Strijdlustigheid van mannelijke vogels met fraaie vederen, II 90.

St. John, de heer, over de onderlinge gehechtheid van gepaarde vogels, II 104.

St. Kilda, baarden der bewoners van —, II 316.

Sturnella ludoviciana, strijdlustigheid van het mannetje van —, II 48.

Sturnus vulgaris, II 101.

Sulivan, Sir B. J., over het aanvallen van twee hengsten door een derden, 226.

Sumatra, platdrukken van den neus bij de Maleiers van —, II 343.

Sumner, Aartsbisschop, de mensch alleen vatbaar voor trapsgewijze ontwikkeling, 128.

Swaysland, de heer, over het aankomen der trekvogels, 441.

Swinhoe, R., over de gewone rat op Formosa en in China, 129;
over de geluiden van den mannelijken hop, II 59;
over Dicrurus macrocercus en den lepelaar, II 170;
over de jongen van Ardeola, II 181;
over de gewoonten van Turnix, II 192;
over de gewoonten van Rhynchaea bengalensis, II 192;
over het broeden van Oriolus in onvolwassen gevederte, II 202, 203.

Sylvia atricapilla, jongen van —, II 206.

Sylvia cinerea, liefdedans van het mannetje van — in de lucht, II 65.

Sypheotides auritus, puntig toeloopende slagpennen van het mannetje van —, II 61;
vederbossen aan de ooren van —, II 70.

Sijsje, II 81; het paren van een — met een kanarievogel, II 111.

T.

Taal, ingewikkelde bouw der — bij vele wilde volken, 142;
natuurkeus in de —, 141;
gebaren—, 344;
oorspronkelijke —, 346;
de — van een verloren geganen stam door een papegaai bewaard, 348.

Tabanidae, gewoonten van de —, 435.

Tadorna variegata, seksen en jongen van —, II 195.

Tadorna vulpanser, II 110.

Tait, Lawson, over den invloed der natuurlijke teeltkeus op beschaafde volken, 245.

Talen, aanwezigheid van rudimenten in de —, 141;
klassificatie der —, 141;
veranderlijkheid der —, 142;
kruising en vereeniging der —, 142;
de ingewikkelde bouw der — geen bewijs voor een bijzondere schepping van den mensch, 142;
de overeenkomst van twee — een bewijs voor gemeenschappelijken oorsprong, 142.

Talen en soorten, overeenkomst van de bewijzen voor trapsgewijze ontwikkeling van —, 141.

Tanager, scharlakenroode, een afwijking (variatie) bij het mannetje van den —, II 121.

Tanagra aestiva, II 171;
leeftijd voor het volwassen gevederte bij —, II 200.

Tanagra rubra, II 121;
jongen van —, II 206.

Tanais, gemis van een mond bij de mannetjes van sommige soorten van —, 435;
zeldzaamheid der mannetjes bij —, 495;
dimorphisme der mannetjes bij een soort van —, 517.

Tandelooze Dieren, zie Edentata.

Tanden, rudimentaire snij— der herkauwende dieren, 18;
achterste maal— bij den mensch, 27;
verschil [477]in de —, 53;
honds— bij de vroegere voorouders van den mensch, 283;
honds— van mannelijke zoogdieren, 227;
— bij den mensch verkleind door correlatie, II 319;
verven der —, II 332;
de voorste — door sommige wilden uitgestooten of gevijld, II 333.

Tankerville, Lord, over de gevechten van wilde stieren, 226.

Tanysiptera, soorten van — bepaald uit de volwassen mannetjes, II 181.

Tanysiptera sylvia, lange staartvederen van —, II 158.

Taphroderes distortus, vergroote linker bovenkaak van het mannetje van —, 534.

Tapiers, overlangsche strepen van jonge —, II 176, 293.

Tapuit, roodborst—, zie Saxicola rupicola.

Tarsi, uitzetting der — van de voorpooten bij de mannetjes van vele kevers, 532.

Tarsius, 277.

Tasmaniërs, hun uitsterven, 351.

Tatoeëeren, 344;
algemeen in gebruik, II 332.

Taylor, G., over Quiscalus major, 485.

Teebay, de heer, over veranderingen in het gevederte van gevlekte Hamburger hoenders, 460.

Teekeningen, bij sommige soorten van vogels bewaard gebleven, II 126.

Teeltkeus bij den mensch, nadeelige gevolgen van —, 246.

Teeltkeus, dubbele, 455.

Teeltkeus, natuurlijke, invloed der — op de vroege voorouders van den mensch, 78;
invloed der — op den mensch, 94;
beperking van het beginsel der —, 94;
invloed der — op sociale dieren, 96;
de heer Wallace, over de beperking der — door den invloed der verstandelijke vermogens bij den mensch, 238;
invloed der — op den vooruitgang in de Vereenigde Staten, 255.

Teeltkeus, seksueele, 434;
invloed der — op de kleur van Lepidoptera, 591;
verklaring der —, 436, 440, 449;
— der vlinders, 612;
werking der — bij den mensch, II 361;
— de oorzaak van de geluiden der visschen, II 21;
— bij de apen, II 307.

Teeltkeus, seksueele en natuurlijke — vergeleken, 457.

Teeltkeus, stelselmatige — van de Pruisische grenadiers, 55.

Teen, zie Toon.

Tegetmeier, de heer, over de overmaat van mannetjes bij de duiven, 483;
over den kam en de kwabben der strijdhanen, II 94;
over de vrijage van het pluimgedierte, II 112;
over geverfde duiven, II 114;
over het verwerpen van sommige stoffen door duiven, II 113;
over seksueel beperkte erfelijkheid van de kleur bij duiven, II 152.

Temperatuursverschillen tusschen de beide seksen, 454.

Tenebrionidae, gesjirp van de —, 564.

Tennent, Sir J. E., over de tanden van den olifant van Ceylon, II 234, 243;
over het dikwijls ontbreken van een baard bij de inboorlingen van Ceylon, II 316;
over het oordeel der Chineezen aangaande het voorkomen der Singaleezen, II 337;
over bedrog, gepleegd door vrouwelijke olifanten, 116.

Tennyson, A., toezicht op de gedachten, 211.

Tenthredinidae, verhouding der seksen van de —, 493;
het vechten der —, 551;
verschil der seksen van de —, 552.

Tepels, rudimentaire — bij mannelijke zoogdieren, 18, 31, 283, 284, 286;
overtallige — bij vrouwen, 55;
de — bij de mannelijke sekse van den mensch, 73;
gemis der — bij de snaveldieren, 285;
ontwikkeling der — bij de zoogdieren, 285.

Tepelvormige uitsteeksels bij menschen en apen, 84. [478]

Tephrodornis, jongen van —, II 181.

Terai, 349.

Tering, vatbaarheid van Cebus Azarae voor —, 13;
verband tusschen de gelaatskleur en den aanleg tot —, 364.

Termieten, gewoonten der —, 551.

Testudo nigra, II 25.

Tetrao cupido, gevechten van —, II 48;
seksueel verschil in de stemorganen van —, II 53;
— voor het wijfje pronkende, II 67.

Tetrao phasianellus, dansen van —, II 63;
duur der dansen van —, II 97.

Tetrao Scoticus, II 163, 177, 185.

Tetrao tetrix, II 163, 177, 185;
strijdlustigheid van het mannetje van —, II 43.

Tetrao umbellus, het paren van —, II 47;
gevechten van —, II 48;
trommelend geluid van het mannetje van —, II 58.

Tetrao urogalloides, dansen van —, II 97.

Tetrao urogallus, II 97;
strijdlustigheid van het mannetje van —, II 43.

Tetrao urophasianus, opblazen van den slokdarm bij het mannetje van —, II 54.

Thamnobia, jongen van —, II 181.

Thaumalea picta, pronken met het gevederte door het mannetje van —, II 84.

Thecla, seksueel kleurverschil bij de soorten van —, 579;
kleuren van —, 589.

Thecla rubi, beschermende kleur van —, 581.

Thecophora fovea, 576.

Thee, apen zeer verzot op —, 13.

Theognis, over seksueele teeltkeus, 56.

Theridion, 525;
gesjirp der mannetjes van —, 527.

Theridion lineatum, veranderlijkheid van —, 526.

Thomisus citreus en T. floricolens, kleurverschil bij de seksen van —, 525.

Thompson, J. H., over de gevechten van cachelotten, II 226.

Thompson, W., over de kleur van Salmo umbla in den rijtijd, II 12;
over de strijdlustigheid van de mannetjes van Gallinula chloropus, II 39;
over het vinden van nieuwe gezellen door eksters, II 99;
over het vinden van nieuwe gezellen door Falco peregrinus, II 100.

Thorax, uitsteeksels van den — bij mannelijke kevers, 556.

Thorell, T., over de verhouding der seksen bij spinnen, 495.

Thug, leedwezen van een —, 204.

Thury, de heer, over de getalsverhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten bij de Joden, 477.

Thylacinus, broedzak bij het mannetje van —, 284.

Thysanura, 537.

Tibia der Aymara Indianen, 62.

Tibia, uitgezette — bij de mannelijke Crabro cribrarius, 533.

Tillus elongatus, verschil van kleur bij de seksen van —, 556.

Tipula, strijdlustigheid van het mannetje van —, 538.

Toda’s, nauw met elkander verwant, 357;
kindermoord bij de —, 496.

Toenadering, zie Convergentie.

Tomicus villosus, verhouding der seksen bij —, 493.

Tonga-eilanden, baardeloosheid van de inboorlingen der —, II 317, 341.

Tooke, Horne, over de spraak, 136.

Toon, de groote — in het menschelijk embryo, 17.

Toorn, woedende — getoond door dieren, 116.

Torenvalk, zie Falco Tinnunculus.

Torenvalken, nieuwe gezellen door — gevonden, II 100.

Torren, zie Coleoptera.

Tortelduif, kirren van de —, II 57.

Totanus, dubbele ruiing bij —, II 77, 78.

Toucans, kleuren en nestbouw der —, II 163;
snavel van de —, II 213.

Toynbee, J., over de oorschelp van den mensch, 21. [479]

Trachea, zie Luchtpijp.

Traanzakken van de Herkauwende Dieren, II 271.

Tragelaphus, seksueel verschil in kleur bij —, II 279.

Tragelaphus scriptus, rugkam van —, II 272;
strepen van —, II 288, 289.

Tragopan, 448;
opzwellen der vleeschlappen bij het mannetje gedurende den paartijd, II 68;
pronken met het gevederte door den —, II 86;
kenteekenen van de seksen van den —, II 128.

Tragops dispar, seksueel verschil in kleur bij —, II 26.

Trapgans, keelzak van het mannetje van de —, II 56;
gonzend geluid van een mannetje van de —, II 61;
vederbossen aan de ooren van een Indische —, II 70.

Trapganzen, aanwezigheid van seksueele verschillen en veelwijverij bij de —, 448;
liefdevertooningen van de mannetjes der —, II 65;
dubbele ruiing der —, II 79, 80.

Trapkwartel, Australische —, II 190.

Trapsgewijze overgangen van secundaire seksueele kenmerken, II 129.

Trekinstinkt der vogels, 189;
het — sterker dan het moederlijk instinkt, 192, 199.

Treklijster, zie Turdus migratorius.

Tremex columbae, 552.

Treureend, seksueel verschil in kleur bij de zwarte —, II 211;
levendig gekleurde snavel van de —, II 212.

Trichius, kleurverschil bij de seksen van een soort van —, 556.

Trigla, geluid van —, II 20.

Trimen, R., over de verhouding der seksen bij Zuid-Afrikaansche vlinders, 488;
over het lokken der mannetjes door de wijfjes van Lasiocampa quercus, 449;
over Pneumora, 546;
over verschil in kleur bij de seksen van kevers, 556;
over fraai gekleurde nachtvlinders, 585;
over nabootsing bij vlinders, 598;
over Gynanisa Isis en de oogvlekken van Lepidoptera, II 126;
over Cyllo Leda, II 127;
over de „mimickry” bij vlinders, 598.

Tringa, seksen van —, II 203.

Tringa canutus, II 78.

Triphaena, kleur der soorten van —, 583.

Tristram, H. B., over ongezonde streken in Noord-Amerika, 364;
over de gewoonten van den vink in Palestina, 485;
over de vogels van de Sahara, II 164;
over de dieren die de Sahara bewonen, II 209.

Triton cristatus, II 21.

Triton Palmipes, II 21.

Triton punctatus, II 21.

Troglodytes vulgaris, II 187.

Trogons, kleuren en nestbouw der —, II 163, 165.

Troskieuwige visschen, zie Lophobranchii.

Trox sabulosus, gesjirp van —, 566.

Tuimelaar, Almond—, verandering in het gevederte bij den —, 470.

Tulloch, Majoor, over het vrijblijven der negers van sommige koortsen, 363.

Turdus polyglottus, jongen van —, II 206.

Turdus merula, II 163;
jongen van —, II 206.

Turdus migratorius, II 176.

Turdus musicus, II 163.

Turdus torquatus, II 163.

Turner, Prof. W., over spierbundels die tot het stelsel van den panniculus kunnen worden gebracht, 19;
over de aanwezigheid van het foramen supra-condyloïdeum in het opperarmbeen van den mensch, 29;
over spieren die aan het koekoeksbeen gehecht zijn, 30;
over het filum terminale bij den mensch, 30;
over afwijkingen in het spierstelsel, 53;
over abnormale toestanden van de menschelijke baarmoeder, 67;
over de ontwikkeling der melkafscheidende klieren, 285;
over het uitbroeien van eieren in den bek van mannelijke visschen, 286;
over de fissura perpendicularis [480]externa van Gratiolet, 391;
over de hersenen van den chimpanzee, 391.

Turnix, seksen van sommige soorten van —, II 190, 196.

Tuttle, H., over het aantal menschenrassen, 339.

Tweehandigen, zie Bimana.

Tweelingen, de aanleg om — voort te brengen erfelijk, 75.

Tweevleugelige Insekten, zie Diptera.

Tijdperken, ontwikkeling en duur van ziekten, volgens — die van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn, 14, 288.

Tijger, kleur en strepen van den —, II 290.

Tijgers, ontvolking van districten door —, 76.

Tylor, E. B., over de kreten en gebaren enz. van den mensch om gevoelens uit te drukken, 135;
over den oorsprong van het geloof aan geestelijke krachten, 146;
over den vroegeren wilden staat van beschaafde volken, 257;
over den oorsprong van de telkunst, 258;
over de overeenkomst der geestvermogens bij verschillende menschenrassen, 344;
over bloedschande bij wilden, 201.

Type, de — van den stamvorm waaruit een organisme zich ontwikkelde blijft behouden, 287.

Typhaeus, sjirporganen van —, 564;
sjirpen van —, 566.

U.

Uilen, zie Noctuïdae.

Uitdrukking, overeenkomst van — bij menschen en apen, 269.

Uitsterven, oorzaken van het — van rassen, 350.

Uitwassen op den kop van vogels, 467, II 69.

Umbrina, geluiden van —, II 20.

Upupa epops, geluiden van het mannetje van —, II 59.

Uraniidae, kleur der —, 583.

Uria lacrimans, II 122.

Uria troile, over een verscheidenheid van —, II 122.

Urodela, II 21.

Urosticte benjamini, seksueele verschillen bij —, II 144.

V.

Vaccinatie, zie Koepokinenting.

Vaderland, oorspronkelijk — van den mensch, 276.

Vadsigheid van den mensch bij gemakkelijke levensvoorwaarden, 257.

Vallen, vermeden door dieren, 128;
gebruik van —, 79.

Vancouver’s eiland, de heer Sproat over de wilden van —, 350;
uittrekken der haren op het gelaat door inboorlingen van —, II 340.

Vanellus cristatus, knobbel op den vleugelschouder van den mannelijken —, II 45.

Vanessae, 577;
gelijkenis der ondervlakte van — op de schors der boomen, 580.

Variabiliteit, oorzaken der —, 54;
de — bij den mensch overeenkomstig met die van lagere dieren, 54;
— der menschenrassen, 339;
— grooter bij mannen dan bij vrouwen, 454;
tijdperk der betrekking tusschen de — en de natuurlijke teeltkeus, 474;
— der vogels, II 119;
— der secundaire seksueele kenmerken bij den mensch, II 316.

Variatie, door correlatie, 73;
wetten van —, 56;
— bij den mensch, 264;
analoge —, 272;
analoge — in het gevederte der vogels, II 69.

Varken, Afrikaansch breedsnuitig —, II 249.

Varkens, oorsprong van de verbeterde — rassen, 343;
getalsverhouding der seksen bij de —, 482;
strepen der jongen van de —, II 176, 291;
seksueele voorkeur door — getoond, II 255.

Vauréal, menschenbeenderen van—, 29.

Veddahs, eenwijvig, II 357. [481]

Vederen, geluid voortgebracht door gewijzigde —, II 59 vv., 157;
verlengde — bij mannelijke vogels, II 69;
raketvormige —, II 70;
de vlag der — niet aanwezig of draadachtig bij sommige vogels, II 69;
afwerpen van de randen der —, II 80.

Veelmannerij, zie Polyandrie.

Veelwijverij, zie Polygamie.

Veitch, de heer, over den afkeer der Japansche dames van bakkebaarden, II 340.

Veldkrekel, zie Gryllus campestris.

Veldslaven, verschil van — en huisslaven, 367.

Veldsprinkhanen, gesjirp der —, 545.

Venkelvlinder, 581.

Venus Erycina, priesteressen van —, II 351.

Verandering, zie Variatie.

Veranderlijkheid, zie Variabiliteit.

Verbeeldingskracht, bestaan van — bij de dieren, 122.

Verbuiging, oorsprong van de —, 142.

Verdedigingsmiddelen der zoogdieren, II 247.

Vereeniging, nut voor de — van het bewaard blijven van wijzigingen door natuurlijke teeltkeus, 96.

Vereenigde Staten, aanwas der bevolking in de —, 74;
invloed der natuurlijke teeltkeus op den vooruitgang der —, 255;
verandering der Europeanen in de — ondergaan, 367.

Vergift, het vermijden van — door de dieren, 128;
verband tusschen de kleur der huid en het beveiligd zijn voor de werking van —, 363.

Vergiftige vruchten en kruiden door de dieren vermeden, 113.

Vergelijking van de ontwikkeling van soorten en talen, 141.

Verhoudingen, verschil in de — bij verschillende rassen, 331.

Verhuizen, 249.

Verhuizingen van den mensch, invloed van de —, 78.

Verkoudheid, vatbaarheid van Cebus Azarae voor —, 13.

Verminkingen, erfelijkheid van —, II 372.

Vermes, 516,

Vermogens, verschil der geest— bij de individu’s van de zelfde soort, 112;
verscheidenheid der geest— bij het zelfde menschenras, 54;
erfelijkheid der geest—, 54;
verscheidenheid van geest— bij de dieren van de zelfde soort, 54;
sociale —, 240;
geest— der vogels, II 113.

Verraad, door de wilden niet jegens makkers gepleegd, 196.

Verreaux, M., over het lokken van talrijke mannetjes door het wijfje van een Australische Bombyx, 491.

Verscheidenheid, doel en oogmerk in de natuur, II 215.

Verscheidenheden, gemis van — tusschen twee soorten een bewijs, dat het twee afzonderlijke soorten zijn, 329.

Verscheurende Dieren, zie Carnivora.

Verschillen, betrekkelijke — tusschen verschillende soorten van vogels van de zelfde sekse, II 183.

Versiering, bij vogels, II 68;
gelijke overplanting van tot — dienende kenmerken op beide seksen bij zoogdieren, II 286;
tot — dienende kenmerken van apen, II 295.

Versierselen, ver verbreide —, 345;
smaak der wilden voor —, II 332;
van mannelijke vogels, II 48.