen naar het land van een deel der havenarbeiders en dergenen, die anders gewoon zijn in Duitschland in de mijnstreken werk te vinden. Al is het dus den landbouw zeer goed gegaan, toch heeft het ook dezen belangrijken bedrijfstak niet aan moeilijkheden ontbroken.

Naast de zwarigheden als gevolg van de mobilisatie kwamen nog andere ten gevolge van gebrek aan veevoeder en kunstmest, door de belemmeringen van handel en scheepvaart, die de oorlog te weeg bracht en waarover hieronder in de §§ 3 en 4 meer uitvoerig gesproken wordt. De Regeering is er terstond op uit geweest den landbouw bij het voorzien in deze moeilijkheden te helpen. Reeds in de Eerste Economische nota van begin November 1914 wordt gezegd: „De Regeering heeft ook haar volle aandacht gevestigd op den voorraad meststoffen hier te lande. Indien zulks noodig blijkt, zullen maatregelen worden genomen om den aanvoer van meststoffen uit overzeesche landen zooveel mogelijk te bevorderen”.

Uitvoerig wordt de kunstmestvoorziening van regeeringswege behandeld in de Vierde Nota, over den toestand in April 1915.

„Toen de oorlog uitbrak was in Nederland slechts eene geringe hoeveelheid chili-salpeter aanwezig: de aanvoer van deze meststof werd belemmerd, doordat alle ladingen chili in Engelsche havens werden opgebracht.

„De hoeveelheid chilisalpeter, in Nederland benoodigd, wordt voor normale jaren geschat op ± 90.000 ton. Met het oog op het aanzienlijk gebruik van zwavelzure ammoniak en het te verwachten geringer gebruik ten gevolge van hoogere prijzen, werd de benoodigde hoeveelheid echter voor het voorjaar 1915 op ± 60.000 tons geschat.

„Den 20 April waren van die hoeveelheid reeds ongeveer 31.700 tons aangevoerd, terwijl er nog 5 ladingen, te zamen groot 16.100 ton in aantocht zijn en er op aanvoer van 5000 ton gegronde hoop bestaat. Gelukt deze import, dan zal er aan genoemde hoeveelheid van 60.000 ton slechts 10% ontbreken. Door de hooge vrachten en het groote oponthoud dat de ladingen nog steeds in Engeland ondervinden, gaat de aanvoer met groote bezwaren gepaard.

„Al die ladingen werden geconsigneerd aan de Nederlandsche Overzeetrustmaatschappij, met welke vennootschap is overeengekomen, dat zij alleen dan consignatie aan haar adres toestaat, indien de importeur zich verplicht, zich aan te sluiten bij een van Regeeringswege gewenschte regeling voor de verdeeling der aangevoerde hoeveelheden. De importeurs hebben zich aanvankelijk verplicht den prijs niet hooger te stellen dan f 14.60 per 100 K.G. De handelaars en vereenigingen zullen den landbouwers geen hoogeren prijs berekenen dan ƒ 15.60.

„Ten gevolge van het uitbreken van den oorlog ondervond de invoer van thomasslakkenmeel en van superphosphaat uit het buitenland reeds dadelijk, ten gevolge van het bestaande uitvoerverbod in Duitschland en België, groote moeilijkheden.

„Het werd al spoedig duidelijk, dat voor de behoefte aan phosphorzuurhoudende meststoffen zoo goed als uitsluitend rekening gehouden zou moeten worden met de productie der Nederlandsche superphosphaatfabrieken.

„Uit een met medewerking van het Nederlandsch Landbouw Comité ingesteld onderzoek bleek, dat de vermoedelijke behoefte 125.000 tons zou bedragen. De 6 in Nederland gevestigde fabrieken namen op zich de eerste 80.000 ton te leveren voor een prijs varieerend van ƒ 3.10 tot ƒ 3.20; met het oog op de steeds stijgende productiekosten werd die prijs later eenigszins hooger gesteld.

„Dat de productiekosten stegen was een gevolg van de groote bezwaren, waarmede de aanvoer van de grondstoffen, ruw phosphaat en pyriet, maar hoofdzakelijk zwavelzuur, gepaard ging. Dit zwavelzuur wordt in gewone tijden in hoofdzaak uit België betrokken, maar de Duitsche autoriteiten legden beslag op alle voorraden en het kostte de grootste moeite eenigszins belangrijke partijen van daar te betrekken.

„Gelukkig slaagden de onderhandelingen met de Duitsche Regeering om een niet onbelangrijke hoeveelheid superphosphaat uit België naar Nederland door te laten, welke vervolgens naar een door de Nederlandsche Regeering goedgekeurden maatstaf ter beschikking van den handel werd gesteld.

„Aan de behoefte aan superphosphaat is nog wel niet ten volle, maar toch in een belangrijk deel voldaan.

„Dank zij de medewerking der Duitsche Regeering zijn er belangrijke partijen patentkali en 20 pct. kalizout hier te lande aangevoerd. In de volle behoefte is echter nog niet voorzien”.

In de Nota betreffende den toestand in Juli 1915 wordt opnieuw op de moeilijkheden der kunstmestvoorziening gewezen. Daarin wordt voorts mededeeling gedaan van de vorming eener commissie voor de voorziening in de behoefte aan chilisalpeter. „Deze werd met eenige leden uitgebreid ten behoeve van de voorziening van kunstmest in den ruimsten zin.”

De Achtste Nota eindelijk, betreffende den toestand in Januari 1916, zegt van de kunstmestvoorziening, dat zij op den vroeger beschreven voet werd voortgezet.

„De volgende hoeveelheden werden door de landbouwers voor het najaar 1915 en het najaar 1916 besteld:

65.087 ton chilisalpeter, 14.252 ton ammoniaksuper en 96.482 ton superphosphaat (basis 14 pct).

„De voorziening der kalizouten kon op doeltreffende wijze plaats vinden.

„De eerste partij chilisalpeter van de 68.000 ton, die aangekocht waren, kwam den 15den December te Rotterdam aan. De toen geloste 8900 ton werden tot den vastgestelden prijs van ƒ 17,80 per 100 K.G. (vermeerderd met provisie voor den handel en vrachtkosten) aan de landbouwers verdeeld.

„Met de distributie van ammoniaksuper kon eerst op het eind van October een begin worden gemaakt. De verkoopprijs was vastgesteld op ƒ 12,10 per 100 K.G., eveneens vermeerderd als boven is aangegeven.

„De levering van in het najaar bestelde zwavelzure ammoniak en superphosphaat is geheel uitgevoerd.

„Ook was aangekocht 10.000 ton superphosphaat uit Algiers. Het schip, dat een deel dezer meststof zou aanbrengen, is echter op een mijn geloopen en gezonken.

„Een tweede schip met 2400 ton is intusschen aangekomen”.

Sedert dien kwamen nog enkele schepen met kunstmest aan, nadat zij, om niet moeilijk te begrijpen, maar wel moeilijk te billijken redenen, geruimen tijd door de Britsche autoriteiten waren opgehouden.

Niet minder dan aan de kunstmestvoorziening liet de Regeering zich aan den toevoer van veevoeder gelegen liggen. Reeds in de Eerste Economische Nota wordt daarvan gezegd: „Waar te voorzien was, dat zonder haar meer direct ingrijpen schaarschte zou ontstaan zoowel aan broodkoren als aan verschillende veevoederartikelen, heeft zij (de Regeering) niet geaarzeld die goederen rechtstreeks aan te koopen. Het distributiebureau voor graan en meel heeft zich dan ook van den aanvang af bezig gehouden, zoowel met den aankoop en de distributie van veevoeder, inzonderheid van lijnkoeken en vooral van mais, als met dien van broodkoren. In verband met de zoo bij uitstek lastige roggekwestie, waarover in hoofdstuk II, § 3, werd gesproken, werd spoedig de aanvoer en de distributie van mais nog krachtiger ter hand genomen en werden speciale regelingen getroffen tot inruiling van mais tegen rogge. In latere Economische Nota’s wordt telkens mededeeling gedaan van de verkochte hoeveelheden maïs.

In de Nota over den toestand in April 1915 kon de Minister van Landbouw verklaren: „De moeilijkheden, die de aanvoer van maïs met zich bracht, zijn uit den weg geruimd. De voorraad maïs is thans ruim voldoende. Alleen in de maanden Januari en Februari werden ingevoerd 280 millioen K.G., terwijl in 1914 over deze maanden de maïs-invoer 98 millioen K.G. bedroeg”. De volgende Nota, die betrekking heeft op den toestand in Juli 1915, wijst op een moeilijkheid niet in den aanvoer maar in de distributie van de maïs. Zulke zwarigheden hadden zich trouwens reeds voorgedaan, toen ik nog aan het hoofd van het Departement van Landbouw stond. In die Nota wordt geschreven:

„Besloten werd gedurende de maand Mei wekelijks te Amsterdam of te Rotterdam eene verkooping te houden van 10.000 ton mixed mais. De prijzen die op die veilingen geboden werden, bleven verre beneden de verwachting, zoodat weinig of niets kon worden gegund. De mais werd na de verkoopingen ondershands te koop gesteld tegen een prijs van ƒ 210 per 2000 K.G., tegen welk fixum niet onbelangrijke partijen werden verkocht. In verband hiermede werden geen openbare verkoopingen meer gehouden, doch wordt de mais sedert dien tegen voor iedere week vastgestelden prijs ondershands verkrijgbaar gesteld.”

In de eerste helft van het loopende jaar, toen door nieuwe moeilijkheden en grooter oponthoud in de scheepvaart het aanvoeren van over zee zoowel van mais als van tarwe groote bezwaren ondervond, moesten niet alleen de menschen tijdelijk aan het bruinbrood worden gezet, maar kwam er opnieuw een korte periode van schaarschte ook in het veevoeder. Zoo hebben ook de varkensfokkers de „ups en downs” van de oorlogsconjunctuur moeten meemaken.

Ik heb bij den toestand van land- en tuinbouw en bij de voorziening in kunstmest en veevoeder van regeeringswege, wat uitvoerig stilgestaan, om in aansluiting aan hetgeen in hoofdstuk II omtrent de beperking van den uitvoer van land- en tuinbouwproducten werd gezegd, nog duidelijker te doen uitkomen, dat regeeringsmaatregelen, waardoor beschikbaarstelling dier producten hier te lande tegen redelijke prijzen wordt gewaarborgd, ook al doen zij den boeren en tuinders belangrijke oorlogswinsten ontgaan, niet alleen—gelijk daar werd betoogd—volkomen rechtmatig zijn, maar ook in geenen deele in strijd komen met de billijkheid. Zonder de voortdurende medewerking van de Regeering zou de toestand van land- en tuinbouw zoodanig zijn geweest, dat van oorlogswinsten in het geheel geen sprake had kunnen wezen. De Regeering die krachtdadig ingreep ter behartiging hunner belangen, meer nog dan ter behartiging van die der industrie, deed dit in het algemeene volksbelang. Zij zou kortzichtig zijn geweest en haar plicht hebben verzaakt, indien zij land- en tuinbouw aan hun lot had overgelaten. Maar dit neemt niet weg, dat de regeeringsinmenging in den aanvoer en de distributie van veevoeder en kunstmest een zeer belangrijke factor is geweest in de oorlogsconjunctuur voor land- en tuinbouw. Een factor die de winstgevendheid der bedrijven zeer verhoogde. Lijnrecht daartegen in gaat het andere element in de regeeringsinmenging, dat evenzeer zijn oorsprong heeft in het algemeene volksbelang en dat het tegengaan van onmatige prijsopdrijvingen ten doel, doch daarmede tevens onvermijdelijke beperking van oorlogswinsten van land- en tuinbouwers ten gevolge heeft. Het gaat niet aan, gelijk belanghebbenden wat spoedig geneigd zijn te doen, om, het aandeel der Regeering in de bepaling der voorwaarden welke oorlogswinsten mogelijk maken vergetend, de beperking dier winsten, als gevolg van maatregelen in het belang der volksvoeding, voor te stellen als een eenzijdig en onbillijk zware belasting van den boerenstand. Had de Regeering zoowel bij den uitvoer der producten van land- en tuinbouw als bij den invoer van voor die bedrijven onmisbare hulpstoffen het „laisser faire” toegepast, dan zou de bevolking in haar geheel daarvan het slachtoffer zijn geworden; maar tot die lijdende bevolking zouden dan ook land- en tuinbouwers hebben behoord. Van oorlogswinst zou dan voor hen—uitzonderingsgevallen daargelaten—in het geheel geen kwestie zijn geweest. Men doet goed dit niet te vergeten, als van agrarische zijde de groote opofferingen, welke land- en tuinbouw zich moeten getroosten, breed worden uitgemeten.

Door het Ministerie van Financiën werd op initiatief en met advies van den Tuinbouwraad een regeling omtrent het douane-onderzoek van ten uitvoer bestemde groenten getroffen, waardoor dit, dank zij de medewerking van vertrouwensmannen uit de tuinbouworganisatie, zonder aan den waarborg tegen smokkelarij te kort te doen, zeer werd vereenvoudigd. Daardoor kon de groenteuitvoer belangrijk worden bespoedigd, hetgeen bij dit aan snel bederf onderhevige product van overgroote beteekenis is.

Bij den tuinbouw waren intusschen enkele takken die niet in den algemeenen voorspoed deelden. Zoowel voor de boomkweekerij als voor het bloembollenbedrijf was de oorlogsconjunctuur ongunstig. Reeds spoedig na het intreden van de crisis wendden de bloembollenkweekers zich tot de Vereeniging voor den Geldhandel, die in principe wel geneigd was tot het verleenen van crediet, mits ook de Regeering wilde medewerken. Ik verklaarde mij, als Minister van Landbouw, daartoe bereid, maar ik verbond daaraan de voorwaarde dat de kweekers aan hunne arbeiders geen lager loon zouden betalen dan vóór den oorlog en dat zij de productiebeperking, welke zij met het oog op den uitvoer wilden doorvoeren, onder regeeringstoezicht zouden plaatsen, „want—zoo zeide ik in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914, mijzelven sprekende tot een deputatie van bollenkweekers invoerend—als gij minder roeden gaat inplanten dan normaal het geval is en daartoe minder arbeiders noodig hebt, dan komen wij niet verder, want dan wordt wel uw handel geholpen, maar krijgt men werkloosheid en dat kan niet de bedoeling van de Regeering zijn.”

Over die voorwaarden zou men het waarschijnlijk wel eens zijn geworden; de heele zaak sprong echter hierop af, dat de solidariteit onder de bloembollenkweekers en -handelaars nog niet tot zulk een graad ontwikkeld was, dat zij bereid waren onderling voor elkander borg te staan. De Vereeniging voor den Geldhandel en de Nederlandsche Bank konden uit dien hoofde op de zaak niet ingaan. Later zijn verschillende pogingen gedaan om zoowel de bloembollenteelt als de boomkweekerijen aan het door hen benoodigde crediet te helpen. De Tuinbouwraad, die in den geheelen oorlogstijd met groote toewijding voor de belangen van alle onderdeelen van den tuinbouw is opgekomen, heeft zich daarvoor veel moeite gegeven. Zijn Voorzitter, Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn, die zijn juridische kennis ten beste gaf, zoowel als zijn volijverige secretaris, de heer C. van Lennep, hebben zich daarvoor zeer ingespannen. Die plannen wilden eerst niet vlotten. Toen echter de Regeeringscommissie voor het Middenstandscrediet in het leven was geroepen, heeft de Tuinbouwraad het daarheen weten te leiden, dat een speciale credietbank voor den tuinbouw werd opgericht.

Met krachtige medewerking van de Nederlandsche Handel-Maatschappij kwam in Augustus 1915 de Centrale Land- en Tuinbouwbank met Winstdeeling tot stand. Zooveel mogelijk verlangt die bank zakelijke zekerheid. Daartoe werd door den heer van Doorn een waarborgcontract ontworpen, waarbij de credietnemer op zijn bollenkraam of zijn te veld staande gewassen een oogstverband ten behoeve der bank vestigt, in een vorm die met de bepalingen van ons Burgerlijk Wetboek strookt. Ten einde te bereiken, dat de bank de noodige deskundige voorlichting zou hebben, zoowel bij de beoordeeling der aanvragen als bij de controle op den credietnemer en zijn bedrijf, werd op initiatief van den Tuinbouwraad de vereeniging „Het Tuinbouwwaarborgfonds” opgericht, met het doel een deel van het risico der door de Land- en Tuinbouwbank te verleenen credieten op zich te nemen en in verband daarmede de bij haar binnenkomende aanvragen te onderzoeken, de onderpanden te taxeeren en het bedrijf van den credietnemer blijvend te controleeren, zoolang het crediet nog niet geheel is afgelost. Om dit toezicht afdoende te kunnen uitoefenen, werden in de verschillende tuinbouwcentra, in samenwerking met den Tuinbouwraad, sub-comités van het Tuinbouwwaarborgfonds opgericht. De Land- en Tuinbouwbank sloot zich onmiddellijk na haar oprichting bij de Regeeringsorganisatie van het middenstandscrediet aan. Daar het maximum der door de Regeeringscommissie verleende credieten, dat in het algemeen, behoudens bijzondere toestemming van den Minister van Financiën, ƒ 1000 bedraagt, hier te laag was, werd het op ƒ 5000 gesteld.

Verschillende minder draagkracht bezittende bloembollen- en boomkweekers zijn op die wijze geholpen. In het boven bij de bespreking van de Regeeringscommissie voor het Middenstandscrediet genoemde cijfer der verleende credieten[19] zijn de tuinbouwcredieten begrepen. Zoowel de voorspoedige als de in moeilijkheden geraakte tuinbouwers hadden regeeringssteun noodig. Allen zonder onderscheid behoefden dien voor het verkrijgen van kunstmeststoffen en van voeder voor hun varkens; de kleineren onder hen, voor zoover zij in moeilijkheden waren geraakt, bovendien nog voor het verkrijgen van de staatsgarantie, zonder welke de zeer geslaagde organisatie van het tuinbouwcrediet niet zou zijn tot stand gekomen.

[19] Zie bl. 241.

Aan allen heeft de Regeering den steun, waaraan zij behoefte hadden, zooveel mogelijk verleend. Dit is geen verdienste; het was een gewone uiting van zorg voor het algemeen belang. Maar men bewere daartegenover in tuinbouwkringen niet, dat de Regeering alleen oorlogswinsten kortwiekt. Zoowel tuinbouwers als landbouwers zijn, als zij zulke beweringen uiten, bevooroordeeld, onbillijk, ondankbaar en.... zij slaan dan de plank geheel mis.

§ 3. Visscherij; Scheepvaart.

Hoewel over het algemeen ook de visscherij op den langen duur van den oorlogstoestand alles behalve schade heeft geleden, was toch haar toestand in de eerste maanden benauwend genoeg. In het begin van Augustus 1914 sloeg den visschers bij het vernemen van het uitbreken van den oorlog den schrik om het hart. De oorlog ter zee kon voor hen allerlei niet te voorziene gevaren met zich brengen. Op het bericht dat een groote worsteling was begonnen, die ook ter zee zou worden uitgevochten, keerde de visschersvloot uit de Noordzee hals over kop naar huis terug.

Tot de paniek die de visschers beving, hebben de verhalen der bemanning van een door den Duitschen consul te Rotterdam gehuurd vaartuig, dat den ongevraagden dienst bewees de Nederlandsche visschers op de Noordzee van het uitbreken van den krijg te verwittigen, het hunne bijgedragen. De gedragingen van dat vaartuig en het doel waarmede het, zonder eenige opdracht van of namens de Nederlandsche Regeering, de Nederlandsche visschers op zoodanige wijze waarschuwde, dat een deel hunner in den waan kwam, dat ook ons land in den oorlog betrokken was, zijn duister gebleven, hoewel van wege de Nederlandsche marine terstond een onderzoek daaromtrent werd ingesteld.

Na eenige weken bedaarde de schrik. De reeders bekwamen er het eerst van, en zij deden hun best om ook de bemanningen tot wederuitvaren te bewegen. Een enkele maal werden daartoe wel middelen beproefd, die niet door den beugel konden. Zoo kwam mij in September of October 1914 ter oore, dat een plaatselijk steuncomité, waarin het reederselement nog al sterk vertegenwoordigd was, het verleenen van steun weigerde aan visschers, die weer konden gaan varen, maar daartoe niet bereid waren. Een onderhandsche wenk aan dat comité dat, hoewel het in het algemeen wel juist was, geen steun te verleenen aan arbeiders, die wel werk konden vinden maar het niet wilden aannemen, hier toch zulk een drang, met het oog op de onbekende gevaren, waaraan de zeevisscherij bloot stond, niet was te rechtvaardigen, was voldoende om het uitoefenen daarvan te doen ophouden.

Wegens die onbekende gevaren meende de Regeering zich van elke zijdelingsche aanmoediging tot hervatting der zeevisscherij te moeten onthouden. Zij had intusschen vrij spoedig plaats, zonder dat daarop eenigen aandrang behoefde te worden uitgeoefend. Groote zeeslagen, waarvoor men aanvankelijk beducht was geweest, bleven uit, en voor zoover zeegevechten voorkwamen, bleken zij voor de visscherij geen ernstig gevaar op te leveren. Veel droeg tot de hervatting der vaart bij, dat de prijzen zoowel door de buitenlandsche vraag, als door de in hoofdstuk II[20] behandelde bevordering van den afzet der producten van de zeevisscherij hier te lande, spoedig begonnen te stijgen. Die stijging der prijzen was ook voor de bemanningen een prikkel tot uitvaren. Doordien de visschers op deel waren, hetgeen wil zeggen dat ieder zijn van te voren bepaald evenredig gedeelte van de opbrengst van de vangst krijgt, beteekenden de stijgende prijzen voor de visschers ook stijgende loonen. In den loop van het jaar 1915 liepen die prijzen en loonen zelfs zoozeer op, dat zij ongekende welvaart brachten niet alleen aan de reederijen die de haringvangst of de trawlvisscherij beoefenden, maar ook onder de bevolking der visschersplaatsen aan de Noordzee.

[20] Zie bl. 74/5.

Die gunstige toestand was intusschen niet algemeen. De mosselvisscherij bleef slecht, al werd zij geholpen zoowel door een vrij spoedige verlevendiging van de vraag uit België en Duitschland als door hetgeen hier op initiatief van het Kon. Nat. Steuncomité ter bevordering van den afzet geschiedde. Maar vooral de oesterkweekers hebben onder den oorlog veel te lijden gehad. Aan dezen nationalen bedrijfstak kon de Regeering op zeer bijzondere wijze verlichting geven. De oestercultuur wordt in hoofdzaak uitgeoefend in waterperceelen die Rijkseigendom zijn en beheerd worden door het Domeinbestuur, ressorteerende onder het Departement van Financiën. Wegens den plotseling grooten achteruitgang in het bedrijf was er aanleiding de pachters van de Rijksoesterperceelen een groot deel van hun pacht kwijt te schelden. Hetgeen dan ook voor de over 1914/15 verschuldigde pacht geschiedde. Daarvan werd 70% kwijtgescholden. De moeilijkheid werd voor 1915/16 nog grooter, omdat kort voor het uitbreken van den oorlog een nieuwe verpachting van oesterperceelen had plaats gehad, waarbij de prijzen aanmerkelijk hooger waren geloopen.

Als men, zonder meer, ook op die nieuwe pachtsommen eene groote kwijtschelding had toegepast, zou men onbillijk zijn geweest tegenover hen, die bij de nieuwe verpachting zich hadden onthouden van mede te doen aan de prijsopdrijving der oesterperceelen. Een tweetal belanghebbenden bij de oestercultuur, de heeren P. A. de Jong en M. van Harmelen, overhandigden mij in het voorjaar van 1915 een nota, waarin zij aanbevalen met het bestaande stelsel van verpachting te breken, daartegenover voor het vervolg de pachtsom te bepalen op een vast deel van de bruto-opbrengst der op het perceel gevischte oesters en ter verwezenlijking van dit denkbeeld een coöperatieve oesterverkoopvereeniging op te richten. Dit denkbeeld scheen mij zóó belangrijk en ingrijpend, dat ik besloot het te onderwerpen aan het oordeel van een speciaal daartoe aan te wijzen commissie. Van die commissie werd Jhr. Mr. Dr. N. C. de Gijselaar, voorzitter van het College voor de Visscherijen aangewezen als voorzitter, als leden hadden daarin zitting, naast de opstellers der nota, de heeren Mr. A. J. F. Fokker, voorzitter van het Bestuur der visscherijen op de Zeeuwsche stroomen, Mr. E. H. E. Lagerwey, hoofd der afdeeling Domeinen aan het Ministerie van Financiën, J. M. Bottemanne, hoofdinspecteur der visscherijen, G. J. D. C. Goedhart, voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond, F. Leo de Leeuw en M. van Stee Jr. Als resultaat van de beraadslagingen der commissie ontving ik in September 1915 een advies, waarin een proefneming met het denkbeeld van de heeren de Jong en van Harmelen door de meerderheid werd aanbevolen en er op werd gewezen, dat de oprichting der coöperatieve verkoopsvereeniging, die een essentieel bestanddeel van het plan was, waarschijnlijk niet zou gelukken, indien de toetreding niet werd bevorderd door daaraan faciliteiten te verbinden ten opzichte van de te betalen pacht.

Dit advies gaf mij aanleiding den steun der Regeering voor de verwezenlijking van het denkbeeld toe te zeggen, en te bepalen, dat—zooals de commissie had in overweging gegeven—voor een proeftijd van zes jaar voor hen, die tot de coöperatieve vereeniging zouden toetreden, de te betalen pachtsom zou bestaan in een evenredig deel van de opbrengst van hun perceel, zooals deze uit de boeken der verkoopvereeniging zou zijn te controleeren. Dit zou aanvankelijk 20% van de opbrengst bedragen. Als gevolg van die toezegging werd door de heeren de Jong en van Harmelen het initiatief genomen tot de oprichting van de Coöperatieve Vereeniging „Centraal Bureau voor den verkoop van Zeeuwsche Oesters”, welke op 23 November 1915 tot stand kwam en te Ierseke werd gevestigd. Als controleur voor het Rijk op de gestie der vereeniging werd benoemd de heer de Leeuw, die als bij uitstek deskundig in het oesterbedrijf, zonder daarbij belanghebbende te zijn, reeds in de commissie van advies was opgenomen geweest. Aangezien een groot deel van het oesterjaar 1915/16 reeds was verstreken, toen de vereeniging in werking trad, kon voor dat jaar de pachtsom nog niet naar de bruto-opbrengst der perceelen worden berekend. Daarom moest daarvoor nog kwijtschelding op de pacht gegeven worden. Daar de pachten over 1915/16 zooveel hooger waren dan over 1914/15 stond bij mij, vóór mijn aftreden, al vast, dat zij voor hen, die tot de vereeniging toetraden, 80% zou kunnen bedragen. Mijn opvolger ging hiermede accoord en bepaalde haar op dat percentage. In een ander opzicht week hij echter af van hetgeen in mijne bedoeling had gelegen. Naar mijne overtuiging kon de zaak, die op den duur ook voor het Rijk als eigenaar der oesterperceelen van groote beteekenis is, alleen slagen als alle pachters gedwongen werden om in te gaan. Daarom was mijn voornemen aan hen, die niet tot de vereeniging toetraden, geen pachtreductie toe te staan. De heer van Gijn daarentegen gaf ook hun een kwijtschelding en wel ten bedrage van 50%. Ik vrees zeer dat hierdoor en door de omstandigheid dat de voorzitter van het Bestuur der visscherijen op de Zeeuwsche stroomen de zaak niet goed gezind is, de verkoopscoöperatie gevaar loopt. Er zijn nu te veel pachters buiten de vereeniging gebleven, die door hun concurrentie op de buitenlandsche markt het gevaar waartegen de centralisatie van den verkoop juist bedoelde te waken, de onderlinge onderbieding op die markt steeds levendig doen blijven. De normale productie van de Zeeuwsche oesterbanken is jaarlijks omstreeks 48 millioen. Wegens den oorlogstoestand—niet het minst omdat de invoer van oesters in Duitschland verboden is,—wordt verwacht dat de verkoop, onder de gegeven omstandigheden, beneden de helft van dat cijfer blijven zal. Daar nu naar schatting ongeveer 8 millioen oesters in handen zijn van niet aangesloten kweekers, is te vreezen, dat het doel der vereeniging niet zal worden bereikt. Mocht die vrees worden bewaarheid, dan zou dit jammer zijn voor dezen voor Zeeland zoo belangrijken tak der visscherij, maar ook voor het Rijk, als financieel belanghebbende bij dit bedrijf. Hoe het hiermede zal gaan, moet de toekomst leeren. Vast staat echter dat de vooruitzichten voor de oesterkweekerij op het oogenblik zeer slecht zijn en dat er, zoolang de oorlog duurt, weinig kans op verbetering bestaat.

Maar al vormt de oesterteelt eene uitzondering, en al werd over het algemeen de toestand der visscherij allengs gunstiger, zóó zelfs dat men ten slotte van een gouden tijd kon spreken, toch heeft het ook haar niet aan moeilijkheden ontbroken. In het laatst van September 1914 werd door de Engelsche admiraliteit aan de Nederlandsche Regeering medegedeeld, dat de visschers die ten westen van een in die mededeeling aangegeven grenslijn door Britsche oorlogsschepen zouden worden aangetroffen, beschouwd zouden worden de visscherij niet op rechtmatige wijze uit te oefenen en onder verdenking zouden staan mijnen te leggen. De aanwijzing van dit genoegzaam begrensd gebied als oorlogsterrein was voor onze visscherij wel lastig, maar er was geen aanleiding daartegen te protesteeren. Ons recht als neutrale zeevarende mogendheid werd er niet door geschonden. Door onze Regeering werd echter geprotesteerd tegen de ernstige verdenking, waaraan zij zouden blootstaan, die op het aangewezen gebied vischten, en vooral tegen een eventueele behandeling van den visscher, wien zulk een verdenking mocht treffen, alsof hij zich had schuldig gemaakt aan vijandelijke handelingen jegens Engeland.

Zij droeg den hoofdinspecteur der Visscherijen op, de visschers te waarschuwen dat het visschen op het door de Britsche admiraliteit aangewezen deel der Noordzee hen in groot gevaar zou kunnen brengen. Verder te gaan en een Nederlandsch oorlogsschip in den omtrek van dat terrein te laten kruisen, scheen minder gewenscht, omdat daaruit zoo licht internationale verwikkelingen zouden kunnen voortvloeien.

Deze overweging gold niet voor het Kon. Nat. Steuncomité, dat op 5 October 1914 het stoomschip Wodan charterde, om de Nederlandsche visschers, die zich in het Westelijk deel van de Noordzee bevonden, te waarschuwen meer oostwaarts te visschen. De „Wodan” bleef tot 20 November 1914 bij de visschersvloot kruisen en deed ook dienst als hospitaalschip; voor de verpleging van zieken was een officier van gezondheid van de marine aan boord.

Bijzondere maatregelen behoefden daarna voor de visscherij niet meer genomen te worden. De oprichting en de werkzaamheid van het Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten werden reeds in hoofdstuk II behandeld[21], bij de bespreking van de levensmiddelenvoorziening. Toen de toestand van de zeevisscherij in den loop van 1915 zulk een ongedacht gunstige wending nam, had dat bureau, voor zoover het ten doel had de visscherij te steunen, zijn bestaansrecht zoo goed als geheel verloren; het veranderde toen evenwel, zooals reeds werd medegedeeld, feitelijk geheel van karakter.