A.
Aangezichtsbeenderen, oorzaken van de wijziging der —, 88.
Aanhangsels aan de spits van het achterlijf der insekten, 531.
Aanteekening, supplementaire, over seksueele teeltkeus bij de apen, II 306.
Aanwas, bedrag van den — der bevolking, 74;
beletsels die den — der bevolking tegengegaan hebben, 76, 77.
Aap, zijn oppasser tegen een baviaan beschermend, 187, 195;
muts—, 270;
seksueel verschil in kleur van den Rhesus—, II 283, 298;
kleuren van den knevel—, II 283.
Aardlijsters, zie Pittidae.
Aasgieren, zie Cathartes.
Abbott, C., II 226.
Abercrombie, Dr., over hersenziekten die invloed hebben op het spraakvermogen, 139.
Abiponen, huwelijksgebruiken der —, II 365.
Abou-Simbel, grotten van —, 332.
Acalles, sjirpen van —, 569.
Acanthodactylus capensis, seksueele kleurverschillen bij —, II 32.
Accentor modularis, II 187.
Acclimatisatie, zie Klimaat.
Achetidae, sjirpen van de —, 541, 545;
rudimentaire sjirporganen bij de wijfjes der —, 547.
Achterdocht bij dieren, 116.
Acilius sulcatus, dekschilden van het wijfje van —, 533.
Acomus, ontwikkeling der sporen bij de wijfjes van —, II 157.
Acridiidae, sjirpen van de —, 541;
rudimentaire sjirporganen bij de wijfjes van de —, 546.
Actiniae, schitterende kleuren der —, 512.
Adams, over de geestvermogens van Japansche boomkevers (Sitta), II 103.
Adams (A. Leith), over het verband tusschen de kleur van vogels en hun vrijage, II 116.
Adder, verschil in de seksen van de —, II 26.
Adelaar, zie Arend.
Adoptie van de jongen van andere dieren door vrouwelijke apen, 118.
Aeby, over de sterk uitgesproken verschillen tusschen de schedels van den mensch en van de apen, 268.
Aesthetisch gevoel, bij wilden weinig ontwikkeld, 145.
Afgetrokken denkbeelden, het vermogen om — te vormen, 132.
Afkeer dien vogels in gevangen staat jegens sommige personen toonen, II 105.
Afrika, waarschijnlijk het oorspronkelijke [402]vaderland van den mensch, 276;
bastaardbevolking van Zuid —, 338;
onveranderd blijven der kleur bij de Nederlanders in Zuid—, 362;
verhouding tusschen de seksen bij de kapellen in Zuid —, 488;
het tatoeëeren gebruikelijk bij sommige stammen in —, II 332;
kapsel der inboorlingen van Noord—, II 333.
Afstamming alleen in de moederlijke lijn nagegaan, II 353.
Afvoerende spier van het middelhandsbeen der pink, het voorkomen van een — bij den mensch, 71.
Afwijking, zie Variatie;
geneigdheid tot —, zie Variabiliteit.
Agassiz, L., over het geweten bij honden, 187;
over het samenvallen van de woonplaatsen van de verschillende menschenrassen met zoölogische gewesten, die door verschillende geslachten en soorten van zoogdieren worden bewoond,
333;
over het aantal menschensoorten, 339;
over de vrijage der longslakken, 514;
over de schitterende kleuren van mannelijke visschen gedurende den rijtijd, II 11;
over het uitsteeksel op het voorhoofd bij de mannetjes van Geophagus en Cichla, II 11, 12;
over het voorhoofduitsteeksel van het mannetje van Geophagus, II 18;
over seksueele kleurverschillen en de behandeling der eieren bij visschen, II 18;
over promotis en Hydrogomis, II 18;
over de geringe seksueele verschillen van de Zuid-Amerikanen, II 318;
over het tatoeëeren bij de Indianen van het Amazonengebied, II 335.
Agelaius phoeniceus, 455, II 111.
Ageronia feronia, geluid van —, 576.
Agrion, dimorphisme bij —, 550.
Agrion Ramburri, seksen van —, 549.
Agrionidae, seksueele verschillen bij de —, 550.
Agrotis exclamationis, 586.
Ailanthus-Zijdeworm, zie Bombyx cynthia.
Aino’s, behaardheid van de —, II 316.
Aithurus polytmus, jongen van —, II 207.
Alca turda, jongen van —, II 204.
Alces palmata, II 244.
Alder en Hancock, over Naaktkieuwige Weekdieren (Nudibranchia) of Zeeslakken, 515.
Algen, over het sjirpen van Scolytus, 565.
Alikruik, 514.
Alix, over de hersenen der apen, 395.
Alk, jongen van den —, II 204.
Allen, over kleurverschillen bij vogels, 455.
Allen, J. A., over de betrekkelijke grootte der seksen van Callorhinus ursinus, II 244;
over de manen van Otaria jubata, II 251;
over seksueele kleurverschillen bij vledermuizen, II 277;
over den invloed van het klimaat op de kleuren van vogels, II 120.
Allen, S., over de gewoonten van Hoplopterus, II 45, 46;
over de siervederen van reigers, II 80;
over de voorjaarsruiing van Herodias bubulcus, II 80.
Alligator, vrijage van het mannetje, 450, II 26;
brullen van het mannetje, II 26.
Alpenkraai, zie Corvus graculus.
Amadavat, strijdlustigheid van het mannetje, II 47.
Amadina castanotis, pronken van het mannetje van — met zijn gevederte, II 92.
Amadina Lathami, pronken van het mannetje van — met zijn gevederte, II 92.
Amazonengebied, kapellen van het —, 488;
visschen van het —, II 15.
Ambachten, invloed der — op den schedelvorm, 88.
Amenophis III, overeenkomst van zijn gelaat met dat van een neger, 332.
Amerika, verscheidenheid van schedelvorm bij de inboorlingen [403]van —, 52;
groote uitgestrektheid bewoond door de inboorlingen van —, 333;
gevechten om het bezit der vrouwen bij de Indianen van —, II 302;
begrippen der Indianen van — omtrent vrouwelijke schoonheid, II 319, 323.
Amerika, Noord—, veelwijverij van het paard in de Westelijke Staten van —, 446.
Amerika, Zuid—, Karakter van de inboorlingen van —, 331;
bevolking van sommige deelen van —, 338;
steenhoopen in—, 345;
uitgestorven fossiel paard in —, 360;
woestijnvogels in —, II 204;
gering seksueel verschil van de inboorlingen van —, II 318;
veelvuldigheid van kindermoord bij de inboorlingen van —, II 357.
Amerikaansche talen, dikwijls zeer kunstig en samengesteld, 142.
Amerikanen, oorspronkelijke, verre geographische verspreiding van de —, 332;
verschil tusschen negers en —, 367;
afkeer der — van haar op het gelaat, II 340.
Ammophila, bovenkaken van —, 532.
Ammotragus tragelaphus, behaarde voorpooten van —, II 273, 276.
Amphibieën, 288, II 21;
hun verwantschap met de ganoïde visschen, 280;
stemorganen der —, II 325.
Amphioxus, 281.
Amphipoda, seksueele rijpheid der mannetjes van de — op onvolwassen leeftijd, II 202.
Amuletten, door vrouwen gedragen, II 336.
Anas, 171.
Anas acuta, gevederte van het mannetje van —, II 80.
Anas boschas, gevederte van het mannetje van —, II 80.
Anas histrionica, II 202.
Anastomus oscitans, seksen en jongen van —, II 204;
witte bruilofsveêren van—, II 213.
Anatidae, stemmen der —, II 57.
Anax junius, verschil in de seksen van —, 549.
Andamaneilanders, gevoelig voor verandering van klimaat, 356.
Anderson (Dr.), over den staart van Macacus brunneus, 92;
over Bufo sikimmensis, II 23.
Andraena fulva, 552.
Angel-Saksers, waarde van den baard bij de —, II 341.
Annelida, 516.
Annulosa, 516.
Anobium tesselatum, geluiden voortgebracht door —, 569.
Anolis cristatellus, kam van het mannetje van —, II 29, 30;
strijdlustigheid van het mannetje van —, II 29;
keelzak van —, II 30.
Anser canadensis, II 112.
Anser cygnoïdes, II 110;
knobbels aan de basis van den snavel van —, II 124.
Anser hyperboreus, witheid van —, II 213.
Antennae, voorzien van haarkussens bij de mannetjes van Penthe, 533.
Anthidium manicatum, grootte der mannetjes van —, 537.
Anthocharis cardamines, 577, 581;
seksueel kleurverschil bij —, 596.
Anthocharis genutia, 581.
Anthocharis sara, 582.
Anthophora acervorum, grootte der mannetjes bij —, 537.
Anthophora retusa, verschil der seksen bij —, 552.
Anthus, ruiing bij —, II 79.
Anthropidae, 272.
Antigua, de opmerkingen van Dr. Nicholson betreffende de gele koorts in —, 365.
Antilocapra americana, horens van —, 466; II 230.
Antilope bezoarctica, gehoornde wijfjes bij —, II 231, 234;
seksueel kleurverschil bij —, II 279;
horens van —, II 234.
Antilope Dorcas en Euchore, II 230.
Antilope Euchore, horens van —, II 236.
Antilope, Koedoe —, II 240, 288. [404]
Antilope montana, rudimenten van hoektanden bij de jonge mannetjes van —, II 242.
Antilope met gevorkte horens, horens van de —, 466.
Antilope nigra, sing-sing, caama en gorgon, seksueel kleurverschil bij —, II 279.
Antilope oreas, horens van —, 466,
Antilope saiga, veelwijverij van —, 466.
Antilope strepsiceros, horens van —, 466.
Antilope subgutturosa, gemis van traanzakken of suborbitaal groeven bij —, II 271.
Antilopen, veelwijverij der —, 446;
horens der —, 456, II 231;
hoektanden van de mannetjes van sommige —, II 242;
gebruik der horens bij de —, II 236;
haarkammen op den rug der —, II 273;
veranderen des winters van kleed bij twee soorten van —, II 288;
bijzondere kenteekenen van de —, II 288.
Anura, II 22.
Apatania muliebris, mannetje onbekend, 494.
Apathus, verschil der seksen bij —, 552.
Apatura Iris, 577.
Apature, 612.
Apen, vatbaarheid der — voor de zelfde ziekten als de mensch, 13;
herkenning van vrouwen door mannelijke —, 14;
wraak genomen door —, 116;
moederlijke liefde der —, 117;
variabiliteit van het vermogen der oplettendheid bij —, 118;
het gebruik van steenen en stokken door —,131;
nabootsend vermogen der —, 137;
signaalkreten der —, 138;
schildwachten door — uitgezet, 184;
verscheidenheid van de geestvermogens der —, 54;
onderlinge hulp der —, 183;
handen der —, 81, 82;
het breken van harde vruchten met steenen door de —, 81;
de eerste staartsegmenten der — geheel in het lichaam omsloten, 91;
menschelijke kenmerken van —, 268;
trapsgewijze overgangen der soorten bij —, 340;
maaksel en ontwikkeling hunner hersenen in verband met die van den mensch, 389;
baarden der —, II 275;
tot versiering dienende kenmerken der —, II 295;
overeenkomst der seksueele verschillen der — met die van den mensch, II 314;
verschillende trappen van verschil bij de seksen der —, II 318;
uitdrukking der aandoeningen door de —, II 328;
de — over het algemeen eenwijvig, II 355;
veelwijvige gewoonten van sommige —, II 355;
naakte plekken der —, II 369;
seksueele teeltkeus bij de —, II 306;
pronken met hun achterkwartier, II 307;
bewijs van redeneerend vermogen bij Amerikaansche —, 126;
richting van het haar op de armen van sommige Amerikaansche—, 270.
Apen, anthropomorphe, 274;
verschil tusschen de jonge en volwassene —, 15;
het bouwen van platte nesten door de —, 132;
Gratiolet over de rangschikking der —, 343;
over den half-rechtopgaanden gang van sommige —, 84;
gemis van tepelvormige uitsteeksels bij de —, 84;
invloed van de ontwikkeling der kauwspieren op den schedelvorm der —, 85;
de wijfjes der — niet voorzien van lange hondstanden, 96;
aandrift tot nabootsing bij de —, 239;
hondstanden der mannetjes van de —, II 227;
de wijfjes van sommige — minder behaard aan de ondervlakte van het lichaam, II 370.
Apen der nieuwe wereld, zie Platyrrhinae.
Apen der oude wereld, zie Catarrhinae.
Apen, langarmige —, hun wijze van beweging, 84.
Apis mellifica, grootte der mannetjes bij —, 537.
Apollo, Grieksche standbeelden van —, II 341. [405]
Aprosmictus scapulatus, II 166.
Aquila chrysaëtos, II 101.
Arabische vrouwen, zorgvuldig en bijzonder gekapt, II 343.
Arabieren, versiering der wangen en slapen met insnijdingen bij de —, II 332.
Arachnida, 525.
Arakhan, kunstmiddelen der bewoners van — om een glad voorhoofd te krijgen, II 342.
Arboricola, jongen van —, II 181.
Archaeopteryx, 280.
Arctiidae, kleur van de —, 583.
Ardea asha, rufescens en caerulea, verandering van kleur van —, II 215, 216.
Ardea caerulea, broeden op onvolwassen leeftijd van —, II 202.
Ardea gularis, verandering van gevederte bij —, II 216.
Ardea herodias, liefde-vertooningen van de mannetjes van —, II 63.
Ardea Ludoviciana, leeftijd waarop zij haar volkomen gevederte verkrijgt, II 201;
voortdurend groeien van kuif en gevederte bij de mannetjes van —, II 203.
Ardea nycticorax, geluid van —, II 49.
Ardeola, jongen van —, II 181.
Ardetta, verandering van het gevederte bij —, II 170.
Arend, een jonge Cercopithecus door den troep uit de klauwen van een — gered, 185.
Arenden, gouden —, nieuwe gezellen gevonden door —, II 101.
Arend, witkoppige —, broedt in onvolwassen gevederte, II 196.
Argenteuil, beenderen uit een dolmen te—, 29.
Argus-fazant, II 69, 93;
pronken met het gevederte door de mannetjes van den —, II 89;
— voor het wijfje pronkende, II 86;
oogvlekken bij den —, II 128, 135;
trapsgewijze overgang der eenvoudige vlekken in oogvlekken bij den —, II 136;
pronken van den —, II 87;
ocelli van den —, II 142.
Argyll, Hertog van —, het fatsoeneeren van werktuigen uitsluitend aan den mensch eigen,
131;
over den strijd tusschen goed en kwaad in den mensch, 213;
over de lichamelijke zwakheid van den mensch, 97;
over de eerste beschaving van den mensch, 257;
over het gevederte van het mannetje van den Argus-fazant, II 87;
over Urosticte benjamini, II 145;
over vogelnesten, II 160;
verscheidenheid een doel in de natuur, II 214.
Argynis aglaia, kleur van de ondervlakte der vleugels bij —, 584.
Aricoris epetus, seksueel verschil der vleugels bij —, 534.
Aristocratie, meerdere schoonheid bij de —, II 350.
Armen en handen, het vrij gebruik van — hangt indirect samen met vermindering in grootte der hondstanden, 85.
Armen, evenredigheid der — bij soldaten en zeelieden, 60;
richting van het haar op de —, 270.
Armpootigen, zie Brachiopoda.
Arthrozoa, 516.
Ascension, gekleurde korst op de rotsen van —, 515.
Ascidiae, 513;
prachtige kleuren van sommige —, 512;
verwantschap van de — met de slakprik, 280;
gelijkenis van de larven der — op de maskers van kikvorschen, 281.
Asinus, Aziatische en Afrikaansche soorten van —, II 294.
Asinus taeniopus, II 294.
Atavisme, 65;
misschien de oorzaak van sommige slechte neigingen, 250.
Ateles Beëlzebuth, ooren van —, 22.
Ateles, invloed van brandewijn op een —, 14;
gemis van den duim bij —, 82.
Ateles marginatus, kleur van de haarkraag om het gelaat bij het mannetje van —, II 296.
Ateuchus, sjirpend geluid van —,569.
Ateuchus cicatricosus, haar op het hoofd van —, 563.
Athalia, verhouding der seksen bij—, 493. [406]
Audouin, V., over een parasitisch vliesvleugelig insekt waarvan het mannetje de geboortecel nooit verlaat, 451;
over een hond die katten nabootste, 121.
Audubon, J. J., over de strijdlustigheid van mannelijke vogels, II 41, 47;
over Tetrao cupido, II 48;
over Ardea nycticorax, II 49;
over Sturnella ludoviciana, II 48;
over de stemorganen van Tetrao cupido, II 53;
over het slaan met de vleugels van het mannetje van Tetrao umbellus, II 58;
over geluiden door een nachtzwaluw voortgebracht, II 59;
over Ardea herodias, en Cathartes jota, II 63, 65;
over de verandering van kleur van sommige vinken in de lente, II 81;
over Agelaius phoeniceus, Cathartes aura en Anser Canadensis, II 111;
over den kalkoen, II 114, 110;
over de afwijking bij het mannetje van den scharlakenrooden tanager, II 121;
over de gewoonten van Pyranga aestiva, II 160;
over locale verschillen in de nesten van sommige vogelsoorten, II 164;
over de gewoonten der spechten, II 167;
over Bombycilla carolinensis, II 171;
over jonge wijfjes van Tanagra aestiva, die de kenmerken van mannetjes verkrijgen, II 171;
over het onvolwassen gevederte der lijsters, II 177;
over het onvolwassen gevederte der vogels, II 178 v.v.;
over vogels die met onvolwassen gevederte broeien, II 201;
over den groei van de kuif en de vederen bij het mannetje van Ardea Ludoviciana, II 201;
over de verandering van kleur bij sommige soorten van Ardea, II 215;
over de spiegelvlek van Mergus cucullatus, 468;
over de muskusrat, II 286;
over trekganzen, 189.
Audubon en Bachman, over de gevechten der eekhoorns, II 225;
over den Canadaschen lynx, II 251.
Auerhaan, zie Auerhoen.
Auerhoen, verhouding der seksen bij het —, 484;
strijdlustigheid van het mannetje, II 43;
paring van het —, II 47, 48;
herfstbijeenkomsten van het —, II 52;
het roepen van het —, II 57;
duur van de vrijage van het —, II 97;
gedrag van het wijfje, II 116;
gevaarlijkheid van de zwarte kleur voor het wijfje, II 149;
seksueel kleurverschil bij het —, II 211;
karmozijnen vel boven de oogen bij het mannetje, II 212.
Aughey (Prof.), over ratelslangen, II 29.
Austen, N. L., over Anolis cristatellus, II 29, 30.
Australië, bastaarden door de inboorlingen van — gedood, 334;
luizen der inboorlingen van —, 334;
— is niet het oorspronkelijk vaderland van ’t menschelijk geslacht, 276;
veelvuldigheid van kindermoord in —, II 358.
Australië, Zuid —, verscheidenheid van schedelvorm bij de inboorlingen van —, 52.
Australiërs, kleur van de pasgeboren kinderen der —, II 314;
verschil in schedelvorm bij de seksen der —, II 314;
verschil in lengte tusschen de seksen der —, II 316;
vrouwen de oorzaak van oorlog onder de —, II 318.
Australische muskuseend, zie Biziura lobata.
Axis-hert, seksueel verschil in kleur bij het —, II 280.
Aymara’s, metingen van de —, 62;
geene grijze haren bij de —, II 317;
baardeloosheid van het gelaat bij de —, II 317;
lange haren bij de —, II 339.
Azara, over de verhouding tusschen mannen en vrouwen onder de Guarani’s, 478;
over Palamedea cornuta, II 45;
over de baarden der Guarani’s, II 317;
over den strijd om vrouwen bij de Guana’s, II 318;
over kindermoord, II 336, 357;
over het uittrekken der wenkbrauwen en oogharen bij de Indianen van Paraguay, II 340;
veelmannerij [407]onder de Guana’s, II 359;
de ongehuwde staat bij de wilden van Zuid-Amerika onbekend, II 360;
vrijheid tot echtscheiding bij de Charrua’s, II 365.
B.
Baard, ontwikkeling van den — bij den mensch, II 313;
overeenkomst van den — bij menschen en vierhandige zoogdieren, II 314;
verschillen in de ontwikkeling van den — bij verschillende menschenrassen, II 316;
hoogschatting van den — bij gebaarde volken, II 341;
waarschijnlijke oorsprong van den —, II 371.