Zelfs al gaf men toe, dat het verschil in lichamelijk maaksel tusschen den mensch en zijn naaste verwanten zoo aanmerkelijk is, als sommige natuuronderzoekers beweren, en hoewel niet valt te ontkennen, dat het verschil in geestvermogens tusschen hen verbazend groot is, bewijzen toch de in de voorgaande hoofdstukken medegedeelde feiten, naar het mij toeschijnt, op de duidelijkste wijze, dat de mensch afstamt van den eenen of anderen lageren vorm, hoewel tot nog toe geen verbindingsleden zijn ontdekt.
De mensch is onderhevig aan talrijke, kleine en zeer uiteenloopende variaties, die het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en worden beheerscht door en overgeërfd volgens de zelfde algemeene wetten, als bij de lagere dieren. De mensch streeft naar een zoo snelle vermenigvuldiging, dat zijn kroost noodzakelijk is blootgesteld aan een strijd om het leven en derhalve aan natuurlijke teeltkeus. Hij heeft het aanzijn gegeven aan vele rassen, waarvan sommige zoozeer van elkander verschillen, dat er natuuronderzoekers zijn, die ze als afzonderlijke soorten beschouwen. Zijn lichaam is gebouwd volgens het zelfde homologe plan als dat van andere zoogdieren. Hij doorloopt als [265]embryo de zelfde ontwikkelingsphasen. Hij heeft vele rudimentaire en nuttelooze deelen behouden, die hem ongetwijfeld eens van dienst waren. Nu en dan verschijnen kenmerken opnieuw, die wij alle reden hebben om te gelooven, dat eens door zijn vroege voorouders werden bezeten. Indien de oorsprong van den mensch verschillend was geweest van dien van alle andere dieren, zouden deze verschillende verschijnselen slechts misleidingen zonder beteekenis zijn, en dit is niet aan te nemen, noch te gelooven. Daarentegen worden deze verschijnselen begrijpelijk, ten minste voor een groot deel, als de mensch met andere zoogdieren de medeafstammeling is van dezen of genen onbekenden en lageren vorm.
Sommige natuuronderzoekers, op welke de verstandelijke en geestelijke vermogens van den mensch een diepen indruk hadden gemaakt, hebben de geheele organische wereld in drie rijken verdeeld, het Menschenrijk, het Dierenrijk en het Plantenrijk, en dus den mensch tot een afzonderlijk Rijk gebracht.1 (1) Geestvermogens kunnen door een natuuronderzoeker niet worden vergeleken noch geklassificeerd; maar hij kan beproeven om aan te toonen, zooals ik heb gedaan, dat de geestvermogens van den mensch niet in hoedanigheid, ofschoon verbazend in hoeveelheid van die der overige dieren verschillen. Een verschil in hoeveelheid, hoe groot het ook zij, geeft ons nog geen recht om den mensch in een afzonderlijk Rijk te plaatsen, zooals wellicht het best zal worden bewezen door de geestvermogens van twee insekten, een schildluis (Coccus) en een mier, die ontegenzeggelijk tot de zelfde klasse behooren, met elkander te vergelijken. Het verschil is hier grooter, hoewel van eenigszins verschillenden aard, dan tusschen den mensch en het hoogste zoogdier. De vrouwelijke schildluis hecht zich, terwijl zij jong is, met haar zuigsnuit aan een plant, zuigt het sap uit, maar verandert nooit meer van plaats, wordt bevrucht en legt eieren, en dit is haar geheele geschiedenis. Daarentegen zou, zooals Pierre Huber heeft aangetoond, de beschrijving der gewoonten en geestvermogens van een vrouwelijke mier een dik boekdeel vullen; ik wil echter eenige punten nader opnoemen. Mieren doen elkander mededeelingen en verscheidene vereenigen zich tot het volbrengen van het zelfde werk of om met elkander te spelen. Zij herkennen hun medemieren na maandenlange afwezigheid. [266]Zij bouwen groote gebouwen, houden die schoon, sluiten ’s avonds de deuren en zetten schildwachten uit. Zij maken wegen en zelfs tunnels onder rivieren. (2) Zij verzamelen voedsel voor het gemeenebest en wanneer een voorwerp, te groot om binnen te komen, naar het nest wordt gebracht, vergrooten zij de deur en herstellen die later weder.2 Zij trekken in geregelde benden ten strijde, en offeren vrijwillig hun leven op voor het algemeen welzijn. Zij verhuizen volgens een vooraf beraamd plan. Zij houden slavenjachten. Zij houden bladluizen als melkkoeien. Zij brengen de eieren van hun bladluizen even goed als hun eigen eieren en poppen naar warme plaatsen in het nest, opdat zij spoedig zouden worden uitgebroed; tallooze dergelijke feiten zou men kunnen opsommen. Over het geheel is het verschil in geestvermogens tusschen een mier en een schildluis verbazend groot; en toch heeft niemand er ooit over gedacht ze tot verschillende Klassen, laat staan tot verschillende Rijken te brengen. Ongetwijfeld wordt deze tusschenruimte overbrugd door de tusschen beide in staande geestvermogens van vele andere insekten; en dit is niet het geval met den mensch en de hoogere apen. Wij hebben echter alle reden om aan te nemen, dat dergelijke gapingen in de reeks eenvoudig het gevolg zijn van het uitsterven van vele vormen.
Professor Owen heeft, zich voornamelijk grondende op het maaksel der hersenen, de reeks der zoogdieren in vier Onderklassen verdeeld. (3) Een daarvan wijdt hij aan den mensch, in een ander plaatst hij zoowel de Buideldieren als de Snaveldieren (Monotremata) (4); zoodat hij evenveel onderscheid maakt tusschen den mensch en alle andere zoogdieren, als tusschen deze en de beide laatstgenoemde groepen. Deze beschouwingswijze wordt, zoover mij bekend is, door geen enkel natuuronderzoeker die in staat is een zelfstandig oordeel te vellen, gedeeld, en behoeft daarom hier niet verder te worden beschouwd.
Wij kunnen begrijpen, waarom het bijna zeker is, dat een klassificatie, gegrond op één enkel kenmerk of orgaan,—zelfs al is dat orgaan zoo verwonderlijk samengesteld en belangrijk als de hersenen,—of op de hooge ontwikkeling der geestvermogens, steeds zal blijken onvoldoende te zijn. Men heeft inderdaad beproefd dit beginsel bij de Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera) toe te passen, maar toen zij op die wijze werden gerangschikt volgens hun gewoonten of instinkten, bleek dit een geheel [267]en al kunstmatige klassificatie te zijn.3 Klassificaties mogen natuurlijk gegrond zijn op elk kenmerk, welk het ook zij, zooals op grootte, kleur, het element, waarin de dieren wonen; maar de natuuronderzoekers hebben reeds lang een diepe overtuiging gevoeld, dat er een natuurlijk stelsel bestaat. Dit stelsel moet, naar men tegenwoordig algemeen aanneemt, genealogisch zijn,—dat is, al de gezamenlijke afstammelingen van één en den zelfden vorm moeten in ééne groep te zamen gehouden, en van de gezamenlijke afstammelingen van elken anderen vorm worden afgescheiden; als er echter tusschen die stamvormen bloedverwantschap bestaat, zal dit ook het geval zijn met hun afstammelingen, en zullen de beide groepen gezamenlijk een grootere groep uitmaken. De hoegrootheid van het verschil tusschen de verschillende groepen,—dat is de hoegrootheid van het verschil dat elk daarvan heeft ondergaan—zal worden uitgedrukt door woorden, als Geslacht (Genus), Familie (Familia), Orde (Ordo) en Klasse (Classis). Daar wij geen registers hebben, waarin de lijnen van afstamming zijn opgeteekend, kunnen deze lijnen slechts worden ontdekt door de mate van gelijkenis tusschen de wezens die moeten worden gerangschikt. Voor dit doel zijn talrijke punten van gelijkenis veel belangrijker dan de hoegrootheid van de gelijkheid of ongelijkheid in eenige weinige punten. Wanneer men bevond, dat twee talen een menigte woorden en regelen van zinbouw gemeen hadden, zou algemeen worden erkend, dat zij een gemeenschappelijken oorsprong hadden, niettegenstaande zij in eenige weinige woorden of regelen van zinbouw sterk van elkander afweken. Bij organische wezens moeten echter de punten van gelijkenis niet bestaan in het geschikt zijn voor gelijksoortige levensgewoonten (adaptatie): het geheele geraamte van twee dieren kan bij voorbeeld zijn gewijzigd voor het leven in het water, en toch zullen zij daardoor in het natuurlijke stelsel volstrekt niet nader tot elkander zijn gebracht. Wij kunnen daaruit zien, hoe het komt, dat gelijkenissen in onbelangrijke deelen, in nuttelooze en rudimentaire organen, en in deelen die nog niet volkomen zijn ontwikkeld of nog tot geen bepaalde functie dienen, voor de klassificatie verreweg de nuttigste zijn; want zij kunnen moeilijk het gevolg zijn van geschiktwording (adaptatie) in een laat tijdperk; en zoo openbaren zij de oude lijnen van afstamming of van ware verwantschap.
Wij kunnen verder begrijpen, waarom een belangrijke wijziging in een [268]of ander afzonderlijk kenmerk ons niet behoort te bewegen om twee organismen ver van elkander te scheiden. Een deel dat reeds veel verschilt van het zelfde deel bij een andere verwante soort, heeft volgens de ontwikkelingstheorie reeds een groote wijziging ondergaan; bij gevolg moet het (zoolang het organisme aan de zelfde daarop inwerkende oorzaken blootgesteld blijft) vatbaar zijn voor verdere veranderingen van deze soort, en deze zouden, zoo zij voordeelig waren, behouden blijven en dus voortdurend worden vermeerderd. In vele gevallen zou de voortdurende ontwikkeling van een deel, bij voorbeeld van den snavel van een vogel of van de tanden van een zoogdier, voor de soort niet voordeelig zijn om zijn voedsel te verkrijgen of voor eenig ander doel; maar bij den mensch kunnen wij geen bepaalde grens zien, wat het voordeel aangaat, voor de voortdurende ontwikkeling van de hersenen en de geestvermogens. Bij de bepaling van ’s menschen plaats in het natuurlijke of genealogische stelsel, behoort de verbazende ontwikkeling zijner hersenen niet zwaarder te wegen dan een menigte overeenkomsten in andere minder belangrijke of volstrekt onbelangrijke punten.
De meeste natuuronderzoekers die het geheele maaksel van den mensch met inbegrip zijner geestvermogens in aanmerking hebben genomen, hebben Blumenbach en Cuvier gevolgd, en den mensch in een afzonderlijke Orde geplaatst onder den titel van Tweehandigen (Bimana), en hem dus gelijkgesteld met de Orden der Vierhandigen (Quadrumana), der Verscheurende Dieren (Carnivora), enz. Voor korten tijd zijn velen onzer beste natuuronderzoekers teruggekeerd tot de beschouwingswijze die het eerst door Linnaeus, die zulk een opmerkelijke scherpzinnigheid bezat, is voorgestaan, en hebben den mensch met de apen in ééne Orde geplaatst onder den naam van Primaten. De juistheid van dit besluit zal worden toegegeven, als wij ons in de eerste plaats de zoo even gemaakte opmerkingen herinneren omtrent de vergelijkenderwijze geringe belangrijkheid voor de klassificatie van de groote ontwikkeling der hersenen bij den mensch, en ook bedenken, dat de sterk uitgesproken verschillen tusschen de schedels van den mensch en de apen (waaraan nog onlangs Bischoff, Aeby en anderen zooveel gewicht hechtten) blijkbaar slechts een gevolg is van de verschillende ontwikkeling hunner hersenen. In de eerste plaats moeten wij niet vergeten, dat de andere en belangrijker verschillen tusschen den mensch en de apen blijkbaar adaptief van aard zijn en hoofdzakelijk een gevolg van de rechtopgaande houding van den mensch; dit is bij voorbeeld het geval [269]met het maaksel van de hand, den voet en het bekken, de kromming van zijn ruggegraat en de stelling van zijn hoofd. De familie der zeehonden levert een goed voorbeeld van de geringe belangrijkheid der adaptieve kenmerken voor de klassificatie. Deze dieren verschillen van alle andere Verscheurende Dieren (Carnivora) in den vorm van hun lichaam en het maaksel hunner ledematen: en toch worden in alle stelsels, van dat van Cuvier af tot het nieuwste, dat van den heer Flower, toe4, de zeehonden als een eenvoudige Familie tot de Orde der Carnivora gebracht. Als de mensch niet zijn eigen klassificator was, zou het hem nooit zijn ingevallen een afzonderlijke Orde, om hem zelf op te nemen, te gronden.
Het zou de grenzen van dit werk te buiten en geheel en al mijn kennis te boven gaan, om de tallooze punten waardoor de mensch in zijn maaksel met de andere Primaten overeenkomt, zelfs maar alleen op te noemen. Onze groote ontleedkundige en wijsgeer, Prof. Huxley, heeft dit onderwerp uitvoerig behandeld5, en is tot het besluit gekomen, dat de mensch in alle punten van zijn maaksel minder van de hoogere apen verschilt dan deze laatste van de lagere leden der zelfde groep. Derhalve „heeft men geen recht om den mensch in een afzonderlijke Orde te plaatsen.”
In een vroegere afdeeling van dit werk heb ik verschillende feiten aangevoerd om te toonen hoe nauw de mensch in gestel met de hoogere zoogdieren overeenkomt; en deze overeenkomst is ongetwijfeld een gevolg van de groote gelijkheid in fijneren bouw en scheikundige samenstelling. Ik gaf als voorbeelden, dat wij aan de zelfde ziekten en aan de aanvallen van verwante parasieten bloot stonden, dat wij den zelfden smaak hadden voor de zelfde opwekkende middelen, dat deze middelen, en ook verschillende geneesmiddelen gelijksoortige uitwerkselen voortbrachten, en meer dergelijke feiten.
Daar kleine onbelangrijke punten van overeenkomst tusschen den mensch en de hoogere apen in systematische werken gewoonlijk niet worden opgeteekend, en daar zij, als zij talrijk zijn, duidelijk onze bloedverwantschap openbaren, zal ik eenige weinige dergelijke punten opgeven. De betrekkelijke plaats der gelaatstrekken is blijkbaar de zelfde bij den mensch en de apen, en de verschillende gemoedsaandoeningen worden uitgedrukt door bijna gelijksoortige bewegingen van [270]de spieren en de huid, vooral boven de wenkbrauwen en rondom den mond. Eenige weinige uitdrukkingen zijn inderdaad bijna geheel de zelfde, zooals bij het weenen van sommige soorten van apen en bij het lachend geluid dat andere voortbrengen, gedurende hetwelk de hoeken van den mond teruggetrokken en de onderste oogleden gerimpeld worden. Bij den mensch steekt de neus veel meer vooruit dan bij de meeste apen; maar wij kunnen het begin van een arendsneusachtige bocht waarnemen bij den Hoelock Gibbon, en bij den neusaap (Semnopithecus nasicus) wordt deze tot een belachelijk uiterste gedreven.
Het gelaat van vele apen is versierd met een baard, met bakkebaarden of knevels. Het hoofdhaar wordt bij sommige soorten van slankapen (Semnopithecus) zeer lang6, en bij den muts-aap (Macacus radiatus) loopt het straalsgewijze van een punt op de kruin van het hoofd uit, met een scheiding in het midden, evenals bij den mensch. Men zegt gewoonlijk, dat het voorhoofd den mensch zijn edel en verstandig uiterlijk geeft, maar het dikke haar op den kop van den muts-aap eindigt aan de benedenzijde plotseling, en wordt door zulk kort en fijn haar of dons opgevolgd, dat op geringen afstand gezien, het voorhoofd, met uitzondering der wenkbrauwen, geheel naakt schijnt. Men heeft ten onrechte wel eens beweerd, dat geen enkele aap wenkbrauwen bezit. Bij de zooeven genoemde soort verschilt de graad van naaktheid bij verschillende individu’s, en Eschricht7 verzekert, dat bij onze kinderen de afscheiding tusschen de behaarde schedelhuid en het naakte voorhoofd soms niet scherp begrensd is; zoodat wij hier een klein voorbeeld hebben van terugkeer tot het type van een voorvader (atavisme) bij wien het voorhoofd nog niet, zooals thans, geheel naakt was geworden.
Het is zeer bekend, dat het haar op onze armen van boven en beneden eenigszins convergeert naar een punt van den elleboog. Deze merkwaardige rangschikking, zoo ongelijk aan die bij de meeste lagere zoogdieren, vindt men terug bij den gorilla, chimpanzee, orang, sommige soorten van gibbons (Hylobates) en zelfs bij sommige Amerikaansche apen. Bij Hylobates agilis is echter het haar op de gewone wijze naar beneden of naar den pols toe gericht; en bij H. lar staat het bijna recht overeind, met een slechts geringe helling naar voren; zoodat [271]deze laatste in een overgangstoestand verkeert. Het kan moeielijk worden betwijfeld, dat bij de meeste zoogdieren de dichtheid van het haar en de richting daarvan op den rug dient om den regen te doen afdruipen; zelfs de dwarse haren aan de voorpooten van een hond kunnen daartoe dienen, als hij bij het slapen ineengerold is. De heer Wallace merkt op, dat het convergeeren van het haar naar den elleboog op de armen van den orang (wiens levenswijze hij zoo nauwkeurig heeft bestudeerd) dient om den regen te doen afdruipen, als de armen, zooals de gewoonte van dit dier is, gebogen en de handen om een tak of om zijn eigen kop zijn geklemd. Volgens Livingstone zit ook de gorilla „als het sterk regent, met zijn handen over zijn kop.”8 Wij moeten echter bedenken, dat de houding van dit dier wellicht gedeeltelijk wordt bepaald door de richting van het haar, en niet de richting van het haar door de houding. Indien de bovenvermelde uitlegging in het geval van den orang juist is, dan herinnert ons het haar op onze voorarmen op merkwaardige wijze aan onzen vroegeren toestand; want niemand zal onderstellen, dat het nu eenig nut doet voor het afdruipen van den regen, en in onze tegenwoordige rechtopgaande houding is de richting er van daartoe ook niet geschikt. (5)
Het zou echter overijld zijn te veel gewicht te hechten aan het beginsel van adaptatie ten opzichte van de richting van het haar bij den mensch en zijn vroege voorouders; want het is onmogelijk de afbeeldingen die Eschricht geeft van de rangschikking van het haar bij den menschelijken foetus (welke de zelfde is als bij den volwassene) te bestudeeren, zonder dien uitnemenden waarnemer toe te geven, dat andere en meer ingewikkelde oorzaken in het spel zijn geweest. De punten, naar welke de haren convergeeren, schijnen eenigermate in betrekking te staan tot die punten van het embryo die zich gedurende de ontwikkeling het laatst hebben gesloten. Er schijnt ook eenige betrekking te bestaan tusschen de rangschikking der haren op de ledematen en den loop der mergslagaderen.9
Men moet niet onderstellen, dat de punten van overeenkomst tusschen den mensch en sommige apen in de bovengenoemde en vele andere [272]opzichten—zooals in het bezit van een naakt voorhoofd, lange haarlokken op het hoofd, enz.—allen het gevolg zijn van onafgebroken overerving van een gemeenschappelijken voorvader welke die kenmerken bezat, of van een later atavisme. Het is waarschijnlijker, dat de oorzaak van vele dezer punten van overeenkomst moet worden gezocht in analoge variatie, die, zooals ik elders heb trachten aan te toonen10, het gevolg is van de inwerking van gelijksoortige, tot wijzigingen aanleiding gevende oorzaken, op organismen die van een zelfden stamvorm afstammen en een gelijksoortige lichaamsgesteldheid bezitten. Wat de overeenstemmende richting van het haar op de voorarmen van den mensch en van zekere apen aangaat, zoo moet dit kenmerk, daar het aan bijna al de anthropomorphen gemeen is, waarschijnlijk aan overerving worden toegeschreven; schoon zulks niet zeker is, want ook eenige zeer van hen verschillende Amerikaansche apen bezitten het eveneens. De zelfde opmerking is toepasselijk op den staarteloozen toestand van den mensch; want de staart ontbreekt bij al de anthropomorphen. Toch kan dit kenmerk niet met zekerheid aan overerving worden toegeschreven, daar de staart, hoewel niet ontbrekende, echter rudimentair is bij verscheidene andere apen uit de Oude Wereld en bij sommige uit de Nieuwe Wereld, en geheel ontbreekt bij verscheidene soorten van de verwante groep der Lemuriden.
Hoewel de mensch, zooals wij nu hebben gezien, geen recht heeft om een afzonderlijke Orde voor zich zelf te vormen, mag hij wellicht aanspraak maken op den rang van een afzonderlijke Onder-orde of Familie. Prof. Huxley verdeelt in zijn laatste werk11 de Primaten in drie Onder-orden; namelijk, de Anthropidae alleen uit den mensch bestaande, de Simiadae die alle soorten van ware apen bevat, en de Lemuridae, waarin de verschillende geslachten van half apen worden opgenomen. Voor zooverre het verschillen in zekere belangrijke punten van maaksel betreft, mag de mensch ongetwijfeld met recht aanspraak maken op den rang van een Onder-orde, en deze rang is te laag, als wij hoofdzakelijk op zijn geestvermogens letten. Uit een genealogisch oogpunt schijnt het echter, dat deze rang te hoog is, en dat de mensch eenvoudig een Familie of mogelijk zelfs slechts een Onder-familie behoort te vormen. Indien wij ons drie lijnen van afstamming [273]voorstellen die van een gemeenschappelijke bron uitgaan, dan is het zeer goed te begrijpen, dat twee daarvan in den loop der eeuwen zoo weinig kunnen zijn veranderd, dat zij nog soorten van een zelfde geslacht blijven, hoewel de derde zoo sterk is gewijzigd, dat zij als een afzonderlijke Onder-familie, Familie of zelfs Orde moet worden beschouwd. In dit geval is het echter bijna zeker, dat de derde lijn door overerving nog talrijke kleine punten van overeenkomst met de beide andere lijnen zal behouden. Hier zou men dan stuiten op de tegenwoordig nog onoplosbare moeilijkheid, of wij in onze klassificaties meer gewicht behooren te hechten aan sterk sprekende verschillen in eenige weinige punten,—dat is aan de hoegrootheid der ondergane wijziging,—dan wel aan groote overeenkomst in talrijke onbelangrijke punten, die de lijnen van afstamming of den stamboom aanwijzen. Het eerste is het duidelijkste en wellicht het veiligste, hoewel het laatste het meest juiste schijnt te zijn, daar het een werkelijk natuurlijke klassificatie geeft.
Om hierover een oordeel te kunnen vellen, moeten wij een kort overzicht geven van de klassificatie der Simiadae of Ware Apen. Deze familie wordt door bijna alle natuuronderzoekers verdeeld in de groep der Simiae Catarrhinae of Apen der Oude Wereld, die, zooals hun Latijnsche naam uitdrukt, allen zijn gekenmerkt door het bijzondere maaksel hunner neusgaten en door het bezit van vier valsche maaltanden in elke kaak, en in de groep der Simiae Platyrrhinae of Apen der Nieuwe Wereld (die uit twee zeer verschillende ondergroepen bestaat) die zich allen kenmerken door anders gevormde neusgaten en het bezit van zes valsche maaltanden in elke kaak. (6) Nog enkele andere kleine verschillen zouden hier kunnen worden vermeld. Nu behoort de mensch, wat zijn tandstelsel, het maaksel zijner neusgaten en eenige andere kenmerken aangaat, ongetwijfeld tot de Catarrhinae of Apen der Oude Wereld; en in geen enkel opzicht gelijkt hij meer op de Platyrrhinae, dan op de Catarrhinae, behalve in eenige weinige kenmerken van niet veel belang en van adaptieven aard. Het zou daarenboven tegen alle waarschijnlijkheid strijden, om te onderstellen, dat de eene of andere voormalige soort, tot de Apen der Nieuwe Wereld behoorende, zich gewijzigd en zoo een op den mensch gelijkend wezen met al de onderscheidende kenmerken van de Apen der Oude Wereld zou hebben voortgebracht, terwijl het tegelijkertijd al zijn eigen onderscheidende kenmerken had verloren. Het kan bijgevolg moeielijk worden betwijfeld, dat [274]de mensch is gesproten uit den stam van de Apen der Oude Wereld, en dat hij uit een genealogisch oogpunt tot de groep der Catarrhinae moet worden gebracht.12
De anthropomorphe apen, namelijk de gorilla, de chimpanzee, de orang en de gibbons worden door de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke onder-groep van de overige apen der Oude Wereld afgescheiden. Ik weet, dat Gratiolet, zich grondende op het maaksel der hersenen, het bestaan van deze onder-groep niet aanneemt; en ongetwijfeld vormt zij geen goed geheel; zoo is de orang, gelijk de heer St. George Mivart opmerkt13, „een der meest bijzondere en afwijkende vormen, die in de geheele Orde worden gevonden.” De overige, niet-anthropomorphe Apen der Oude Wereld worden door sommige natuuronderzoekers weder verdeeld in twee of drie kleinere onder-groepen, waarbij dan de Slankapen (Semnopithecus) met hun eigenaardige in zakken verdeelde maag (7) het type van één dier onder-groepen zijn. Het schijnt echter, volgens Gaudry’s wondervolle ontdekkingen in Attika, dat er gedurende de Miocene periode een vorm leefde die de Slankapen (Semnopithecus) met het geslacht Macacus verbond (8), en dit is waarschijnlijk een voorbeeld van de wijze, waarop de andere en hoogere groepen eens ineensmolten.
Indien men aanneemt, dat de anthropomorphe apen een natuurlijke onder-groep vormen, dan mogen wij, daar de mensch met hen overeenkomt, niet alleen in die kenmerken welke hij met de geheele groep der Catarrhinae gemeen heeft, maar ook in andere bijzondere kenmerken, zooals in het gemis van een staart en van eeltplekken aan de billen en in algemeen uiterlijk, daaruit afleiden, dat een of ander voormalig lid van de onder-groep der anthropomorphen de stamvader was van het menschelijk geslacht. Het is niet waarschijnlijk, dat een lid van een der andere lagere onder-groepen door de wet der analoge variatie een op den mensch gelijkend schepsel zou hebben voortgebracht, dat in zoovele opzichten op de hoogere anthropomorphe apen geleek. Ongetwijfeld heeft de mensch, in vergelijking [275]met zijn meeste verwanten buitengewoon groote wijzigingen ondergaan, hoofdzakelijk ten gevolge van de sterke ontwikkeling zijner hersenen en rechtopgaande houding; wij moeten echter nimmer vergeten, dat hij „slechts een der verschillende afwijkende vormen van de Primaten is.”14
Ieder natuuronderzoeker die gelooft in het beginsel van ontwikkeling, zal toestemmen, dat de twee hoofdgroepen der Simiadae, namelijk de Catarrhinen en Platyrrhinen, met hun ondergroepen, alle uit een enkelen zeer ouden stamvader zijn voortgesproten. De vroege afstammelingen van dien stamvader moeten, vóór zij op eenigszins belangrijke wijze van elkander waren afgeweken, nog een enkele natuurlijke groep hebben gevormd; maar sommige van de soorten of beginnende geslachten moeten door hun uiteenloopende kenmerken reeds eenigszins de toekomstige onderscheidingsteekenen van de groepen der Catarrhinen en Platyrrhinen hebben vertoond. De leden van deze onderstelde oude groep moeten dus niet zoo gelijkvormig zijn geweest in hun tandstelsel en in het maaksel hunner neusgaten, als het de tegenwoordige Catarrhinen eenerzijds en de Platyrrhinen anderzijds zijn, maar zij moeten in dit opzicht hebben geleken op de verwante Lemuriden, die zeer van elkander afwijken in den vorm van hun snoet15, en op buitengewone wijze in hun tandstelsel.
De Catarrhinen en Platyrrhinen komen in een menigte van kenmerken overeen, zooals daaruit blijkt, dat zij onbetwistbaar tot ééne en de zelfde Orde behooren. De vele gemeenschappelijke kenmerken die zij bezitten, kunnen moeielijk door zoovele verschillende soorten onafhankelijk van elkander zijn verkregen, zoodat deze kenmerken moeten zijn overgeërfd. Een voormalige vorm, die vele kenmerken met de Catarrhinen en Platyrrhinen gemeen had, andere in een tusschen hen in liggenden toestand, en wellicht ook eenige weinige bezat, welke van die welke thans aan die beide groepen eigen zijn, verschilden, zou, als hij door een natuuronderzoeker werd gezien, door dezen zonder den minsten twijfel tot de apen worden gebracht. Daar nu de mensch uit een genealogisch oogpunt tot den stam der Catarrhinen of Apen der Oude Wereld behoort, moeten wij tot het besluit komen, hoezeer deze gevolgtrekking ook onzen trots moge kwetsen, dat onze vroege voorouders met recht aldus [276]zouden zijn genoemd.16 Wij moeten echter niet in de dwaling vervallen van te onderstellen, dat de voormalige voorvader van den geheelen stam der apen, met insluiting van den mensch, identisch was met, of zelfs zeer sterk geleek op eenige bekende aapsoort. (9)
Over het oorspronkelijk Vaderland en de Oudheid van den Mensch.—Wij worden er nu van zelf toe gebracht te onderzoeken, waar het oorspronkelijk vaderland van den mensch was op dat tijdperk van de afstamming, toen onze voorouders uit den stam der Catarrhinen ontsproten. Het feit dat zij tot dien stam behoorden, bewijst klaarblijkelijk, dat zij de Oude Wereld bewoonden, maar niet Australië, noch eenig Oceanisch eiland, zooals wij mogen afleiden uit de wetten van de geographische verspreiding der dieren. In elke groote streek van de wereld zijn de daar levende zoogdieren nauw verwant met de uitgestorven soorten van die zelfde streek. Het is daarom waarschijnlijk, dat Afrika vroeger werd bewoond door uitgestorven aapsoorten, die nauw verwant waren met den gorilla en den chimpanzee; en daar deze beide soorten nu de naaste verwanten van den mensch zijn, is het een weinig waarschijnlijker, dat onze vroegere voorouders het vasteland van Afrika bewoonden, dan eenige andere streek. (10) Het is echter nutteloos hierover bespiegelingen te maken, want een aap bijna zoo groot als de mensch, namelijk de Dryopithecus van Lartet, die nauw verwant was met de anthropomorphe Gibbons, leefde in Europa gedurende de Opper-Miocene periode; en sinds een zoo lang geleden tijdvak heeft de aarde zekerlijk vele groote omwentelingen ondergaan, en is er ruimschoots tijd geweest voor verhuizingen op de grootste schaal.
In het tijdperk en op de plaats; wanneer en waar zulks ook moge zijn geweest, toen de mensch zijn haarkleed verloor, bewoonde hij waarschijnlijk een warm land, en dit zou het hem gemakkelijk hebben gemaakt zich met vruchten te voeden, waarvan hij, naar de analogie te oordeelen, leefde. Wij weten volstrekt niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch het eerst uit den stam der Catarrhinen ontsproot; maar dit is wellicht geschied in een zoo lang vervlogen tijd als de Eocene periode (11); want de hoogere apen hadden zich reeds in de Opper-Miocene [277]periode van de lagere gescheiden, zooals blijkt uit het bestaan van den Dryopithecus. Wij kunnen dus ook volstrekt niet zeggen, hoe snel organismen, hetzij zij hoog of laag op de ladder staan, zich onder gunstige omstandigheden kunnen wijzigen; wij weten echter, dat sommige gedurende een langen tijd den zelfden vorm hebben behouden. Uit hetgeen wij bij getemde dieren zien gebeuren, leeren wij, dat sommige afstammelingen van een zelfde soort volstrekt niet kunnen zijn veranderd, terwijl andere een weinig, en wederom andere in groote mate zijn veranderd. Zoo kan het ook met den mensch zijn gegaan, die in zekere kenmerken zeer groote wijzigingen heeft ondergaan in vergelijking van de hoogere apen.
De groote gaping in de organische reeks tusschen den mensch en zijn naaste verwanten, die door geen uitgestorven of levende soort kan worden aangevuld, is dikwerf aangemerkt als een ernstig bezwaar tegen het geloof dat de mensch van den eenen of anderen lageren vorm afstamt, maar dit bezwaar zal niet zeer gewichtig toeschijnen aan hen die, door algemeene redenen overtuigd, in het algemeene beginsel van ontwikkeling gelooven. Men ontmoet elk oogenblik gapingen in alle deelen van de reeks, sommige wijd en scherp begrensd, andere in verschillende mate minder sterk uitgesproken; zooals tusschen den orang en zijn naaste verwanten; tusschen Tarsius en de overige Lemuriden; tusschen den olifant, en in nog sterkere mate tusschen de Snaveldieren (Ornithorhynchus of Echidna) en de overige Zoogdieren. Al deze gapingen hangen echter alleen af van het aantal verwante vormen dat is uitgestorven. In een toekomstig tijdperk, niet zoo verwijderd, als men het bij eeuwen meet, zullen de beschaafde menschen bijna zeker de wilde rassen over de geheele wereld uitgeroeid en hun plaats ingenomen hebben. In het zelfde tijdperk zullen de anthropomorphe apen, zooals Professor Schaaffhausen heeft opgemerkt17, ongetwijfeld ook zijn uitgeroeid. De gaping zal dan nog wijder zijn geworden; want zij zal bestaan tusschen den mensch in een beschaafder staat, naar wij mogen hopen, dan de Kaukasiër, en den eenen of anderen aap, zoo laag ontwikkeld als de baviaan, in plaats van, zooals tegenwoordig, tusschen den neger of Nieuw-Hollander en den gorilla.
Wat de afwezigheid van fossiele overblijfselen aangaat, die als verbindingsleden tusschen den mensch en zijn op apen gelijkende voorouders [278]zouden kunnen dienen, zal niemand veel gewicht daaraan hechten, die de verhandeling van Sir C. Lyell18 heeft gelezen, waarin deze aantoont, dat bij al de klassen van Gewervelde Dieren de ontdekking van fossiele overblijfselen uiterst langzaam en toevallig heeft plaats gehad. Ook moeten wij niet vergeten, dat die streken, waar men de meeste kans heeft fossiele verbindingsleden tusschen den mensch en een of ander uitgestorven aapachtig schepsel te vinden, tot nog toe niet door geologen zijn doorzocht.
Lagere ontwikkelingstrappen in de geschiedenis van den mensch. Wij hebben gezien, dat de mensch zich uit de Catarrhinen of de afdeeling der Simiadae die de Oude Wereld bewoont, schijnt te hebben ontwikkeld, nadat deze laatste zich van de afdeeling der Apen der Nieuwe Wereld had gescheiden. Wij zullen nu de meer verwijderde sporen van zijn stamboom trachten te volgen, en daarbij in de eerste plaats afgaan op de wederzijdsche verwantschappen tusschen de verschillende klassen en orden, waarbij wij eenige geringe hulp zullen ontvangen van de perioden, zoover die met zekerheid bekend zijn, waarin zij achtereenvolgens op aarde verschenen. De halfapen (Lemuriden) staan beneden de ware apen (Simiadae), doch zij zijn nauw met hen verwant; zij vormen een zeer onderscheiden familie der Primaten, of, volgens Haeckel, een afzonderlijke orde. Deze groep omvat zeer verschillende, ja, soms sterk van elkander afwijkende vormen, tusschen welke gapingen bestaan. Het is daarom waarschijnlijk, dat vele daartoe behoorende soorten zijn uitgestorven. De overblijvende leven meest op eilanden, namelijk op Madagascar en in Insulinde, waar zij niet blootgesteld waren aan een zoo sterke mededinging in den levensstrijd, als zij zulks op goed aaneenhangende vastelanden zouden zijn geweest. Deze groep omvat vormen die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling staan, en leidt ons dus, zooals Huxley opmerkt19, „ongevoelig van de kroon en het toppunt der dierlijke schepping naar beneden tot wezens welke, naar het schijnt, nog slechts ééne schrede zijn verwijderd van de laagste, kleinste en verstandelijk het minst ontwikkelde der Placentale Zoogdieren.” Deze verschillende redenen maken het waarschijnlijk, dat de Simiadae zich oorspronkelijk hebben ontwikkeld [279]uit de voorouders der thans levende Lemuriden (12); en deze op hun beurt uit vormen die zeer laag stonden in de reeks der zoogdieren.
De Buideldieren (Marsupialia) staan door vele belangrijke kenmerken beneden de Placentale Zoogdieren. Zij verschenen in een vroegere geologische periode en hun verbreiding was eertijds veel grooter dan tegenwoordig. Daarom onderstelt men algemeen, dat de Placentale Zoogdieren zijn ontsproten uit de Implacentale of Buideldieren; echter niet uit vormen die zeer veel geleken op de thans levende Buideldieren, maar uit de vroege voorouders van deze. De Snaveldieren (13) (Monotremata) zijn nauw verwant met de Buideldieren en vormen een derde en nog lagere afdeeling in de groote reeks der Zoogdieren. Zij worden in onzen tijd alleen vertegenwoordigd door het vogelbekdier (Ornithorhynchus) en het Stekeldier (Echidna), en deze beide vormen mag men veilig beschouwen als overblijfselen van een veel grootere groep, die in Australië door een gelukkigen samenloop van omstandigheden zijn bewaard gebleven. De Snaveldieren zijn hoogst belangwekkend, daar zij ons door vele belangrijke punten van hun maaksel tot de klasse der Reptielen voeren.
Bij onze pogingen om den stamboom der zoogdieren, en derhalve ook dien van den mensch, nog lager in de reeks te vervolgen, worden wij door hoe langer hoe grooter wordende duisternis omgeven. Hij die wenscht te zien wat scherpzinnigheid en kennis tot stand kunnen brengen, raadplege Prof. Haeckel’s werken.20 Ik zal mij tevreden stellen met eenige weinige algemeene opmerkingen. Ieder aanhanger der ontwikkelingstheorie zal aannemen, dat de vijf groote klassen van Gewervelde Dieren, namelijk de Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Amphibieën en Visschen, allen gezamenlijk van een enkelen grondvorm afstammen want zij hebben vele gemeenschappelijke kenmerken, vooral gedurende den embryonalen staat. Daar de klasse der Visschen de laagst georganiseerde is en vroeger dan de andere op aarde verscheen, mogen wij besluiten, dat al de leden van het onder-rijk der Gewervelde [280]Dieren afstammen van een of ander op een visch gelijkend dier, minder hoog georganiseerd dan eenige visch die tot dusverre in de laagste formaties die bekend zijn, is gevonden. Het geloof dat dieren, zoo verschillend als een aap of olifant en een kolibri, een slang, een kikvorsch en een visch, enz., allen kunnen zijn voortgekomen uit de zelfde stamouders, zal monsterachtig schijnen aan hen, die geen acht hebben geslagen op de vorderingen, die de natuurlijke geschiedenis in de laatste jaren heeft gemaakt. Want dit geloof sluit in zich het voormalig bestaan van tusschenvormen, welke al die thans zoo uiterst ongelijke vormen nauw met elkander verbonden.
Het is echter zeker, dat er groepen van dieren hebben bestaan of nog bestaan, welke dienen om verscheidene groote klassen van Gewervelde Dieren meer of minder nauw met elkander te verbinden. Wij hebben gezien, dat het vogelbekdier (Ornithorhynchus) een overgang vormt tot de Reptielen; en Prof. Huxley heeft de merkwaardige, door den heer Cope en anderen bevestigde ontdekking gedaan, dat de voormalige Dinosauriërs in vele belangrijke punten tusschen zekere Reptielen en zekere Vogels in staan—welke laatste bestaan uit de struisvogelachtige vogels (zelven blijkbaar een wijdverspreid overblijfsel van een grootere groep) en uit de Archaeopteryx, dien vreemdsoortigen vogel uit het secundaire tijdvak, die een langen staart bezat, op dien van een hagedis gelijkende. (14) Verder vertoonen volgens Prof. Owen21 de Ichthyosauriërs—roeipooten bezittende, groote zeehagedissen—vele punten van verwantschap met de Visschen, of liever, volgens Huxley, met de Amphibieën. Deze laatste klasse (tot de hoogste afdeeling waarvan de kikvorschen en padden behooren) is blijkbaar verwant met de Ganoïde Visschen. Van deze laatste visschen wemelde het gedurende de oudere geologische vormingen, en zij waren gebouwd volgens hetgeen men een sterk gegeneraliseerd type noemt, dat is, zij vertoonden verschillende punten van verwantschap met verscheidene andere groepen van organismen. De Amphibieën en Visschen worden ook door de Lepidosiren zoo nauw verbonden, dat de natuuronderzoekers het gedurende langen tijd niet eens waren, tot welke dezer beide klassen dit dier moet worden gebracht. De Lepidosiren en eenige Ganoïde Visschen zijn voor volkomen uitsterving bewaard gebleven, doordat zij onze rivieren bewoonden, die vluchthavens zijn en tot [281]de groote wateren van den oceaan in de zelfde betrekking staan, als eilanden tot de vastelanden.
Eindelijk wijkt één enkel lid van de uitgebreide en zeer verschillend gevormde klasse der visschen, de Slakprik of Amphioxus, in maaksel zoozeer van alle andere visschen af, dat Haeckel volhoudt, dat het een afzonderlijke klasse van het onder-rijk der Gewervelde Dieren behoorde te vormen. Deze visch is merkwaardig wegens zijn negatieve kenmerken; men kan moeielijk zeggen, dat hij hersenen, of hart enz. bezit, zoodat hij door de oudere natuuronderzoekers onder de wormen werd gerangschikt. Vele jaren geleden merkte Prof. Goodsir op, dat de slakprik eenige punten van verwantschap vertoonde met de Zakpijpen (Ascidiae), ongewervelde, tweeslachtige (hermaphroditische) zeedieren, die voortdurend aan een steunsel zijn bevestigd. Zij gelijken nauwelijks op dieren en bestaan uit een eenvoudigen, harden, lederachtigen zak, met twee vooruitstekende openingen. Zij behooren tot de Molluscoïda van Huxley,—een lagere afdeeling van het groote onder-rijk der Weekdieren (Mollusca);—maar zij zijn sedert korten tijd door sommige natuuronderzoekers onder de Wormen (Vermes) geplaatst. Haar larven gelijken in vorm eenigszins op de maskers van kikvorschen22, en bezitten het vermogen om vrij rond te kunnen zwemmen. De heer Kowalewski23 heeft onlangs ontdekt, dat de larven der Zakpijpen (Ascidiae) verwant zijn met de Gewervelde Dieren in hun wijze van ontwikkeling, in de betrekkelijke ligging van het zenuwstelsel, en door het bezit van een deel, dat zeer veel gelijkt op de chorda dorsalis der Gewervelde Dieren. Het schijnt dus, als wij mogen afgaan op de embryologie, die altijd gebleken is de veilige gids te zijn voor de klassificatie, dat wij eindelijk een leiddraad hebben naar de bron waaruit de Gewervelde Dieren zijn gesproten.24 Wij zouden dus [282]recht hebben om aan te nemen, dat er in een uiterst lang geleden tijdperk een groep van dieren bestond, die in vele opzichten op de larven der tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) geleek, en zich in twee groote takken splitste,—waarvan de eene in ontwikkeling achteruitging en de tegenwoordige klasse der Zakpijpen (Ascidiae) voortbracht, terwijl de andere opsteeg tot de kroon en het toppunt van het Dierenrijk, door het aanzijn te geven aan de Gewervelde Dieren. (15)
Wij hebben tot dusverre beproefd den stamboom der Gewervelde Dieren met behulp hunner wederkeerige punten van verwantschap op te maken. Wij zullen nu den mensch beschouwen, zooals hij bestaat, en, dunkt mij, in staat zijn het maaksel onzer vroege voorouders gedeeltelijk te beschrijven, zooals het in opvolgende tijdperken was, ofschoon niet in nauwkeurige tijdsorde. Dit kan geschieden door middel der rudimentaire deelen die de mensch nog heeft behouden, door de kenmerken die zich nu en dan door atavisme bij hem vertoonen, en door behulp van de beginselen der morphologie en embryologie. De verschillende feiten waarop ik hier zinspeel, zijn in de vorige hoofdstukken medegedeeld. De vroege voorouders van den mensch waren ongetwijfeld eens geheel met haar bedekt, terwijl beide seksen baarden bezaten; hun ooren waren puntig en konden worden bewogen, en hun lichamen waren voorzien van een staart, die de daartoe behoorende spieren bezat. Hun ledematen en lichamen werden ook in beweging gebracht door vele spieren, die tegenwoordig slechts nu en dan opnieuw verschijnen, maar bij de apen normaal voorkomen. De groote slagader en zenuw van het opperarmbeen liep door een foramen supra condyloïdeum. In dit of in een vroeger tijdperk bezat het darmkanaal een veel grooter diverticulum of coecum (blinden darm), dan tegenwoordig. Te oordeelen naar de plaatsing van den grooten teen bij den foetus, was de voet toen een grijporgaan; en onze voorouders hadden ongetwijfeld de gewoonte van in de boomen te leven en bewoonden een of ander [283]warm boschrijk land. De mannetjes bezaten groote hoektanden, en gebruikten die als geduchte wapenen.
In een veel vroeger tijdperk was de baarmoeder dubbel, werden de uitwerpselen door een cloaca ontlast, en werd het oog beschermd door een derde ooglid (membrana nictitans). In een nog vroeger tijdperk waren de voorouders van den mensch waterbewoners; want de morphologie leert ons op duidelijke wijze, dat onze longen uit een gewijzigde zwemblaas bestaan, die eens diende om zich drijvende te houden. De spleten in den hals van den menschelijken embryo toonen de plaats waar zich eens de kieuwen bevonden. Ongeveer in dit zelfde tijdvak vervulden de oernieren (corpora Wolffiana) de plaats der ware nieren. Het hart bestond slechts uit een eenvoudig kloppend vat en de wervelkolom werd vervangen door een ruggestreng (chorda dorsalis). Deze vroege voorgangers van den mensch, aldus beschouwd in de duistere schuilhoeken van het verleden, moeten even laag, of zelfs nog lager georganiseerd zijn geweest, dan de Slakprik of Amphioxus.
Er is een ander punt dat een nadere vermelding verdient. Het is lang bekend geweest, dat in het onder-rijk der Gewervelde Dieren de eene sekse rudimenten bezit van verschillende bijkomende deelen, behoorende tot het voortplantingsstelsel, die eigenlijk aan de andere sekse toekomen; en het is tegenwoordig uitgemaakt, dat op een zeer vroeg tijdstip van de embryonale ontwikkeling, beide seksen ware mannelijke en vrouwelijke geslachtsklieren hebben. Een uiterst ver verwijderde stamvorm van het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren schijnt dus tweeslachtig (hermaphroditisch) te zijn geweest.25 Hier stuiten wij echter op een eigenaardige moeielijkheid. In de klasse der Zoogdieren bezitten de mannetjes in hun vesiculae prostaticae rudimenten van een baarmoeder met den daaraan verbonden doorgang; zij hebben ook rudimentaire tepels en sommige mannelijke buideldieren [284]vertoonen rudimenten van een buidel.26 Andere dergelijke feiten zouden hierbij gevoegd kunnen worden. Moeten wij derhalve onderstellen, dat eenig uiterst oud zoogdier de organen bezat aan beide seksen eigen, dat nog hermaphrodiet bleef, nadat het de voornaamste kenmerken van zijn eigen klasse had verkregen, en dus nadat het zich had afgescheiden van de lagere klassen van het onder-rijk der Gewervelde Dieren? Dit is in de hoogste mate onwaarschijnlijk; want wij moeten afdalen tot de Visschen, de laagste van alle klassen der Gewervelde Dieren, eer wij eenige nog bestaande hermaphroditische vormen vinden.27 Waarom mannelijke zoogdieren rudimenten van de bijkomende vrouwelijke organen, en vrouwelijke zoogdieren rudimenten van de mannelijke organen bezitten, kan wellicht worden verklaard door aan te nemen, dat toen de eene sekse trapsgewijze de aan haar eigen bijkomende organen verkreeg, sommige der achtereenvolgende trappen of wijzigingen op de andere sekse werden overgebracht. Wanneer wij de seksueele teeltkeus behandelen, zullen wij tallooze voorbeelden van dezen vorm van overbrenging ontmoeten,—zooals in het geval van de sporen, vederen en schitterende kleuren, door mannelijke vogels verkregen voor den strijd of tot versiering, maar op de wijfjes overgebracht in een rudimentairen of onvolmaakten toestand.
Het feit, dat mannelijke zoogdieren borsten bezitten die, wat hun functie aangaat, onvolkomen zijn, is in sommige opzichten bijzonder merkwaardig. De Snaveldieren (Monotremata) bezitten wel melkafscheidende klieren met openingen, maar geen tepels; en daar deze dieren geheel onder aan de reeks der Zoogdieren staan, is het waarschijnlijk, dat de stamvormen dier klasse eveneens wel melkafscheidende klieren, doch geen tepels bezaten. Deze gevolgtrekking wordt [285]gesteund door hetgeen van de ontwikkelingswijze bekend is; want Professor Turner verzekert mij, op autoriteit van Kölliker en Langer, dat bij den embryo de melkafscheidende klieren duidelijk zijn afgeteekend, vóór er nog een spoor van tepels zichtbaar is; en wij moeten ons steeds herinneren, dat de opeenvolgende ontwikkeling der deelen bij het individu over het algemeen schijnt te vertegenwoordigen en in overeenstemming te zijn met de opeenvolgende ontwikkeling der wezens in de zelfde lijn van afstamming. (18) De Buideldieren (Marsupialia) verschillen van de Snaveldieren (Monotremata) door het bezit van tepels; zoodat deze organen waarschijnlijk het eerst werden verkregen door de Buideldieren, nadat zij zich van de Snaveldieren hadden gescheiden en deze in ontwikkeling waren voorbijgestreefd, en daarna op de Placentale Zoogdieren werden overgebracht.28 Niemand zal onderstellen, dat, nadat de Buideldieren ongeveer hun tegenwoordig maaksel hadden verkregen en daarom in een vrij laat tijdperk van de ontwikkeling van de reeks der Zoogdieren, eenige daartoe behoorende soort nog hermaphroditisch was gebleven. Wij schijnen dus genoodzaakt te zijn tot de voorgaande beschouwingswijze terug te keeren en te besluiten, dat de tepels zich het eerst hebben ontwikkeld bij de wijfjes van den eenen of anderen zeer ouden vorm van Buideldieren, en later overeenkomstig een gewone wet van erfelijkheid op de mannetjes werden overgebracht in een, wat hun functie aangaat, on volmaakten toestand.
Toch is het vermoeden wel eens bij mij opgekomen, dat, lang nadat de stamouders van de geheele klasse der Zoogdieren hadden opgehouden hermaphroditen te zijn, beide seksen wellicht melk voortgebracht en de jongen daarmede gevoed hadden; en in het geval van de Buideldieren, dat beide seksen de jongen in haar buidels hadden gedragen. Dit zal niet volstrekt ongelooflijk schijnen, als wij bedenken, dat de mannetjes der Naaldvisschen of Zeenaalden (Syngnatus) de eieren der wijfjes in een door zijdelingsche uitbreiding der huid gevormden broedzak opnemen, ze uitbroeden en later, naar sommigen gelooven, de jongen voeden29;—dat sommige andere mannelijke [286]visschen de eieren in hun bekken of kieuwholten uitbroeden;—dat de mannetjes van sommige soorten van padden de eiersnoeren aan de wijfjes ontnemen en om hun eigen dijen winden en ze daar houden tot de maskers geboren zijn;—dat de mannetjes van sommige vogels den geheelen plicht der uitbroeding op zich nemen en dat mannelijke duiven, even goed als de wijfjes, hun jongen met een in hun krop afgescheiden stof voeden. Het bovenvermelde vermoeden kwam echter het eerst bij mij op, omdat de melkklieren bij de mannelijke zoogdieren zooveel volkomener zijn ontwikkeld dan de rudimenten van die andere bijkomende voortplantingsorganen, welke men bij de eene sekse vindt, hoewel zij eigenlijk aan de andere toebehooren. De melkklieren en tepels, zooals zij bij de mannelijke zoogdieren bestaan, kunnen inderdaad nauwelijks rudimentair worden genoemd; zij zijn eenvoudig niet ontwikkeld en wat hun functie aangaat, niet werkzaam. Zij worden sympathetisch (19) aangedaan onder den invloed van sommige ziekten, evenals de zelfde organen bij het wijfje. Bij de geboorte scheiden zij dikwijls eenige weinige droppels melk af, en er bestaan voorbeelden dat zij nu en dan bij den mensch en andere zoogdieren goed ontwikkeld waren en een behoorlijke hoeveelheid melk afscheidden. Dit laatste was ook het geval bij dien jongen man, waarvan ik vroeger melding heb gemaakt, die twee paar tepels bezat. Indien wij nu onderstellen dat gedurende een vroegere langdurige periode de mannelijke zoogdieren de wijfjes behulpzaam waren in het voeden van hun jongen en dat naderhand door de eene of andere oorzaak, b.v. omdat er minder jongen werden voortgebracht, de mannetjes ophielden deze hulp te verleenen, zou onbruik dezer organen gedurende den volwassen leeftijd maken, dat zij ophielden werkzaam te zijn, en volgens twee welbekende beginselen van de erfelijkheid zou deze werkeloosheid waarschijnlijk overgaan op de mannetjes op den overeenkomstigen volwassen leeftijd. In vroegere leeftijden zouden zij daardoor echter niet zijn aangedaan, zoodat zij even goed ontwikkeld zouden zijn bij de jongen van beide seksen.
[287]
Besluit.—De beste definitie van vooruitgang of hoogere ontwikkeling in de organische reeks, welke ooit is gegeven, is die van von Baer; en deze berust op de hoegrootheid der differentiatie en specialisatie van de verschillende deelen van het zelfde wezen, als het, zooals ik geneigd zou zijn er bij te voegen, op volwassen leeftijd is gekomen. Daar nu de organismen door middel der natuurlijke teeltkeus op langzame wijze geschikt zijn gemaakt voor verschillende levenswijzen, zullen hun organen, wegens het voordeel, verkregen door de verdeeling van den physiologischen arbeid, meer en meer voor verschillende functies gedifferentieerd en gespecialiseerd zijn geworden. Het zelfde deel schijnt soms eerst voor het eene doel, en dan lang naderhand voor eenig ander en geheel verschillend doel te zijn gewijzigd; en zoo zijn alle deelen hoe langer hoe samengestelder geworden. Elk organisme zal echter in zijn maaksel nog het algemeene type hebben behouden van den stamvorm waaruit het zich oorspronkelijk ontwikkelde. In overeenstemming met deze beschouwingswijze schijnt het, als wij ons tot de geologische bewijzen wenden, dat de organisatie over de geheele wereld met langzame en afgebroken stappen is vooruitgegaan. In het groote onder-rijk der Gewervelde Dieren bereikte zij haar toppunt in den Mensch. Men moet echter niet onderstellen, dat groepen van organische wezens altijd worden verdrongen en verdwijnen, zoodra zij andere en meer volmaakte groepen hebben doen geboren worden. Deze laatste, hoewel overwinnaars van haar voorgangers, zijn niet altijd beter geschikt voor alle plaatsen in de huishouding der natuur. Sommige oude vormen schijnen te zijn blijven leven, omdat zij beschermde streken bewoonden, waar zij niet aan strenge mededinging waren blootgesteld; en deze helpen ons dikwijls bij het opmaken van onze stamboomen door ons een goed denkbeeld te geven van voormalige verloren gegane bevolkingen. Wij moeten ons echter hoeden voor het dwaalbegrip om de bestaande leden van de eene of andere laag georganiseerde groep aan te zien voor volmaakte vertegenwoordigers van hun oude voorgangers.
De oudste stamvormen van het Onder-rijk der Gewervelde Dieren, waarvan wij in staat zijn een duister denkbeeld te verkrijgen, bestonden, naar het schijnt, in een groep van zeedieren30, op de larven der tegenwoordige [288]Zakpijpen (Ascidiae) gelijkende. Deze dieren gaven waarschijnlijk het aanzijn aan een groep Visschen, even laag georganiseerd als de Slakprik; en uit deze moeten zich de Ganoïden en andere op Lepidosiren gelijkende Visschen hebben ontwikkeld. Van zulk een visch zou een zeer kleine vooruitgang ons tot de Amphibieën leiden. Wij hebben gezien, dat er eens een innig verband heeft bestaan tusschen Vogels en Reptielen, en de Snaveldieren (Monotremata) verbinden nog heden in geringe mate de Zoogdieren met de Reptielen. Niemand kan echter op dit oogenblik zeggen, door welke afstammingslijn de drie hoogere verwante klassen, namelijk de Zoogdieren, Vogels en Reptielen, zijn ontstaan uit een der beide lagere klassen van Gewervelde Dieren, namelijk de Amphibieën en de Visschen. In de klasse der Zoogdieren zijn de stappen niet moeielijk te begrijpen, die van de oude Snaveldieren (Monotremata) tot de oude Buideldieren (Marsupialia) en van deze tot de voormalige stamouders der Placentale Zoogdieren leiden. Wij kunnen op die wijze opklimmen tot de Lemuriden, en deze worden door geen wijde tusschenruimte van de Ware Apen (Simiadae) gescheiden. De Ware Apen (Simiadae) vertakten zich toen in twee groote stammen, de Apen der Nieuwe Wereld en de Apen der Oude Wereld; en uit den laatsten kwam, in een lang geleden tijdperk, de Mensch, het wonder en de roem van het Heelal, voort. (21)
Wij hebben op deze wijze den mensch een stamboom gegeven van verbazende lengte, maar, het moet worden bekend, niet van den edelsten aard. Men heeft dikwijls opgemerkt dat de wereld juist zoo is ingericht, alsof zij gereed was gemaakt voor de ontvangst van den mensch; en dit is in zekeren zin de zuivere waarheid; want hij is het [289]aanzijn verschuldigd aan een lange reeks van voorouders. Tenzij wij willens de oogen sluiten, kunnen wij met onze tegenwoordige kennis bij benadering onze voorouders en bloedverwanten leeren kennen; en wij behoeven ons geenszins over hen te schamen. (22) Het nederigste organisme staat een weinig hooger dan het onbezielde stof onder onze voeten; en niemand kan met een onbevooroordeelden geest eenig levend wezen bestudeeren, zonder in verrukking te geraken over deszelfs wondervol maaksel en eigenschappen.