1 Isidore Geoffroy St. Hilaire geeft een uitgebreid overzicht van de plaats door verschillende natuuronderzoekers in hun klassificaties aan den mensch toegekend: „Hist. Nat. Gén.” tome II, 1859, blz. 170–189. ↑
2 Zie het zeer belangwekkende artikel, „l’Instinct chez les insectes”, door den heer George Pouchet, „Revue des Deux Mondes”, Febr. 1870, blz. 682. ↑
9 Over het haar bij Hylobates, zie „Nat. Hist. of Mammals”, door C. L. Martin, 1841, blz. 415. Ook Isid. Geoffroy over de Amerikaansche en andere aapsoorten, „Hist. Nat. Gén.”, vol. II, 1859, blz. 216, 243. Eschricht, ibid., blz. 46, 55, 61. Owen, „Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 619. Wallace, „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 344. ↑
10 „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederl. Uitgaaf, blz. 599. „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 401–405. ↑
12 Dit is ongeveer de zelfde klassificatie als die, welke voorloopig door den heer St. George Mivart („Transact. Philosoph. Soc.”, 1867, blz. 300) is aangenomen, die, na de Lemuriden te hebben afgescheiden, de overige Primaten verdeelt in de Hominidae, de Simiadae (overeenkomende met de Catarrhinae), de Cebidae en de Hapalidae (welke beide laatste groepen met de Platyrrhinae overeenkomen). ↑
16 Haeckel is tot het zelfde besluit gekomen. Zie „Ueber die Entstehung des Menschengeschlechts”, in Virchow’s „Sammlung gemeinwissenschaftl. Vorträge”, 1868, blz. 61. Ook zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868, waarin hij zijn beschouwingen over den stamboom van den mensch uitvoerig uiteenzet. ↑
20 Uitvoerige tabellen zijn gegeven in zijn „Generelle Morphologie”, B. II, blz. CLIII, en 425; en meer bijzonder met betrekking tot den mensch in zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868. Prof. Huxley zegt in zijn beschouwing van dit laatste werk („The Academy”, 1869, blz. 42), dat hij gelooft, dat het phylum of de lijnen van afstamming der gewervelde dieren door Haeckel op bewonderenswaardige wijze zijn behandeld, ofschoon hij in enkele punten een verschillende meening is toegedaan. Hij drukt ook den hoogen dunk uit dien hij van de waarde en de algemeene strekking en geest van het geheele werk koestert. ↑
22 Ik had de voldoening op de Falklandseilanden, in April 1833, en dus eenige jaren vroeger dan eenig ander natuuronderzoeker, de jongen te zien zwemmen van een samengestelde Ascidia, nauw verwant met, doch blijkbaar tot een ander geslacht behoorende dan Synoicum. De staart was ongeveer vijfmaal zoo lang als de langwerpige kop, en eindigde in een zeer fijnen draad. Zij werd, volgens een door mij onder een loep gemaakte schets door dwarse ondoorschijnende tusschenschotten duidelijk in afdeelingen verdeeld, welke, naar ik vermoed, overeenkomen met de groote cellen die door Kowalewski zijn afgebeeld. Op een vroeger tijdstip van de ontwikkeling was de staart dicht om den kop der larve gerold. ↑
24 Ik ben echter verplicht hier bij te voegen, dat sommige bevoegde beoordeelaars de juistheid van dit besluit betwisten, b.v. de heer Giard, in [282]een reeks artikelen in zijn „Archives de Zoologie Expérimentale” voor 1872. Toch merkt deze natuuronderzoeker op, blz. 281: „L’organisation de la larve ascidienne en dehors de toute hypothèse et de toute théorie, nous montre comment la nature peut produire la disposition fondamentale du type vertébré (l’existence d’une corde dorsale) chez un invertébré par la seule condition vitale de l’adaptation, et cette simple possibilité du passage supprime l’abîme entre les deux sous-règnes, encore bien qu’on ignore par où le passage s’est fait en réalité.” ↑
25 Dit is het besluit, waartoe een der hoogste autoriteiten in de vergelijkende ontleedkunde, namelijk Prof. Gegenbaur in zijn: „Grundzüge der Vergleich. Anat.”, 1870, blz. 876 komt. Hij heeft dit vooral afgeleid uit zijn studiën over de Amphibieën; maar volgens de onderzoekingen van Waldeyer (aangehaald in „Journal of Anat. and Phys.”, 1869, blz. 161), schijnt het, dat de geslachtsdeelen zelfs van „de hoogere Gewervelde Dieren in den vroegsten toestand hermaphroditisch zijn.” Dergelijke beschouwingen zijn sinds lang door sommige schrijvers gemaakt, ofschoon zij tot voor korten tijd niet op een goeden grondslag berustten. ↑
26 Het mannetje van den buidelwolf (Thylacinus) levert hiervan het beste voorbeeld. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 771. ↑
27 Hermaphroditisme is waargenomen bij verscheidene soorten van Serranus, zoowel als bij sommige andere visschen, bij welke het òf normaal en symmetrisch, òf abnormaal en asymmetrisch is. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen heeft mij inlichtingen hieromtrent verstrekt, meer bijzonder omtrent eene verhandeling daarover van Prof. Halbertsma, in de Verslagen en Mededeelingen der Nederlandsche Kon. Akad. v. Wet. Dr. Günther betwijfelt de zaak, maar zij is tegenwoordig door te vele goede waarnemers opgemerkt om langer te worden betwist. Dr. M. Lessona heeft de waarheid onderzocht en bevestigd gevonden van de door Cavolini omtrent Serranus gedane waarnemingen. Prof. Ercolani heeft voor eenige jaren aangetoond („Accad. delle scienze”, Bologna, Dec. 28, 1871), dat de aal hermaphroditisch is. (16) ↑
28 Prof. Gegenbaur heeft aangetoond („Jenaïsche Zeitschrift”, Bd. VII blz. 212), dat bij de onderscheidene orden van Zoogdieren twee verschillende typen van tepels bestaan, maar dat het volkomen begrijpelijk is, hoe beide zich kunnen hebben ontwikkeld uit de tepels der Buideldieren, en die van de laatste uit die der Snaveldieren. ( 17 ) Zie ook een verhandeling van Dr. Max Huss, over de melkklieren, ibid. B. VIII, blz. 176. ↑
29 De heer Lockwood (aangehaald in het „Quart. Journal of Science”, [286]April 1868, blz. 269) gelooft, wegens hetgeen hij heeft waargenomen omtrent de ontwikkeling van het Zeepaardje (Hippocampus), dat namelijk de wanden van den broedzak van het mannetje op deze of gene wijze voedsel geven. Over mannelijke visschen die de eieren in hun bek uitbroeden, zie een zeer belangwekkende verhandeling van Prof. Wyman in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857; ook Prof. Turner in „Journal of Anat. and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Dr. Günther heeft eveneens dergelijke gevallen beschreven. ↑
30 Alle levensfuncties vertoonen een neiging om haar loop te voleindigen in vaste en terugkeerende perioden, en bij stranddieren zullen die perioden waarschijnlijk van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn; want dergelijke dieren moeten op het droge gelaten of met diep water bedekt zijn, overvloedig of karig voedsel hebben gekregen,—gedurende tallooze geslachten, [288]op regelmatig terugkeerende, van de schijngestalten der maan afhankelijke tijden. Indien derhalve de Gewervelde dieren afstammen van stranddieren, met de tegenwoordig levende Zakpijpen (Ascidiae) verwant, wordt het geheimzinnige feit verklaarbaar, dat bij de hoogere en tegenwoordig het land bewonende Gewervelde Dieren, om andere klassen niet te vermelden, vele normale en abnormale levensprocessen hun loop voleindigen volgens perioden, die van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn. Een terugkeerende periode zou, eens verkregen zijnde, als zij bij benadering den juisten tijd duurde, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, niet aan verandering onderhevig zijn; bijgevolg zou zij dus overgaan gedurende een bijna onbeperkt aantal generaties. Indien deze gevolgtrekking kon worden bewezen steek te houden, zou zij merkwaardig zijn; want wij zouden dan zien, dat de tijd der zwangerschap van elk zoogdier en de tijd noodig voor het uitbroeden der eieren van elken vogel, en vele andere levensprocessen, nog het oorspronkelijke vaderland dezer dieren verrieden. (20) ↑
32 Deze Orde omvat de Herkauwende Dieren, de Anoplotheria, de Varkens en Hippopotamus (de gehoefde dieren met een even aantal vingers). ↑
33 Deze Orde omvat de Eenhoevigen, de Neushoorns, Tapiren, Palaeotheria, enz. (de gehoefde dieren met een oneven aantal vingers, met uitzondering der Olifantachtige Dieren). ↑
37 Men vindt Catarrhinae en Platyrrhinae in de Zoologische boeken meestal met ééne r gespeld. Volgens den stelligen regel der Grieksche taal moet echter de r in dergelijke samenstellingen, als er een korte klinker aan voorafgaat, worden verdubbeld. Eigenlijk zou men dus ook moeten schrijven Ornithorrhynchus, R. tichorrhinus enz. Wij hebben dit echter niet gedaan, daar die woorden slechts een enkele maal in dit werk voorkomen en in de soort- en geslachtnamen in de zoölogie en botanie toch allerwege de vreemdsoortigste samenstellingen en barbarismen worden aangetroffen. Bij de namen van de beide hoofdafdeelingen der apen die in dit werk en de aanteekeningen veelvuldig voorkomen en ten opzichte van het onderwerp van dit boek zoo gewichtig zijn, hebben wij gemeend ons aan den regel te moeten houden en de juiste spelling te moeten volgen. ↑
38 De quaestie van den tertiairen mensch kan men uitvoeriger besproken vinden in Dr. Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888. ↑
39 Prof. Kupffer te Kiel (zie o.a. „Entwicklungsgeschichte der Ascidien” in „Archiv. f. mikroskop. Anatomie”, Bd. VII) had destijds Kowalewski’s waarnemingen omtrent de stamverwantschap tusschen Zakpijpen en Gewervelde Dieren bevestigd en uitgebreid. Eveneens is zulks gedaan door Prof. A. Giard te Rijsel („Revue Scientifique”, 11 Juillet 1874, „Compt. Rend.”, 29 Juin 1874, blz. 1860), die bij sommige Ascidiënlarven (Molgula, Cynthia) uit [298]de chorda dorsalis ontspringende vinstralen waarnam. Ook Ussow verdedigde in „Archiv. für Naturgeschichte” 1875, blz. 1–8, de afstamming der Gewervelde Dieren van Ascidiën. ↑
41 „Centralblatt für die medic. Wissenschaften”, 1874, No. 35 en 52; „Die Stammesverwandtschaft der Wirbelthiere und Wirbellosen, Arbeiten des zoot. Instituts in Würzburg”, 1874, Bd. II, blz. 25. ↑
44 De verdere gevolgen van deze opneming, vooral met het oog op de verwantschappen met de Polyzoa (Mosdieren) en Gephyrea (Brugdieren, Sipunculaceeën) openen, gelijk R. Lankester opmerkt, een wijd veld voor de bespiegeling en daarvan uitgaand embryologisch en anatomisch onderzoek. De Gephyrea zijn van den anderen kant onmiskenbaar met Echinodermata (Holothuriën) verwant, en ook de larvevorm van een der Balanoglossus-soorten gelijkt op die der Echinodermata. Blijkt hieruit een zekere verwijderde genetische betrekking tusschen deze en de Vertebrata, waarop Lankester, gelijk wij later zullen zien, vrij sterk wijst, zoo bedenke men, dat ten slotte door de gastrula alle Metazoa verwant zijn, en het er hier meer om te doen is sommige stammen van ongewervelden uit dat algemeene verband los te maken en hun nauwere verwantschap met de gewervelden aan te toonen. ↑
45 Operculum is de naam dien Agassiz geeft aan het toestel dat de kieuwen der visschen beschermt. Het wezenlijke kieuwdeksel wordt gesteund door vier beenplaten: het operculum, het prae-, sub- en interoperculum; het kieuwdekselvlies door beenstralen. ↑
46 Van epi, op, en pleura, zijde, dus zijdelingsche plooi. De epipleurale plooi, bij den jongen Amphioxus nog afwezig, ontstaat als parig orgaan langs de voorste helft ter weêrszijden van het lichaam, en groeit benedenwaarts. Zij vormt zijdelingsche overkappingen van de mondopening, alsmede een bedekking van de talrijke kieuwspleten, en haar beide deelen groeien in de mediaanlijn aan de buikzijde te zamen tot ééne onparige plooi, behalve op één punt, dat tot den porus branchialis wordt. ↑
47 De in de laatste uitgaaf (1889) der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” daarin aangebrachte veranderingen zullen wij in noten aangeven. ↑
48 Tot staving dezer meening voert Haeckel aan, dat de scheikundigen tal van organische verbindingen uit anorganische stoffen door zuivere synthese hebben gevormd, dat zulks derhalve ook in de natuur onder den invloed der anorganische natuurkrachten heeft kunnen geschieden, en dat op die wijze vormlooze klompjes eiwitachtige stof of Moneren kunnen zijn gevormd. Wij brengen hiertegen in, dat een vormloos klompje eiwit nog geen Moneer is. Een vormloos klompje eiwit, door synthese gevormd, zou zich niet voeden, bewegen en voortplanten, gelijk de Moneren volgens Haeckel doen; het zou, aan zich zelf overgelaten, verrotten en te gronde gaan. Ook komt het ons voor, dat de bekende proeven van Pasteur krachtig tegen het bestaan van de generatio spontanea, ten minste van wezens als de voor ons waarneembare, pleiten; wel is waar merkt Haeckel op, dat deze proeven betrekking hebben op de spontane vorming van organismen in vloeistoffen die organische stoffen bevatten (Plasmogenie), terwijl de door hem bedoelde generatio spontanea betrekking heeft op de vorming van organismen in anorganische vloeistoffen (Autogenie); maar wij meenen, dat wanneer zich niet eens spontaan organismen vormen in vloeistoffen die in overvloed de verbindingen bevatten, waaruit organismen bestaan, het al zeer onwaarschijnlijk is, dat zij zullen ontstaan in vloeistoffen waarin die verbindingen ontbreken! Ook is protoplasma geenszins eenvoudig eiwit, maar een zeer samengesteld mengsel van een groot aantal organische verbindingen (zie „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 384). Daarenboven valt niet te betwijfelen, dat ook het protoplasma een zeer ingewikkelde organisatie en bepaalde organen bezit, en alleen de onvolkomenheid onzer hulpmiddelen belet ons die in al haar fijnheid te leeren kennen. (Vergelijk Prof. H. de Vries, „Intracellulaire Pangenesis”, Jena, 1889.)
De Moneren zelven houden wij niet voor zelfstandige wezens, daar niet het protoplasma, maar de kern het oorspronkelijkste deel van de cel schijnt te zijn (vergelijk onze aanteekening, blz. 194 en 195, Deel II, van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”) en de kern voor de voortplanting onmisbaar schijnt te zijn. Het protoplasma bezit, behalve de physische en chemische, ook historische eigenschappen, zonder welke de erfelijkheid onverklaarbaar is. Aan de morphologische deeltjes, die de dragers der erfelijke eigenschappen zijn, geeft de Vries, gelijk wij in een aanteekening in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” Deel II, blz. 464, hebben medegedeeld, den naam van pangenen. Zij zijn niet identiek met de physico-chemische moleculen, maar daaruit opgebouwd en in de kern der [315]cellen opgehoopt. Die kern is voor het leven der cel onmisbaar; gaat zij te gronde, dan sterft de cel weldra. Splitst men een cel zoo, dat de kern intact blijft, dan gaat het kernlooze deel spoedig te gronde. Wordt ook de kern bij het splitsen verdeeld, dan openbaart zich weldra in beide deelen het normale leven, de groei en de voortplanting! Het werkelijk bestaan van Haeckel’s Moneren, d.i. kernlooze naakte cellen, komt ons dus, zoowel tegenwoordig als in het verleden, hoogst onwaarschijnlijk voor. Zijn Bathybius is reeds gebleken geen levend wezen te zijn, maar slechts een neerslag van zwavelzure kalk in een fleschje waarin men andere organismen bewaarde, en ook het bestaan der andere Protamoeben komt ons zeer problematisch voor. De ontwikkelingstrap Moneren moet dus o.i. geheel vervallen. Wat ook ooit door Plasmogenie of Autogenie mag ontstaan, het kunnen onmogelijk Moneren of Amoeben zijn, maar hoogstens veel kleinere oorspronkelijke organische wezentjes, wier grootte ver beneden de grens van het door het sterkste microscoop zichtbare staat en die veel minder samengesteld van bouw en chemische constitutie zijn, dan de eenvoudigste ons bekende organismen. Die organische wezentjes zouden wellicht eeuwen noodig hebben, eer er zich vormen uit hadden ontwikkeld, met de moneren, bacillen enz. overeenkomstig, en groot genoeg om door ons met optische en andere hulpmiddelen te worden gezien en onderzocht. Zij zouden nog geen historische eigenschappen bezitten, maar die langzamerhand in den loop der generaties verkrijgen, naarmate zij in grootte toenamen en oorspronkelijk slechts de waarde van eenvoudige pangenen hebben. Een dergelijk denkbeeld is ook door Naegeli uitgesproken (vergelijk: Dr. Büchner, „Feiten en Theorieën”, bewerkt door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Amsterdam Warendorf, blz. 279–282, waar men ook uiteengezet zal vinden, waarom ook de kosmische hypothese, volgens welke de kiemen der organismen uit de wereldruimte of van andere hemellichamen tot ons zouden zijn gekomen, ons causaliteitsgevoel volkomen bevredigt). ↑
49 Van daar wordt in de 8ste uitgaaf van Haeckel’s „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, deze trap Moraeaden genoemd. ↑
50 Overeenkomende met den ontwikkelingstrap van het bevruchte ei, dien men Blastala noemt. Van daar heet deze trap in de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, Blastaeaden. ↑
51 De zevende en achtste trap worden dan ook in de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” vervangen door:
Zevende trap: Nemertinen of Snoerwormen.
Achtste trap: Enteropneusta of Eikelwormen (tot deze afdeeling behoort ook Balanoglossus).
Negende trap: Prochordonia of Oerchordadieren. De sedert lang uitgestorven gemeenschappelijke stamgroep der Manteldieren en Gewervelde Dieren.
De Schedelloozen of Acraniën worden nu de tiende trap enz. ↑
52 Tusschen dezen trap en den volgenden wordt in de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, nog ingelascht een nieuwe trap, die der Ganoïden of Emailvisschen. Deze groep, die eens zeer talrijk was, wordt in de levende schepping nog slechts door weinige vormen (Lepidosteus, Polypterus, Amia, Accipenser, waartoe de steur behoort, en Spatularia) vertegenwoordigd. Een andere, nauw met de Dipneusten verwante groep van visschen, de Crossopterygii, zou wellicht bestanddeelen van de groep rechtstreeksche voorouders van den mensch bevatten. De Dipneusten worden nu de veertiende trap. ↑
53 De dertiende, veertiende en vijftiende trap komen in de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, als vijftiende, zestiende en zeventiende trap voor onder nieuwe namen, namelijk:
Vijftiende trap: Stegocephalen of Amphibieën met blijvende kieuwen; onze oudste voorouders uit de klasse der Amphibieën zouden tot de Stegosauriërs hebben behoord, en waarschijnlijk uit de groepen der Archegosauriërs en Branchiosauriërs.
Zestiende trap: Salamandrinen of Gestaarte Amphibieën.
Zeventiende trap: Proreptiliën of Protamniën. Verwant met de fossiele Protecosauriërs en de levende Hatteria.
Nu volgt een nieuwe
Achttiende trap: Zoogdier-reptielen of Theriosauriërs. Van deze groep zijn verschillende fossiele leden bekend.
De Stamzuigers of Promammaliën (boven de zestiende trap) worden thans de negentiende trap, zoodat er in het geheel vijf-en-twintig trappen (in plaats van twee-en-twintig) worden genoemd. ↑
54 Lang dacht men, dat zij tegenwoordig geheel tot Nieuw-Holland beperkt waren, wat voor Ornithorhynchus ook het geval schijnt te zijn. Van Echidna is echter tegenwoordig ook een op Nieuw-Guinea levende soort ontdekt. ↑
55 In de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” 1889, worden de Half-Apen of Prosimiën slechts als de voorouders der Lemuriden, der ware Apen en van den Mensch beschouwd. ↑
56 Merkwaardig is het, dat zij daarbij (ibid., blz. 148) de zelfde opmerking maakt, die ook Darwin is ingevallen, omtrent het zoogen der jongen door het mannetje: „Cependant il prend grand soin de sa progéniture: si la mère lui donne la naissance, le mâle contribue avec elle á la nourrir, car ses mammelles sont encore lactifères.”
Dr. E. Krause te Berlijn (Carus Sterne) komt in Humboldt, Juni 1888, blz. 236, met heftigheid op tegen de onderstelling dat bij de zoogdieren ooit de mannetjes de jongen zouden hebben gezoogd. „Met het zelfde recht”, zegt hij, „als men uit de tepels van den man besluit, dat zijn stamvorm de jongen mede heeft gezoogd, zou men uit zijn rudimentaire baarmoeder (de recula prostatica) kunnen besluiten, dat vroeger niet de vrouwen, maar de mannen de kinderen ter wereld hebben gebracht; want dit orgaan behoort geheel en al tot de zelfde categorie van organen die door overerving van de eene sekse op de andere zijn overgebracht, als de borstklieren.” ↑