VOETNOTEN.
[1] Plavuizen zijn roode of grijze baksteenen, die gebruikt worden om een gemetselden vloer te maken.
[2] Aanboord der schepen houdt men aldus wacht. De wacht van 8 uur des avonds tot middernacht heet eerste wacht. Dan volgt de hondenwacht, die duurt van middernacht tot des morgens 4 uren. — De wacht van 4 tot 8 uren heet dagwacht, die van 8 tot 12 uren voormiddagwacht, die van 12 tot 4 uren namiddagwacht, en eindelijk, die van 4 tot 8 uren platvoetwacht.
[3] Een oorlam is het rantsoen van jenever, dat op vele Nederlandsche schepen de matrozen iederen dag krijgen.
[4] Onvermeuge menschen = onmachtige menschen.
[5] Schapperae. Dit is een verouderd woord, dat nog wel in Vlaanderen gebruikt wordt. Men bedoelt er eene spijskast mede en zegt schapraai of schaprade.
[6] Aanboord van een schip wordt de Kapitein door de bemanning meestal „Ouwe” genoemd.
[7] De boegspriets-oven of het boegsprietspoor zijn twee staande stukken hout, die het ondereinde van den boegspriet steunen.
[8] Aanboord van een koopvaardijschip is ieder Officier, die eenige betrekking bekleedt.
[9] Orang = mensch; daging = vleesch; babi = spek of varken—dus zooveel als spekmensch.
[10] Over het algemeen zijn de zeelieden nog al bijgeloovig, en vooral in vroegeren tijd waren zij het nog veel meer dan tegenwoordig. Dat men door gefluit den wind lokken kon, werd algemeen geloofd. Later zullen u nog meer staaltjes van bijgeloof medegedeeld worden, doch ik vertrouw, dat ge zoo verstandig zult zijn, er geen geloof aan te hechten.
[11] Leggers zijn geteerde watervaten.
[12] Met het „volk achter” bedoelt men aanboord der schepen den Kapitein, zijne Officieren en passagiers eerste klasse. Met het „volk voor” worden de ondergeschikten bedoeld.
[13] Duivelsdrek is een soort van hars, dat in de apotheken gevonden wordt. Het verspreidt een’ zeer onaangenamen geur.
[14] Bacchus was bij de oude Grieken de God van den wijn.
[15] Een rendez-vous is een afgesproken plaats van bijeenkomst.
[16] Waarloos hout heet men aanboord der schepen alle houten voorwerpen, die ingescheept worden om op reis, als het noodig is, andere van dezelfde soort te vervangen.
[17] Een karveel was een Portugeesch vaartuig van middelbare grootte, dat met driehoekige zeilen getuigd was. Deze zeilen heetten latijnzeilen, omdat ze in gebruik waren bij de volken, die de kusten der Middellandsche Zee bewoonden. Men noemt die volken ook wel eens de Latijnsche volken. Waar we nu wat verder van Latijnsche tuigage spreken, zullen onze lezers wel weten, wat daarmede bedoeld wordt.
[18] Toewan besaar = Groote Heer. Het is de naam waarmede de Javaan den Gouverneur-Generaal aanspreekt. Toewan is heer en besaar is groot.
[19] Kadraaiers zijn reê- of kustwinkeliers. Wanneer een schip, dat blijkbaar eene groote reis achter zich heeft, ter reede van de eene of andere zeehaven komt, begeven deze winkeliers zich met allerlei eet- en drinkwaren of ververschingen naar het schip om aan het volk hunne waren te verkoopen.
[20] Men zegt dat de Chineezen den oppersten van hunne booze geesten „Joosje” noemen. Onder dien naam noemen wij ook wel eens spottenderwijze den duivel.
[21] Een amok-maker is een inboorling onzer Koloniën, die door zware koorts in het hoofd, uit wraakzucht, die tot razernij overslaat, of door het misbruik maken van opium, nog veel afschuwelijker dan het gebruik van jenever, dol geworden en bijna even bloeddorstig als een tijger geworden is. Onder het geroep van „Amok! Amok!” dat de menschen, die hem nazetten, onophoudelijk roepen, loopt hij dan langs straat en veld en doodt wien hij dooden kan. Als men zulk een’ amok-maker gevangen heeft, wordt hij meestal ook als een wild dier afgemaakt.
[22] Natuurlijk wordt met ’13 het jaar 1613 bedoeld. Ook wij laten in het dagelijksche leven dikwijls het woord achttienhonderd weg.
[23] Tegenwoordig begint men, vooral op de Schotsche kusten den haring reeds in Mei te vangen, doch in vroegere jaren bestond er eene bepaling waaraan de haringvisschers van alle landen de hand hielden, en die tot lang in deze eeuw stand hield, dat men geen haring mocht vangen vóór den 25sten Juni en na den 1sten Januari. Men deed dit om deze visschen niet uit te roeien. Wanneer ge nu weet, dat men den 24sten Juni in de R. K. kerk het feest van Sint-Jan viert, dan begrijpt ge wel, dat de uitdrukking: „haring vóór St.-Jan roepen”, zooveel beteekent als „voor zijne beurt spreken.” Een ander spreekwoord: „schreeuwen vóór men geslagen wordt” beduidt ongeveer hetzelfde.
[24] Het doet me werkelijk genoegen hier eene fout te herstellen, die ik in de beide vorige drukken van dit verhaal beging. Ik stelde daarin de Amboineezen als lafaards voor, of althans als mannen, die in het geheel niet te vertrouwen waren. Zij, die in de Oost en met onze troepen daar bekend zijn, lichtten mij beter in. De Amboineezen zijn uitnemende soldaten, trouw, dapper en volhardend. De Regeering erkende dat ook en waar de Javaansche en Boegineesche soldaten altijd blootsvoets loopen, als bijna alle Javanen uit de mindere klassen, daar mogen de Amboineesche of Ambonneesche soldaten, ter onderscheiding van al de anderen, schoenen dragen. Ze zijn er dan ook niet weinig trotsch op.
Dat ik die fout begaan kon, was wel wat dom, want het is algemeen bekend, dat de Ambonneesche soldaten dapper en volhardend zijn. Maar om dit verhaal te schrijven raadpleegde ik zeer veel boeken en in een dezer vond ik, — het was de bekende Kapitein Schouten, die dit schreef: — „Zij waren van schrik beklemd wanneer zij Makassar hoorden noemen. Wij hadden eene compagnie van zulke helden op ons schip, waarvan de Kapitein te voren menigmaal gezwetst had, dat hij voorgenomen had geen pekelvleesch te nuttigen, voor hij van zijne bittere vijanden oogen en hersenen, over het vuur gebraden, gegeten had. Maar deze kloeke oorlogsheld nu ziende, dat het waarlijk op Makassar was gemunt, bezweek van schrik en toonde zich met al zijne helden uitnemend verslagen, niet anders denkende, dan dat zij gewis ter slachtbank van de wreede Makkassaren herwaarts waren gevoerd.”
Of Kapitein Schouten, wiens werken nog veel geraadpleegd worden, zich vergist heeft of, wat toch wel vreemd zou zijn, dat hij niets dan lafhartige Ambonneezen aan boord had, dat weet ik niet. Wel las ik in een werk van Gerlach, een’ man van onzen tijd, dat in 1853 bij de bestorming van het fort Laäla op Klein-Ceram, 1700 Amboineezen sneuvelden. Dit klinkt heel wat anders dan ze als lafaards voor te stellen.
[25] Een stoop was eene ouderwetsche vochtmaat, die omstreeks 2½ Liter inhoud had.
[26] Tampik soerak beteekent krijgsgeschreeuw en het ouderwetsche zingen, zelfs in de kerk, geleek vaak meer op geschreeuw dan op gezang, en het zeevolk vooral hield van „draaien” bij het zingen.
[27] Toen later die geteekende kaarten, nog verbeterd, in druk kwamen, waren deze zóó goed, dat de bekende Franschman Beautemps-Beaupré eenmaal tegen een onzer Zee-officieren ervan zeide: „Si la Hollande n’avait rien fait pour sa gloire, cela suffirait.” Dat is: „Indien Holland niets meer voor zijn’ roem gedaan had, het zou voldoende zijn!”
[28] Tanah-kéké of Toenah-kéké, bij verbastering ook wel Toenikik genoemd, beteekent: Afgescheurd land.
[29] Met „Mevrouw” sprak men in dien tijd alleen nog maar de echtgenoote van den Gouverneur-Generaal aan. Alle andere vrouwen van hooge ambtenaren der Compagnie heetten eenvoudig „Joffer” of „Juffer”.
[30] Joffer Cos kwam later te Batavia, waar Gouverneur-Generaal Johan Maetsuyker haar volgens belofte in bescherming nam, doch anders dan Johan van Dam gewenscht had. De Gouverneur-Generaal in 1663 weduwnaar geworden zijnde, trad niet lang daarna met Joffer Cos in den echt. Geen wonder dat Johan van Dam hierover zeer ontevreden was, en dat zijne vriendschap voor den Gouverneur-Generaal in eene heftige vijandschap veranderde.
[31] Van hot naar haar loopen beteekent: van rechts naar links loopen en dat kon hij aan zijn hart voelen is eene volks-uitdrukking voor: dat kon hij begrijpen.
[32] Een stag is een staand touw, dat dient om den mast te steunen en te beletten achterover te slaan. De groote stag steunt den grooten mast.
[33] Ook in dien tijd reeds bestond het leger der Compagnie in Oost-Indië uit een samenraapsel van alle natiën in Europa, Afrika en Azië. En evenals nu nog, sommigen van die vreemdelingen naar den Atjeher overloopen en daar den vijand van veel dienst zijn, omdat ze alles van de Nederlanders verklikken en hem de behandeling van de Europeesche wapenen leeren, zoo ook deden in dien tijd die overloopers aan de belangen der Compagnie groote schade. Tegenwoordig schijnt men echter die overloopers, als ze per ongeluk! weer in onze handen komen, niet zonder hen verscheidene keeren verhoord te hebben, te veroordeelen. — En even als, helaas, nu dikwijls nog het geval is, dat men van een „koloniaal” niet mooi spreekt, en hem onder de minste soort van menschen plaatst, zoo ook had men in dien tijd al heel weinig met dat volkje op! — Of het toen jammer was, weet ik niet; maar dat het nu jammer is, dat weet ik wel. Onder onze kolonialen zijn tegenwoordig veel brave, flinke en dappere jongens, en dat niet alleen onder de geboren Hollanders, maar ook onder de buitenlanders, die daar bij ons leger dienen.
[34] Bij de smalle gemeente beteekent: op het kerkhof der bedeelde armen.
[35] Arak is een geestrijke drank, die uit rijst, suiker en sap van kokosnoten bereid wordt.
[36] Het was maar een hoogst zeldzaam geval, dat een schip uit de Oost heel alleen de thuis-reis aannam. Men vereenigde zich meestal, omdat de zee toen zeer onveilig was door allerlei zeeroovers en men te zamen niet zooveel gevaar liep aangevallen te worden. Het is natuurlijk, dat de Portugeezen, wien wij het leven in de Oost zoo zuur maakten, ons op zee ook niet als vrienden beschouwden. Zulk eene verzameling van terugkeerende schepen noemde men de retour-vloot.
OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER.
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.
Variaties in spelling (met of zonder accent, met of zonder koppelteken, met of zonder extra spatie) zijn behouden.
Ontbrekende aanhalingstekens zijn toegevoegd, tenzij het onduidelijk is waar het aanhalingsteken moet komen.
De voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het bestand, om de tekst zo weinig mogelijk te breken.
CORRECTIES.
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:
| Pagina | Bron | Correctie |
|---|---|---|
| Voorbericht, 68, 126, 127, 148 | [Niet in bron] | „ |
| Voorbericht, 21, 34, 151 | ” | [verwijderd] |
| 19, 21 | , | [verwijderd] |
| 21 | Fransch-sche | Fransche |
| 22 | . | , |
| 24 | boogspriet | boegspriet |
| 25, 44, 45, 47, 60, 69, 73, 97, 199 | [Niet in bron] | ” |
| 39 | bechaving | beschaving |
| 45 | proesten | proestten |
| 47 | ; | [verwijderd] |
| 56 | plastte | plaste |
| 61 | als er | [verwijderd] |
| 63 | er | [verwijderd] |
| 74 | Schenkt | Schenckt |
| 77 | Kapiten | Kapitein |
| 81 | ’ | ” |
| 105 | bootman | bootsman |
| 106 | Bootman | Bootsman |
| 106 | ergers | ergens |
| 113 | zon | zou |
| 120 | als | al |
| 137, 218 | „ | [verwijderd] |
| 137 | lachtten | lachten |
| 139 | , | . |
| 139 | [Niet in bron] | niet |
| 159 | [Niet in bron] | en |
| 191 | . | , |
| 193 | vrienschappelijk | vriendschappelijk |
| 203, 213 | Dircksz. | Dirksz. |
| 218 | Qaatre | Quatre |
| 219 | haar, | haar’ |
| 220 | Dirksz | Dirksz. |
| voetnoot 23 | Sint.-Jan | Sint-Jan |