The Project Gutenberg eBook of Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Title: Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Author: Pieter Louwerse
Release date: September 12, 2013 [eBook #43704]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Credits: E-text prepared by Branko Collin, Joke Van Dorst, and the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net) from page images generously made available by Internet Archive/Canadian Libraries (http://archive.org/details/toronto)
The Project Gutenberg eBook, Janmaat in de Oost, by Pieter Louwerse
| Note: | Images of the original pages are available through Internet Archive. See http://archive.org/details/janmaatindeoosto00louw |
JANMAAT IN DE OOST.
JANMAAT IN DE OOST
OF
VESTIGING VAN HET NEDERLANDSCH GEZAG OP CELEBES.
GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OUD EN JONG NEDERLAND,
DOOR
P. LOUWERSE.
Tweede, veel verbeterde Druk.
LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.
„Rap van leden, vroom van zeden,
Dat was Hollandsch — lang verleden!”
Dr. Heye’s Volksdichten.
VOORBERICHT.
„Ver van honk” is voor menig lezer, die zijne reisjes bij voorkeur nog in het hoekje van den haard maakt, wel aantrekkelijk. Daarom koos ik een onderwerp uit de geschiedenis onzer Oost-Indische Compagnie, en daar ik in „Mannen van Sta-vast” den tijd van Gouverneur-Generaal Jan Pietersz. Coen geschetst heb, zoo meende ik niet beter te kunnen doen dan nu een tafereel te nemen uit het leven zijner opvolgers Joan Maetsuyker, niet zoozeer omdat ik dezen beschouw als de evenknie van Coen, maar wel omdat er onder zijn langdurig bestuur van 1653 tot 1678 genoeg voorviel dat vermelding verdient, en ook, omdat de sprong niet te groot is om dit werkje te beschouwen als een soort van vervolg op „Mannen van Sta-vast”. Aan de hand der geschiedenis wenschte ik u te schetsen de vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes. De namen van de mannen, die daarbij als Admiraals, Bevelhebbers of Opperhoofden genoemd worden zijn historisch, doch de helden van mijn verhaal zijn kinderen mijner verbeelding. Ik achtte noodig dit te zeggen omdat sommigen, en jeugdige lezers vooral, zoo lichtelijk gelooven dat alles, wat daar staat, van het begin tot het einde waar is. Natuurlijk zijn ook de gevechten, die we schetsten, en de gebeurtenissen, die er bij voorvielen, niet verzonnen, maar werkelijk geleverd en gebeurd.
Zoo schreef ik in het voorbericht van den eersten druk van dit werkje. Nu bij den tweeden staat op den titel, dat het werkje veel verbeterd is, en dat dit iets meer is dan eene geijkte uitdrukking, durf ik gerust te verklaren, omdat verreweg de meeste verbeteringen aangebracht werden door mijn’ vriend, den Heer J. F. W. Winterberg, die ook mijn „Mannen van Stavast” vóór het ter perse ging voor mij met het potlood in de hand doorliep. Zijn langdurig verblijf in verschillende deelen van onze O.-I. bezittingen, stelde hem in de gelegenheid om uit den eersten druk tal van die fouten te halen, welke maar al te dikwijls het gevolg zijn van plaatselijke onbekendheid. Gaarne breng ik mijn’ vriend voor dit werk mijn’ hartelijken dank. Mocht „Janmaat in de Oost” op zijne nieuwe rondreis in ons land, weer vele huizen vinden waar hij, als verteller, welkom is.
Den Haag.P. LOUWERSE.
INHOUD.
| Eerste Hoofdstuk. | Blz. |
| Het volk van de „Leerdam” | 1 |
| Tweede Hoofdstuk. | |
| De ontsnapte galei-boef | 15 |
| Derde Hoofdstuk. | |
| Den dans ontsnapt | 32 |
| Vierde Hoofdstuk. | |
| Opgedirkte waarheid | 46 |
| Vijfde Hoofdstuk. | |
| Een groot man | 60 |
| Zesde Hoofdstuk. | |
| Alével ferme kerels | 81 |
| Zevende Hoofdstuk. | |
| Een Koningsmiddel | 99 |
| Achtste Hoofdstuk. | |
| Een zeer voornaam bezoek | 112 |
| Negende Hoofdstuk. | |
| Zeevolk, vreemd volk | 124 |
| Tiende Hoofdstuk. | |
| Eene Joffer om een’ Barbier | 140 |
| Elfde Hoofdstuk. | |
| Een slechte ruil | 152 |
| Twaalfde Hoofdstuk. | |
| De Hollandsche Remedie | 165 |
| Dertiende Hoofdstuk. | |
| Toch niet alleen | 180 |
| Veertiende Hoofdstuk. | |
| Getuchtigd, niet verslagen | 195 |
| Vijftiende Hoofdstuk. | |
| Janmaat | 212 |
EERSTE HOOFDSTUK.
Het volk van de „Leerdam.”
„Ei wat, allemaal gekheid! Ik zeg maar: liever met eene oude schuit op zee dan met een’ nieuwen wagen op het land. Wat zeg jij ervan, Hoepel?”
Hij, die dit zoo zeide, was een kloek gebouwde zeeman, die voor een tafeltje in eene zeemans-herberg stond. Aan dat tafeltje zaten nog drie andere varensgezellen hun bier te drinken. Twee opgeschoten jongens stonden er bij te luisteren, terwijl nog een ander jong mensch achter de jongens een plaatsje bij de luisteraars had ingenomen.
De zeemans herberg heette „De nieuwe Fluyte” en stond dicht bij den IJkant te Amsterdam.
De man, die met den naam van „Hoepel” aangesproken was, omdat hij gewoonlijk wat gebogen liep, was bezig zijn pijpje aan te steken, en nauwelijks hoorde hij, dat men het woord tot hem richtte, of hij keek op en zei: „Ja, Henri-Quatre, gelijk heb je, — pfoem — pfoem — pfoem, — gemeene toeback, zoo nat, alsof ze een jaar te weeken gelegen heeft, — pfoem — pfoem — pfoem! Ik zeg ook, gelijk heb je! Geen beter en vrijer leven dan van een’ zeeman, — pfoem — pfoem, — pfoem. Ik zou — pfoem — pfoem....”
„Gooi dat ding toch weg! Je zit al te „pfoemen” en nog eens te „pfoemen” tot vervelens toe. Rook straks, als er geen mensch meer is, die je wat vraagt! En doe nu je woord!”
Dit zeide een ander, die aan de linkerhand van den zoogenaamden „Henri-Quatre” stond. Dezen bijnaam had hij van de matrozen gekregen naar zijn’ baard en knevel, dien hij beide droeg in den vorm, zooals de beroemde Hendrik IV, Koning van Frankrijk, ze gewoon was te dragen.
„Klets dan, daar ligt de heele geschiedenis,” riep Hoepel. „Is me dat spul, dat ze hier voor goede waar en veel geld verkoopen! Ik zet geen voet meer in „De nieuwe Fluyte,” zoolang ze daar zulk bocht aan den man willen brengen. Het is schande!”
„Nu, ik wil wel gelooven, dat je er vooreerst geen’ voet meer in zet, Hoepeltje! Morgen avond om dezen tijd....”
„Morgen avond om dezen tijd, is het de zestiende April van het jaar 1658. Dag, ouwe jongen! Hoe gaat het?”
Met deze woorden werd Henri Quatre in de rede gevallen door een niet heel groot, doch erg gezet manneke, dat binnentrad en zonder plichtplegingen te maken bij het gezelschap plaats nam. Hij was ook zeeman van beroep, doch inplaats van in den mast te klimmen, smeerde hij pleisters, knipte hij de haren en schoor hij de baarden der bemanning. Dan had hij ook nog eene medicijn-kist met allerlei medicamenten. Hij droeg den naam van scheeps-barbier, doch het zee volk noemde hem „Troost der Armen,” omdat hij alle wonden en ziekten met den balsem, die dezen naam draagt, trachtte te genezen.
„Wat is dat? Troost der Armen, jij hier?” riep Henri Quatre.
„Jij hier?” riepen al de anderen.
„Ik hier! En wat zou dat?” klonk de vraag, die dadelijk aangevuld werd met het geroep: „Hei, baas van de Fluyte, bier en toeback!”
„Welja, ik dacht dat je in de Oostzee op een van onze oorlogsschepen was,” zei Hoepel.
„Geweest, man, geweest! ’s Lands dienst, geen dienst! Ik houd het met de Compagnie! Ik ben met een schip van de vloot gisteren avond hier aangekomen. Van morgen ontmoette ik den Schipper van de fluit „Leerdam,” en eer de klok van tienen koud was, was ik aangemonsterd, als scheeps-barbier op de „Leerdam.” Wat zeg je ervan, Hoepel?”
„Wat ik hiervan zeg? Dit. Ik hoop hartelijk op reis niet ziek te worden. Ik ben bang van je....”
„Troost der Armen, wil je zeggen, Hoepel?”
„Ja, juist! Je hebt er menigeen een reisje mee bezorgd naar den kelder, man!”
„Gekheid,” riep een andere matroos schaterlachend uit, „Meester Troost der Armen zet ons zoo rondom in het vet, dat we drijven als kurk.”
„Goed, goed,” zeide Hoepel, die niet zoo gauw uit het veld geslagen was, „ik zeg dat hij met zijn „troost” een heel zoodje den weg van de doode visschen heeft laten wandelen.”
„Geen wonder,” zeide de barbier. „Ze konden niet genezen vanwege hun ongeloof. Troost der armen is het heilzaamste medicament, dat er geweest is, dat er is, of dat er ooit komen zal, en daarmede uit. Als ik vragen mag, allemaal van de „Leerdam”?”
„Allemaal!”
„Gansbloed, een kostelijk gezelschap! Beter dan op het fluitschip de „Nieuwpoort”.”
„Zoo, is dat zoo’n opgeraapt zoodje?”
„Nu, opgeraapt, opgeraapt, dat zal ik niet zeggen; maar aan twee kwaden heeft men al genoeg!”
„Jawel, maar wij met ons zevenen maken niet de heele bemanning uit,” zeide Henri Quatre. „Wie waarborgt je, dat er onder de anderen, die....”
„Hier niet zijn, ook niet één of twee zich bevinden, die tot het zoodje behooren, wil je zeggen?”
„Precies!”
„Nu, ik zeg je, dat is eene klare onmogelijkheid. Daar heb je vooreerst den scheeps-barbier van de „Nieuwpoort.” Kent ge dommer kerel?”
„Is dat niet Meester Jonas?”
„Ja, ja, precies! Jonas heet hij, maar „Sul” moest hij heeten.”
„Die alle ziekten wil genezen met rabarber?”
„Juist, juist! Met rabarber! Wie heeft ooit zoo iets doms geloofd? De man is niet op de hoogte van zijn’ tijd. Hij had maar eens als ik eenige keeren op een compagnie-schip moeten dienen, ze zouden hem daar zoo gerabarberd hebben, dat hij geen pap meer kon zeggen!”
„Of ze gelijk hadden! Maar de tweede van dat zoodje, wie is dat?” vroeg Hoepel. „Ook al een barbier?”
„Neen, dat is de kok! Verbeeld je, daar hebben ze me gisteren een’ kerel laten aanmonsteren....”
„Ze, wie zijn die ze?” vroeg Henri Quatre’s linker buurman.
„Dat zal ik je zeggen. Midden in Holland woonde een heer, die zoo wat boeren wilde. Ongelukkig had de man meer verstand van kolven, kaatsen, wijndrinken, uitgaan en pretmaken dan van ploegen en zaaien. Hij reed in een mooi koetsje met een paar prachtige paardjes ervoor iederen dag naar Den Haag, en hij deed dat zoolang tot hofstede, huis, schuur, koeien, paarden, gereedschappen en meubelen voor schuld moesten verkocht worden. Nu heeft de familie van zijne vrouw dat levend schandaal naar Amsterdam geloodst en hem daar verronseld aan den Schipper van de „Nieuwpoort,” die er nu een soort kok van maken zal. Eet smakelijk! Ik....”
Hier werd de spreker in de rede gevallen door het vroolijk gezang van eenige binnentredenden, die allen met de „Leerdam” mede moesten.
„Gaan varen, gaan varen!
Gaan varen naar de Oost
al voor je plezier!
Gaan varen, gaan varen
gaan varen
voor geld en voor bier.
En wie er geen geld gebruiken kan,
En wie geen bier lust, wat heb je er an?
Die worde, die worde,
die worde geen varensman!
Gaan zwerven, gaan zwerven,
Gaan zwerven naar de Oost
en al naar de West,
Gaan zwerven, gaan zwerven,
gaan zwerven,
dat lijkt ons het best.
Jan Salie zoek’ moeders pappot op,
Janmaat verkiest er het ruime sop,
En hale, en hale
de vlaggen maar hoog in top!
Laat gieren, laat gieren,
Laat gieren den wind
zoo hard als hij kan.
Wij staan hem, wij staan hem,
wij staan hem
kordaat, als een man!
En slaat in flarden het heele want,
En dreigt gevaar ons aan alle kant,
Wij kiezen, wij kiezen,
wij kiezen de zee toch voor ’t land!
Staan beven, staan beven,
Staan beven dat komt
geen mensch in den zin!
Het hoofd op, het hoofd op,
het hoofd op
den kelder zelfs in!
Tempeest en storm te midden op zee,
Jan Compagnie die lacht er wat mee,
En roept nog, en roept nog,
en roept nog stervend: Hoezee!”
Het heele gezelschap had zich bij de vroolijke zangers aangesloten en nu het lied uit was, scheen het, alsof onder het telkens en telkens terugkeerend gejuich en geroep van „Hoezee!” de heele taveerne instorten zou. Het was een oorverdoovend leven.
Bierglazen, bierkannen en bierkruiken klonken en vielen rinkinkelend in scherven op de roode plavuizen[1] van den vloer. De eene pijp na de andere werd gebroken en menige test met glimmend turfkooltje zocht een plaatsje tusschen de stukken glas en aardewerk.
De herbergier bleef onder dat alles vrij bedaard. De man had dergelijke tooneeltjes al zoo dikwijls bijgewoond, dat hij geen oogenblik zijne kalmte verloor. Hij liet breken, vernielen, stukslaan, drinken, rooken, zingen, schreeuwen zoo lang tot men moede werd, en dan zou hij de rekening opmaken.
Het scheen evenwel lang te duren eer deze dollemans-hoop tot bedaren kwam, en reeds stond hij gereed er een einde aan te maken, toen de deur der groote gelagkamer opengesmeten werd en eene krachtige stem klonk: „Ophouden! Het is tijd van vertrek!”
De man, die dit riep was de Eerste Stuurman, Londenaar, van de „Leerdam”, een kerel als een eikeboom, zachtzinnig als een lam, zoo lang men zijn gezag erkende en in orde en rust leefde, maar moedig als een leeuw en sterk als een olifant, als men het waagde oproerig te zijn, of als de nood aan den man kwam. Hij was onder het zeevolk algemeen bekend en bemind. Dat de matrozen hem „IJzeren Neptunus” noemden, dat wist hij, maar het hinderde hem niemendal.
Op het geluid van zijne stem was alles opeens stil.
„Afrekenen, mannen! Goddeloos, wat een huishouden hier! Daar zal wat te betalen vallen,” zeide hij lachend.
De herbergier naderde nu beleefd en onder allerlei buigingen en strijkages, wist hij te vertellen hoeveel hij van ieder kreeg. De meesten keken vreemd op, dat ze zooveel bier gedronken en zooveel glazen, kannen en pijpen gebroken hadden. Ze hadden onder het vertellen, zingen en dansen wel niet geteld, maar toch wel zoo wat eene kleine begrooting gemaakt van hetgeen er gebruikt en gebroken was.
„Jij hebt krijt met drie puntjes, geloof ik,” zeide Hoepel, doch betaalde, wat hij zoogenaamd te betalen had.
Toen de herbergier zijn „eerlijk verdiend geld,” zooals hij telkens zei, binnen had, beval de Stuurman het volk hem te volgen, omdat het meer dan tijd was om naar het schip te gaan.
„Goede reis, mannen! Ik wil hartelijk hopen, tot wederziens,” riep de herbergier hen in de deur na.
„Als het schip niet zinkt, komt het, omdat je onze beurzen zooveel lichter gemaakt hebt, haai van een kerel,” zeide Henri Quatre. „Wat mij betreft, je schiet me niet meer, oude jongen, al hadt ge elf en dertig pijlen op je boog!”
„Eerlijk verdiend geld, bootsman,” grinnikte de herbergier, sloot de deur en ging toen bij het walmend licht van eene vetkaars zijne winst berekenen.
En onderwijl hij dit met blijkbaar genoegen deed, daar hij dien avond eene buitengewoon groote winst gemaakt had, eene winst, die hij steeds „eerlijk verdiend geld” beliefde te noemen, stapte het zeevolk in eene schuit en — voort ging het.
De wind was ongemeen gunstig en reeds den anderen middag kwam men voor Texel, waar de Kapitein van de „Leerdam” met ongeduld op het overige volk wachtte om de groote reis te aanvaarden.
Zoodra dus het volk aanboord en alles in orde was, werden terstond de ankers gelicht en ging men het zeegat uit. Nog twee andere schepen de „Nieuwpoort” en de „Dolfijn” gingen gelijk met hen onder zeil.
Onder de varensgezellen, die we in de herberg „De nieuwe Fluyte” bijeenvonden, waren ook twee opgeschoten jongens. Ze waren twee broeders en beiden Haarlemsche weezen. Dirk, de oudste, was zestien en Garrit was vijftien jaar. Ze hadden beiden al verscheidene reizen op de Oostzee en de Levant gedaan, doch naar de Oost waren ze nog nooit geweest. Hunne Ouders waren reeds lang dood, doch hun oom, bij wien ze als wees in huis waren gekomen, was maar een arme schoenlapper, die met groote moeite het dagelijksch brood verdiende voor zijn gezin, dat behalve uit de twee weezen, nog uit acht man bestond. Zoo spoedig ze maar konden hadden Dirk en Garrit besloten, den last van hun’ oom te verminderen, door naar zee te gaan.
„Hoort eens, jongens,” had oom gezegd toen hij het besluit zijner neven vernam, „het doet mij leed, dat ik niet beter voor u zorgen kan! Wilt ge eerlijk met ons allen deelen, blijft dan! Hebt ge niet genoeg, welnu, gaat dan het zeegat uit! De zee geeft een moeielijk, maar goed stuk brood! Maar — oppassen is de boodschap, jongens!”
„Hoor eens, oom,” zeide Dirk, „het is niet genoeg, dat wij tevreden zijn, als we zien, dat er gelijk op gedeeld wordt. We zien al te goed, dat we daardoor geen van allen genoeg hebben. En dat behoeft niet; wij kunnen den kost op zee verdienen, dat kunnen we!”
„En dan hebben al de anderen wat meer, oom,” sprak Garrit.
Oom keek de beide knapen aan en zeide: „Jongens, jongens had ik zooveel gerande gouden dukaten over, als ik nu duiten te kort kom, ik zou je niet naar zee laten gaan. Het doet me leed, werkelijk leed, dat ik niet meer kan doen dan ik doe. Ik zou je zoo graag het beste gunnen!”
„Dat weten wij wel, oom,” hernam Dirk. „Maar de zee en het zeeleven zijn zoo erg niet. Oppassen zullen we, en kunnen we gerande dukaten, och, al waren het maar scheepjes-schellingen, meebrengen bij onze terugkomst, we zullen het niet nalaten.”
„Ja, en dan óók eerlijk deelen, oom,” riep Garrit. „En wat oppassen betreft, nu dat zullen we. Wij beloven u geene schande, maar wel eer te zullen aandoen.”
Oom haalde evenwel de schouders op en hernam: „Beloven is gemakkelijk, doen is moeielijk, jongens! Och, er zijn aanboord van onze schepen zooveel ruwe gasten, die een leven van vroolijk Fransje leiden, om God noch zijn verbod geven, en ten leste, als een berooid man, om eene aalmoes door den lande loopen! En wie weet, hoevelen er onder die berooide lieden zijn, die ook beloofd hebben goed op te passen! Hoort jongens, geld of goed kan ik u niet medegeven; maar een’ raad wel. Bij al wat gij doet, moet gij u verbeelden, dat uwe brave Ouders bij u staan, en, gelooven moet ge, dat de Heer alles ziet. Als ge dien raad nooit vergeet, dan alleen kan er wat goeds uit u groeien!”
Zoo had oom gesproken toen de twee knapen hunne eerste reize naar de Oostzee gingen maken. Sedert hadden ze verscheidene malen dien tocht gedaan. Met allerlei slag van volk waren ze in aanraking gekomen, doch hoe dikwijls ze ook op het punt gestaan hadden, den goeden raad van hun’ oom te vergeten, telkens had het beeld van hunne Moeder hen voor de oogen gestaan en hen voor alles, wat laag en gemeen is bewaard.
Ja, het beeld hunner Moeder!
Och, Tanneke Woutersd. was zulk eene eenvoudige vrouw geweest! Ze kon zelfs niet lezen of schrijven. Maar vroom en braaf was ze, als er maar weinig menschen gevonden worden. En al kon zij ook niet lezen of schrijven, verstandiger was ze dan menige rijke koopmansvrouw of andere voorname dame, die het Fransch, Italiaansch en Engelsch zoo gemakkelijk las als het Nederlandsch uit haar’ Bijbel of liederenboek.
Toen zij stierf was Dirk elf en Garrit tien jaar oud; maar hoe jong ze ook waren, toen ze hunne goede Moeder verloren, toch konden ze zich nog al de lessen herinneren, welke zij hun, telkens als het maar te pas kwam, gegeven had.
Oom wist dan ook wel, wat hij zeide toen hij sprak van: „Bij al wat gij doet, moet gij u verbeelden, dat uwe brave Ouders bij u staan.”
Door hun ingetogen leven kregen zij van de matrozen den bijnaam van de „Twee Vromen.”
Intusschen maakten ze toch niet veel vorderingen, hoewel er geen Kapitein was, die Dirk en Garrit niet graag hebben wilde. Als een vol matroos, die reis op reis gemaakt had naar alle deelen van de wereld, eens niet maar zoo dadelijk vaart kon krijgen en soms wel drie of vier weken rondliep eer hij weer aangemonsterd werd, Dirk en Garrit konden, als zij den eenen dag aankwamen den anderen dag weer weg, als ze wilden.
En toch de oude knecht blijven, als men zoo goed oppast?
Ja, dat kwam, omdat ze maar heel kort school gegaan hadden en, zooals men zeî, ook wat hardleersch waren. Men had moeite die twee wat aan het verstand te brengen, maar als ze het ook eenmaal begrepen hadden, dan vergaten zij het nooit meer, en zoo waren ze, maar het was op den langen weg, niet ónwetender dan andere matrozen.
De twee knapen stonden toen de zon onderging over de verschansing naar de blinkerds te kijken.
De matrozen noemen vaak de duinen van ons land zoo, omdat die uit zee gezien, vooral bij avondzon, door hunne witte kleur, die het licht der zon weerkaatst, reeds verre in zee te zien zijn. De beroemde duinhoogte dicht bij Haarlem, ook Blinkerd geheeten, is dus meer een algemeene naam voor alles, wat duin is.
„Nog een oogenblik, Garrit, dan zijn ze uit onze oogen verdwenen en weg,” zeide Dirk.
Garrit, die blijkbaar aan heel wat anders dan de blinkerds dacht, schrikte op en vroeg: „Wie weg?”
„Wie weg? Wel, de duinen!”
„O, bedoel je de duinen? Ja, dat zie ik,” antwoordde Garrit en verviel weer in zijn vorig gepeins.
„Waaraan denk je toch?” vroeg Dirk. „Je staat te suffen!”
„Wat belief je?”
„Wel, heb ik van mijn leven! Ik vraag waaraan je denkt?”
„Aan Moeder,” was het antwoord.
„Zoo, aan Moeder!” sprak Dirk met een’ zucht. „Wat ze in angst zitten zou, als ze nog leefde, en wij beiden gingen, zooals nu, naar de Oost, omdat we hier niet aan den kost kunnen komen.”
„Ze zou zeker niet gerust zijn!”
„Nu, daartoe is wel reden ook; want het is in de Oost nu niet overal botertje tot den boôm!”
„Wáár is het geen botertje tot op den boôm, jongens?” vroeg op eenmaal Henri Quatre, die ongemerkt genaderd was.
„In de Oost niet, bootsman!”
„Ha, ha, daarvan weet jelui me ook heel wat te vertellen, ja! Nooit anders gevaren dan op de Oostzee!”
„En op de Levant, bootsman!”
„Is al zoo wat hetzelfde! Neen, dan zou ik je een ander boekje kunnen openleggen! Dit is mijne vijfde reize al!”
„Uwe vijfde? En ge zijt nog zoo jong!” riep Dirk.
„Jong! Maak dat de haaien wijs! Ik ben de vierenveertig al gepasseerd! Heel wat ondervonden! Maar zeg, heb je ook toeback in de doos of in je kist?”
„Neen, bootsman, wij drinken geen toeback!”
„Verdraaid, wat leef jelui dan op een koopje! Ik wil wel gelooven, dat je de oude knechten blijft!”
„Door toeback drinken komt men toch niet vooruit, bootsman?” vroeg Dirk verwonderd.
„Halskoppen, die ge nog zijt, wat zijt gij nog nuchter! Weet ge wel wat onze Starter ervan zegt?”
„Ha, de student hangt zijne wijsheid weer te luchten,” riep de scheeps-barbier, die zeer goed wist, dat Henri Quatre van eene rijke familie was en vroeger te Leuven gestudeerd had. Dat wisten ook velen der matrozen en menigmaal vermaakte hij de manschap met grappen uit zijn studenten-leven te vertellen. Had dan evenwel één het ongeluk, hem te vragen hoe hij van student zeeman geworden was, dan betrok zijn gelaat en hij zweeg oogenblikkelijk. Soms liep hij dan dagen lang zonder bijna een woord te spreken. Door dat vreemde gedrag was het vooral, dat Henri Quatre voor de matrozen iets aantrekkelijks had. Gewoonlijk was hij vroolijk en gezellig en een allemans-vrind. Maar hij kon ook oogenblikken hebben, dat niemand het waagde hem aan te spreken. En als een van de lieden het hem wat al te lastig maakte en een loopje met hem wilde nemen, dan kon hij hem aankijken met een paar oogen om er bang van te worden. Neep het gevaar en ging het er langs het kantje af, dat men het leven behield, was dan dikwijls heel de bemanning wanhopig en radeloos, Henri Quatre wist van geene vrees. Naarmate het gevaar toenam verhief zich zijne flinke gestalte, zijne oogen straalden vuur en zijne hand bleef vast. Dan keek de bemanning meer naar hem dan naar den Kapitein, en als het op stuk van zaken aangekomen was, dan had iedereen den Kapitein laten loopen en zou Henri Quatre gehoorzaamd hebben. De Kapiteins hadden het dan ook niet heel erg op hem begrepen, ofschoon hij nog nooit getoond had, dat hij den verkeerden weg op wilde. Had het evenwel aan hen gelegen, dan zouden ze hem wel nooit als bootsman op hun schip aangemonsterd hebben. Maar meestal kwam een der Heeren van de Compagnie den Schipper mededeelen: „Voor een’ bootsman hebben wij gezorgd!” en als dat gezegd was, dan wist men ook wel wie de bootsman zijn zou. Henri Quatre scheen derhalve zeer vermogende vrienden te hebben.
Wij weten dus nu ook eenigszins wie Henri Quatre was, en in den loop van het verhaal zullen we hem nog wel nader leeren kennen.
Zoodra de scheeps-barbier gevraagd had of de bootsman weer als student zijne wijsheid te luchten hing, vroeg deze hem: „Welnu, „Troost der Armen”, zeg jij dan wie Starter was!”
„Misschien wel zoo’n lapzalver als Meester Jonas van de „Nieuwpoort”, bootsman!”
„Dacht ik het niet? Neen, man, hij had met je pleisters en zalfjes niemendal uit staan, hoor! Hij was een Friesch dichter, en als ge wilt weten, wat hij van de toeback zegt, zoo luister dan:
„O prijselycke kruyd, in alder wijzen oordeel!
Want haere assche zelfs veroorsaekt groote voordeel:
De swarte tanden maeckt sij suyver ende wit,
Het tand-vleys heel ghesond, en krachtig het ghebit,
De scheurbuyk drijftse wegh, en veelderlei ghebreken;
Waer vind men sulcken kruyd in Hoven of Aptheeken?
Laeckt s’ eenige Doctoor, dat doet hij dan ghewis
Omdat sij sulcken dief in sijne nering is.
’t Gheneest onkostelijck, men hoeft haer niet te halen,
Noch Doctoor noch Barbier haer gangen te betalen;
Dies segh ick, spijt al die haer werpen op een lack,
Daer ’s gheen ghesonder kruyd, als d’ edele toeback.
Komt, helpt mij dan Toeback haer loff en eere geven,
Ghij....”
„Och, zwijg toch, man, gij raast wat! Ik zeg je dat de man, die het „toeback-suygen” uitgevonden heeft, verdiend heeft gehangen te worden. Piet Hein, onze beroemde Vlot-voogd, zaliger gedachte, wist wel, wat hij deed, toen hij het rooken of „toeback-drinken” op de vloot verbood. En wat zegt de geleerde Scriverius?
„’t Is meer fenijn
Als....”
„Och, houd op met je gezwets, Meester Troost der Armen,” riep Henri Quatre. „Scriverius zeide:
Sonticus est morbus....”
„Dat is Latijn, student! Dat mag jij en ik verstaan, maar deze jongelui verstaan het niet, en daarom zeg ik het maar, zooals Samuel Ampzing die gedichten verdietschte:
„’t Is meer fenijn
Als medicijn.
Toeback is sulcken siekt, die ’t lichaam doet verderven
En haere medicijn baet weynig tegens ’t sterven.
Het is meer quaed dan goed. ’k Verlang dan wie hij sij,
Die ons van dit vergift en deze pest bevrij.”
„Nu, Meester, gij kunt er van zeggen wat gij wilt, maar ik houd vol, dat eene pijp toeback te drinken niet zooveel kwaad kan. Iedereen, Geestelijke en Magistraat, heeft indertijd de toeback den oorlog verklaard, en toch is ze algemeen geworden. Liggen de zolders te Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht niet vol met toeback, die uit Amerika aangebracht is? Hebben niet Gelderland, Overijsel en het Sticht groote toebacks-velden? Leven te Nijkerk, Wageningen, Barneveld en Elburg niet honderden ervan? Neen, Meester, de toeback moet niet weg, maar als de joffers eens minder fijne neusjes hadden en manlief toelieten te huis zijn pijpje te smoken, dat zou helpen. Nu mag de man het te huis niet doen en daarom zoekt hij de toebacks-huizen op. Begrepen? Doch nu ga ik ter kooi; ik heb de hondenwacht.”[2]
De beide mannen verwijderden zich en lieten Dirk en Garrit, die met nog eenige anderen de eerste wacht hadden, aan hun lot over.
Het was prachtig weer voor een landrat, want al stonden alle zeilen bij, toch vorderde het schip, uit gebrek aan wind, al heel weinig. Zoo iets ziet en ondervindt Janmaat niet graag. Hij heeft het liefst eene stevige bries, die het schip eene goede vaart geeft. Toch teekende de lucht verandering en het volk klaagde dus niet erg. Het wist, dat er des nachts wel wind komen zou.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De ontsnapte galei-boef.
Toen al het volk, dat geene wacht had, naar beneden gegaan was, zochten de wachtmannen onder hunne kennissen hen op met wie ze praten konden. Dirk en Garrit bleven dus ook bij elkander.
„Een vreemde man, die Henri Quatre,” zeide Garrit. „Hoe zou hij eigenlijk toch heeten?”
„Ja, op de scheepsrol staat hij ingeschreven als Willem de Stichtenaar, maar ik houd het ervoor, dat hij wel een’ anderen naam heeft. Ik geloof dat wij heel voorzichtig met hem moeten zijn, en als ik het ronduit zeggen mag, dan zeg ik, dat ik hem geen ziertje vertrouw”.
„Weet je wat Hoepel mij gisteren avond vertelde?”
„Dat Henri Quatre eigenlijk zijn vriend niet is, al speelt hij: aap wat heb je mooie jongen!”
„Dat heeft hij me niet gezegd. Hij zei alleen dat hij familie moet zijn van onzen Gouverneur-Generaal!”
„Van Joan Maetsuycker?”
„Dat is toch vragen naar den bekenden weg? We hebben immers geen’ anderen?”
„Maar die is een Amsterdammer van geboorte, en als Henri Quatre nu familie van hem was, dan zou hij op de scheepsrol wel als Willem de Hollander, maar niet als Willem de Stichtenaar geboekt staan! Sssst!”
Dat „sssst” hetwelk Dirk liet hooren, was omdat „IJzeren Neptunes” op hen afkwam.
„Al meer de reis naar de Oost gemaakt, jongens?” vroeg hij.
„Neen, Stuurman! Dit is onze eerste reis!”
„Zoo, dus zooveel als doopgoedje van Neptunus?”
„Doopen ze aanboord van de „Leerdam” ook, Stuurman?”
„Wel jongens, dat verzuimen ze op geen enkel schip! Maar stil, wat is dat daar aan stuurboord?”
Ze keken over de verschansing en zagen daar een heel klein bootje liggen.
„Wie is daar?” vroeg de Stuurman.
„Een ontvluchte galei-boef,” antwoordde iemand beneden in zuiver Nederlandsch.
„En wat zoek je hier?”
„Hulp, en gauw ook; want ze zijn me op de hielen!”
„Denk je dat we boeven aanboord nemen?” antwoordde de Stuurman. „Zoek je fortuin maar ergens anders, maat! Wij nemen dat soort van volkje niet op!”
„Geene Nederlanders ook, als ze zonder schuld op de galeien gekomen zijn? Help me, help me! Het is over een paar minuten te laat. Ben ik eenmaal aanboord dan zal ik wel opbiechten hoe ik op de galeien kwam.”
„Ik zal het den Kapitein gaan vragen,” sprak de Stuurman en beval aan de achterblijvenden, dat niemand den gevluchten boef aanboord halen zou.
Daar hoorde men riemslagen nader komen, en weldra lag er eene gewapende barkas tegen stuurboord.
„Halloh, hoi!” riep een.
„Wat zullen we nu alweer te weten komen?” bromde de Stuurman, die met de boodschap van den Kapitein terugkwam, dat men geene boeven wilde opnemen.
„Er is hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen,” klonk het in de Fransche taal.
„Toegang gevraagd, toegang geweigerd,” sprak de Stuurman kortaf en ook in het Fransch.
„We willen onderzoek doen,” zeiden de Franschen.
De Kapitein, die er bij gekomen was, beval den valreep neer te laten, en de Franschen op het dek te doen komen. Hij moest die luî wel niet gehoorzamen, maar om alle moeite te voorkomen, stond hij het toe.
Twaalf gewapende zee-soldaten klauterden nu tegen den valreep op en stonden weldra op het dek.
„Wilt ge wachten tot het dag is, of het onderzoek terstond een’ aanvang doen nemen?” vroeg de Kapitein.
De Bevelhebber van de Fransche sloep scheen achterdocht te koesteren en zeide, dat hij zeker wist, dat de vluchteling hier aanboord was, want dat het bootje, waarin hij gevlucht was, beneden tegen het schip lag.
„Laat alleman op het dek komen,” beval de Kapitein.
De manschap, in den eersten slaap gestoord, was vrij knorrig, en toen men hoorde, wat er aan de hand was, werd men nog meer ontevreden en de Franschen werden met allerlei Hollandsche woorden, die we liever maar niet weergeven, niet weinig verwenscht.
Zoodra allen op het dek waren sprak de Kapitein: „Er moet hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen zijn. Ik begeer niet met zulk uitschot van eene vracht de reis voort te zetten en beveel dus ieder, die wat van den vluchteling gezien of gehoord heeft, te spreken!”
De mannen stieten in het donker elkander aan, dat zooveel wilde zeggen als: „Weet je er wat van? Zwijgen, hoor!”
Maar niemand had iets van een’ galei-boef of dat er op geleek, gezien of gehoord, zoodat men die stille afspraak van zwijgen vrijelijk achterwege had kunnen laten.
Toen er nu geen antwoord op de vraag van den Kapitein gegeven werd, herhaalde deze nog eens dezelfde woorden, doch op zulk een’ kalmen toon, dat ieder begreep, dat het hem ernst was.
Natuurlijk gaf weer niemand antwoord.
„Ten derden male,” sprak de Kapitein, „herhaal ik mijne vraag: Wie uwer heeft iets van den gevluchten boef gehoord of gezien? Ik eisch een antwoord, ja of neen! en dan voeg ik erbij: wie wat van de zaak weet en het niet vertelt, dien zal ik als rebel behandelen en laten straffen. Je weet dus, wat er op staat. Komaan, spreekt op!”
Weer geen antwoord.
Eindelijk trad Henri Quatre voor het front en zeide op beleefden, doch scherpen toon: „Een woordje, Kapitein!”
De Kapitein had erg het land, dat juist deze man het woord vroeg en zeide daarom zoo kortaf mogelijk: „Spreek, bootsman! Wij zullen hooren, wat je te vertellen hebt.”
„Ik wilde u wel vragen wie een Franschman het recht geeft aanboord van een schip der Compagnie te komen?”
Deze vraag werd niet in de Nederlandsche, maar in de Fransche taal gedaan en wel zóó zuiver, dat de Franschen elkander verstomd aankeken, dat zulk een eenvoudig varens-gezel hunne taal zoo goed sprak.
De Kapitein, die met het Fransch zichzelven wel behelpen kon, doch het toch minder goed sprak, werd boos en gaf daardoor in zeer slecht Fransch ten antwoord: „Wie, bootsman? Wie? Dat recht heb ik gegeven, ik, als Kapitein van het schip.”
„Ieder moet weten wat hij doet, Kapitein,” hervatte de bootsman op denzelfden scherpen toon. „Hadde het van mij afgehangen, dan zoude de Franschman geen’ voet op het dek van de „Leerdam” gezet hebben, al waren er honderd gevluchte galei-boeven aanboord!”
„Bootsman, zwijg!”
„U heeft aan ieder van het volk het recht gegeven te spreken, Kapitein, en ik ben niet onbescheiden!”
„Dat zijt gij wel! Gij maakt inbreuk op mijn gezag!”
„Volstrekt niet, Kapitein! Ik heb gezegd, dat ieder weten moet, wat hij doet en wat ik zou doen. Ik wil evenwel nog meer zeggen, en dat is: Zoo ik iets van den vluchteling gezien of gehoord had, ik zou mij liever de heele reis krom in de boeien laten sluiten, dan voor verklikker te spelen ten believe van een’ Franschman, die hier niemendal te zeggen heeft. Ik geloof, dat er nog meer zijn, die er zoo over denken!”
„Gij zoudt mij dus willen verbieden den Franschman vrijheid te geven, het heele schip te laten doorzoeken?”
„U heeft te gebieden, Kapitein, en ik heb niets te verbieden. Maar ik meen zoo, dat de Heeren der Compagnie er anders over denken dan u. En al dachten zij ook al zoo, ik verzeker u dat het volk er heel anders over denkt.”
„Als gij voor verklikker bij de Heeren wilt spelen, ga je gang! Ik zal mijn gezag handhaven. Het heele schip zal door deze lieden doorzocht worden, en wee den man, die den vluchteling verborgen houdt!”
De matrozen, aangemoedigd door hetgeen de bootsman gezegd had, begonnen te morren en hier en daar hoorde men er een roepen: „We zijn geen dienaars van den Fransoos! Weg met den Fransoos! Wij zullen hem wel van tusschendeks houden! Opdringen, mannen! Wij zijn hier op vrijen bodem!”
„Halt, mannen,” riep de bootsman nu in het Nederlandsch. „Dat zou rebellie zijn! Het voegt ons thans den Kapitein te gehoorzamen. Ik geef het voorbeeld! Weest wijs en volgt mij na. Gij trekt aan het kortste eind, als gij anders doet! Late men het schip doorzoeken en gehoorzaamt!”
Hierop nam hij eene brandende lantaarn uit de hand van een’ matroos en zich beleefd tot den Franschen Officier wendend, zeide hij in vloeiend Fransch: „Volg mij, Monsieur! Ik zal u overal brengen waar gij zijn wilt.”
Na dit gezegd te hebben verdeelden de Franschen zich in troepjes en onder geleide van den Kapitein, de stuurlieden, den bootsman en de konstabels doorzochten ze het heele schip van onder tot boven. Men vond evenwel niemand. Eenigen der rapste Franschen klommen in de masten, onderzochten daar alles nauwkeurig, doch ontdekten daar ook niets, zoodat ze onverrichter zake op het dek kwamen.
Eindelijk waren alle Franschen weer bij elkander.
„Ge ziet het nu duidelijk, Luitenant,” zeide de Kapitein in zijn slecht Fransch, „de vluchteling is hier niet.”
„Hij moet hier zijn,” was het antwoord, „het kan niet anders. En ik blijf hier tot de dag aanbreekt, dan kunnen wij beter zoeken. Intusschen verzoek ik u te zorgen, dat ge niet verder dan Calais gaat, opdat wij, zonder nog eens zulk een’ gevaarlijken tocht te maken, veilig met onze boot terug kunnen keeren.”
Op deze woorden van den Franschen Officier was de Kapitein vrij besluiteloos omtrent hetgeen hij doen moest. De wind was spoediger aangewakkerd dan men vermoed had, en ook zeer uitmuntend. En om nu ten pleiziere van een’ Franschman, die een’ vluchteling nazat, de voordeelen van eene voorspoedige reis prijs te geven, dat was toch wat al te veel van zijne toegeeflijkheid gevergd. In allerijl belegde de Kapitein scheepsraad en daarin werd besloten den Franschman niet den zin te geven. Wilde hij den tocht mede maken dan zou men hem en zijne manschappen te Hâvre aan wal laten gaan.
Er zat nu voor den Officier niets anders op dan te kiezen of te deelen, en na eenig nadenken nam hij het aanbod aan mede te gaan naar Hâvre, welke plaats men zoo dicht naderen zou, dat men met de kleine sloep, waarmede men gekomen was, ook zonder gevaar zou kunnen vertrekken.
De Franschen zochten nu een plaatsje boven op het dek, waar ze tegen de kouden voorjaarswind wat beschut waren, en wachtten zoo het aanbreken van den dag af.
Eindelijk kwam deze en kort daarna was al het scheeps-volk weer op het dek of elders in beweging. Op den bepaalden tijd kregen ze hunne portie van gort met spek. De arme Fransche soldaten, die stijf waren van de koude, hadden er natuurlijk niet op gerekend mondkost mede te nemen, zoodat ze met begeerige oogen de bakken met gort, die de manschappen weghaalden, nakeken.
Geen mensch dacht eraan, die arme drommels te laten mede-eten, hoewel er overvloed van spijs was.
Geen mensch? Ei, hoe we ons vergissen!
Zie, daar nadert Henri Quatre met zijne portie gort den Officier, en zegt op beleefde wijze en weer in een Fransch waarop de Kapitein wel twintigmaal jaloersch wilde worden: „Mijnheer de Luitenant, mag ik u de helft van mijn ontbijt aanbieden? Mij dunkt, u zal, na zulk een’ kouden nacht, wel wat warms en stevigs kunnen gebruiken.”
De Officier keek den bootsman met een paar groote oogen aan, want die gulle goedhartigheid scheen hem toe in strijd te zijn met de woorden, die hij des avonds gesproken had. Het was dus te begrijpen, dat de Officier niet terstond het vriendelijke voorstel aannam, en dat hij zeide: „Maar, mijnheer, hoe kunt gij dat nu meenen? Gij wilt immers niets van de Franschen weten? Gij hebt dat gisteren avond gezegd in een Fransch, dat Koning Lodewijk niet beter spreekt, zoodat wij het allen zeer goed verstaan hebben.”
„Luitenant,” sprak Henri Quatre, „als gij met een Fransch schip langs de kusten van Holland kruistet en een Fransche vluchteling kwam bij u aanboord, zoudt gij dan Hollandsche soldaten toestaan, dat ze uw schip van onder tot boven doorsnuffelden om dien vluchteling te zoeken?”
De Luitenant bedacht zich even en zeide: „Neen!”
„Ferm zoo, Luitenant,” hernam Henri Quatre. „En indien men u het bevel niet gegeven had, den galei-boef na te jagen en aanboord van een schip der Oost-Indische Compagnie te zoeken, zoudt gij het dan uit uzelven gedaan hebben?”
„Neen,” was weer het antwoord.
„Heer Luitenant, neem dan de helft van mijn ontbijt. Ik heb het niet tegen u, ik heb het tegen de daad. Eet smakelijk!”
Nauwelijks hadden de matrozen gezien, wat Henri Quatre deed, of allen volgden zijn voorbeeld, zoodat de arme kerels een ontbijt kregen zóó volop, als ze in hun’ eigen dienst niet zouden gehad hebben. Ja, toen kort daarop het gewone oorlam[3] onder het volk uitgedeeld werd, kreeg iedere Franschman er ook een, en het bleek duidelijk, dat al die verkleumde mannen hiermede wat in hun’ schik waren.
Door die hartelijke behandeling had de Luitenant niet veel lust het onderzoek naar den vluchteling nauwgezet te herhalen, zoodat hij, toen ze op de hoogte van Dieppe waren, maar verzocht hier aan wal te mogen gaan. Ze hadden gezien, dat de vluchteling niet aanboord was.
Het afscheid der Franschen was zeer vriendelijk, en de bootsman kreeg van den Luitenant nog een’ handdruk meer dan al de anderen. Zelfs de Kapitein vond dit zeer natuurlijk.
Zoodra de vreemden weer vanboord waren, werd de tocht voortgezet en — niemand dacht meer aan den ontsnapten galei-boef. Wel vroeg in het eerst de een aan den ander of hij begreep waar die kerel gevlogen was, doch, daar niemand er iets van wist, zweeg men er ten laatste over.
De tocht vorderde buitengewoon goed. Door den wind voortgejaagd vloog het fluitschip, dat, voor een’ Oostindie-vaarder altijd, nog al vrij rank gebouwd was, over de golven, doch men hield meer den Engelschen dan den Franschen wal, zoodat men moeielijk zien kon of ze Hâvre al voorbij waren.
Eer de volgende morgen kwam begreep evenwel iedereen, dat men de Fransche kust geheel voorbij was en dat men weldra in den Oceaan zou zijn.
Dirk en Henri Quatre, die de dagwacht hadden, liepen samen op het voorschip diep in hunne kragen gedoken en met de wollen muts over de ooren, heen en weer; want het was vinnig koud en de wind blies stijf uit het noordoost. Nu en dan trokken donkere wolken over, die sneeuw en hagel medebrachten.
„De Maartsche buien komen van het jaar laat aanzetten, bootsman,” zeide Dirk. „Hu, hoe koud is het! De wind snijdt iemand door al de kleeren heen.”
„Ik zal er den brand nog maar eens injagen,” sprak de bootsman. „Misschien dat me het rooken wat helpt!”
Hij stopte nu zijn pijpje en zeide: „Ja, ja, het is toch maar zooals onze goede Vader Cats kortelings schreef:
„Wat magh’ er eenig volck speck, vlees of hammen wenschen,
Al dat maeckt drabbigh bloet en onvermeuge menschen[4]
Voor mij ick weet een spijs die ick al beter hou,
Die draegh ick in mijn sack of in mijn wijde mou.
Kom, let op mijn bedrijf, ’t en zijn geen slechte saken,
De koek, dien ick gebruyck, dat sijn mijn eygen kaken;
Mijn keuken is een pijp, een doos mijn schapperae,[5]
Die draeg ick even staeg waer dat ick henen gae;
Een blat is mijn gebraet: van hier, o grage monden!
De schoorsteen is mijn neus, is dat niet wel gevonden?”
Terwijl hij dat gedichtje zoo binnensmonds opzegde, had hij de kleine koperen doos waarin zwam was, genomen en met behulp van een stuk staal en een vuursteen, het zwam vonkende gemaakt. De pijp werd nu in dat ronde doosje boven het brandende zwam gehouden en weldra werd het hoofd van den bootsman nu en dan onzichtbaar achter wolken van rook.
Dirk stond den damper met open mond aan te gapen, en juist wilde hij iets zeggen, toen hij naar den boeg wees en riep: „Een hoofd!”
„Wat Zaterdag, wat is dat?” zei de bootsman.
De Eerste Stuurman, die bij het roer stond, wenkte hem en zeide, toen ze bij hem gekomen waren: „Terwijl jelui stondt te praten, heb ik daar een paar keer bij den boegspriet het hoofd van een’ man gezien. Gaat eens kijken wie dat is! Als het de gevluchte boef eens ware!”
„Dan zou ik het land hebben, dat hij onder mijne wacht gevonden werd. De Ouwe zal dan nog veel meer gelooven, dat ik er alles van geweten heb.”[6]
„Ik ben je getuige, bootsman,” zeide de Stuurman. „Gij kunt gerust zijn. De Kapitein zal mij toch wel gelooven, vertrouw ik. Doch ga thans naar den boeg en onderzoek, wat daar is.”
De bootsman en Dirk begaven zich nu naar het voorschip en bij den boegspriet gekomen, kwam het hoofd juist weder te voorschijn.
„Drommels, dat is.... dat is....” riep Henri Quatre.
Dirk was hem vooruitgeloopen en vond nu onder den boegspriet, achter het wapen van Leerdam, dat den boeg van het fluitschip versierde, in den zoogenaamden boegsprietsoven[7] een man, die zich daar tusschen gewrongen had, en er allerakeligst uit zag.
„Wie ben je?” vroeg Dirk.
„De ontvluchte galei-boef,” klonk het zwakke antwoord. „Och, help mij! Ik heb mij hier tusschen gewrongen en kan nu niet terug of ik val in zee!”
Henri Quatre was nu ook naderbij gekomen.
Hij keek over de verschansing, zag den vluchteling aan en....
„Dolf, jij?” riep hij.
De vluchteling keek Henri Quatre aan en na hem eenige oogenblikken aangestaard te hebben, zeide hij op vragenden toon: „Wat?! Zie ik nog goed? Droom ik niet? Ben je Willem....”
„Halt! Geen woord meer! Ja! Die ben ik! Ik zal u helpen! Hier, Dirk, houd dat touw aan dezen kant.”
Dirk greep een touw, sloeg dat om de beenen van den man en met behulp van Henri Quatre’s sterke armen, haalde men den armen kerel, die daar twee dagen verborgen had gezeten zonder iets te eten of te drinken, op het dek.
„Hij is dood,” zeide Dirk.
„Nog niet! Blijf bij hem, ik zal wat halen,” zeide de bootsman en verwijderde zich schielijk.
Gaandeweg kwam de een na de ander bij den vluchteling, die nu, zonder teekenen van leven te geven, daar op het dek lag. Ook de scheepsbarbier kwam er bij en deze begon al dadelijk met te zeggen: „Ik zal hem pleisters met troost der armen op de kuiten en in den nek leggen.”
Ook de Kapitein kwam en vroeg, wat er gaande was.
„De Fransche vluchteling, Kapitein!” gaf Dirk ten antwoord. „Wij hebben hem uit den boegsprietsoven gehaald.”
Juist wilde de Kapitein er het zijne van zeggen toen de bootsman aankwam met een klein fleschje echten, Franschen en onvervalschten brandewijn. Hij liet hiervan eenige druppels tusschen de half geopende lippen van den man vallen en zag toen bedaard welk eene uitwerking dit had.
De arme man scheen uit zijne bedwelming, waarin honger en koude hem gebracht hadden, te ontwaken, en de oogen openend, sloeg hij ze vol dankbaarheid op den man, die hem nog juist bijtijds uit zijn’ gevaarlijken toestand verlost had.
De geheele bemanning keek den armen vluchteling medelijdend aan, en niet één onder hen, den Kapitein uitgezonderd, of hij was verheugd te zien, dat de stumperd weer bijkwam.
Opeens evenwel liet de Kapitein zich hooren.
„Bootsman, ik moet u als rebel behandelen.”
„Als ge meent, dat ge zulks doen moet, ga dan uw’ gang, Kapitein! Maar, ik wensch dan door den vollen scheepsraad mijn vonnis te hooren uitspreken,” zeide Henri Quatre bedaard. „Dat is een recht, dat zelfs een’ pluimgraaf toekomt.”
De Kapitein knarste van woede op de tanden, en sprak: „Gij hebt den boef eene schuilplaats gegeven, en als de Luitenant hem gevonden had, dan waren wij in Calais opgebracht en zou men beslag op ons schip gelegd hebben.”
„Door wien opgebracht, Kapitein?” vroeg de Eerste Stuurman. „Door wien, als ik vragen mag?”
„Door wien? Wel, door wien anders dan door den Luitenant en zijne onderhebbende manschappen!”
„Meent u dat?”
„Zeker meen ik dat! Ik zou wel willen vragen waarom gij denkt, dat ik het niet meen?”
„Nu, dan vergist gij u, Kapitein! Hij zou ons niet te Calais, maar wij zouden hem te Batavia gebracht hebben, en wat netjes ook,” sprak nu één der omstanders.
De Kapitein zag grimmig om en wist nu dat die woorden gezegd waren door Mijnheer Melters, die in dienst der Oost-Indische Compagnie was, en als Opper-koopman of Super-carga de reis mede maakte met de „Leerdam”.
„In alle gevallen, Mijnheer de Super-carga, heeft de bootsman gezondigd tegen de wetten en bevelen, en ik eisch, dat hij hiervoor gestraft zal worden”, zeide de Kapitein.
Tot hiertoe had de vluchteling nog geen woord gesproken. Hij richtte zich evenwel thans een weinig op en zeide in het Nederlandsch en met zwakke stem: „Niemand heeft mij geholpen of verborgen, Kapitein! Ik heb mijzelven in den uitersten nood eene schuilplaats verschaft achter het scheepswapen in den boegsprietsoven. En zoo ik oorzaak zal zijn, dat iemand om mij onschuldig gestraft wordt, laat mij dan liever overboord smijten. Te verdrinken is nog beter dan te leven als galei-boef!”
De Kapitein zag hem nijdig aan en beval op hoogen toon: „Men brenge den vluchteling in de ziekenhut en den bootsman....”
„Overijl u niet, Kapitein,” sprak de „IJzeren Neptunus.” „Laten wij den Raad beleggen en laat den bootsman met ons gaan. U zal zien, dat hij geen rebel mag genoemd worden.”
„Stuurman, gij begint ook?” riep de Kapitein driftig.
„Laat al de Officieren van het schip in de kajuit komen, Kapitein, en dan zal ik vertellen, wat ik van de zaak gezien heb,” luidde het antwoord van den „IJzeren Neptunus”, die zeer kalm bleef[8].
De Kapitein voldeed daaraan en toen al de Officieren bij elkander waren, en de bootsman, als beschuldigde, tegenover hen stond, deelde de Stuurman mede, wat hij gezien had vóór de bootsman en Dirk het zagen. Verder zeide hij ook dat de bootsman zijne spijt had te kennen gegeven, dat de vluchteling nu juist moest gevonden worden op zijne wacht, omdat men dan lichtelijk vermoeden zou, dat het eene doorgestoken kaart was en hij al lang, ja, van het begin af, geweten had, waar de ontsnapte boef was. Na dit alles gezegd te hebben eindigde hij met het voorstel te doen om den vluchteling in deze ook te hooren, tenminste indien hij instaat was om verhoord te worden.
„Als hij er nog niet instaat toe is, zal hij er weldra instaat toe zijn, want ik heb hem drie pleisters met troost der armen gelegd, in de linker- en rechterzijde en in den nek,” zeide de scheepsbarbier.
„Och, jij met je pleisters! Als het maar in je macht was, dan zou je de maan aan de sterretjes plakken,” sprak de kok. „Ik heb hem eene maat warme gort gegeven.”
„Dat laatste middel zal heilzamer werken dan het eerste,” meende de Opper-koopman. „De man was letterlijk uitgehongerd.”
De Kapitein scheen in te zien, dat zijne vrees voor den bootsman hem leelijke parten gespeeld had. Hij gaf dus toe en zeide, dat de gewezen boef, als hij kon, voor den scheepsraad verschijnen moest.
Dit scheen den bootsman niet te bevallen, en reeds stond hij op het punt er iets tegen in te brengen, toen de Stuurman zich al verwijderd had om bevel te geven den vreemdeling in de kajuit te laten komen.
In gespannen verwachting bleven allen zitten, en toen de man aan den ingang der kajuit verscheen, keken ze hem zoo vreemd aan, alsof hij een buitengewoon wezen was.
Nu buitengewoon was hij niet, maar gewoon toch ook niet.
Hij was vreeselijk mager, lang en breedgeschouderd. Zijn gelaat was zeker in langen tijd niet geschoren of gewasschen en zijn koolzwart haar was, naar het gebruik op de galeien, even als bij misdadigers, kort bij het hoofd afgeknipt. Hij had ivoorwitte tanden en donkere oogen, die akelig diep in de kassen weggezonken waren. Alles sprak bij hem van armoede, ellende en lijden, en misschien, dat hij later, als hij geheel hersteld zou zijn, een knap man zou worden, maar nu was hij vreeselijk leelijk en terugstootend.
Hij hield zich aan de stijlen der deur vast en eer nog iemand wat gezegd had, sprak hij: „Ik zou wel willen zitten, Kapitein! Ik ben te zwak om te staan!”
„Dat ziet men u waarlijk wel aan,” zeide de Opper-koopman en opstaande bood hij den man een’ stoel aan.
„Wie zijt gij?” vroeg de Kapitein.
„Een Antwerpenaar van geboorte en een Geldersman door opvoeding, Kapitein!”
„Uw naam?”
„Jonker Adolf van Backerswerve!”
„Uw beroep?”
„Laatstelijk galei-boef, Kapitein! Nu een man, die u om een plaatsje, als matroos, op uw schip vraagt.”
„Ik heb geene matrozen noodig! Volk genoeg,” sprak de Kapitein, die weer in zijne onvriendelijke bui verviel. „Wat waart ge en waar woondet gij vóór men u naar de galeien bracht?”
„Ik ben begonnen als student te Leuven, en als ge dat niet gelooven wilt, vraag dat dan aan Jonker Willem van Aspervelde, die....”
De bootsman sprong op.
„Wie is die Jonker Willem van Aspervelde? Wij kennen hem niet,” zeide de Kapitein, die evenwel nu vermoedde, dat de geheimzinnige bootsman eigenlijk zoo heette.
„Dat ben ik, Kapitein,” zeide de bootsman. „En nu mij zoo geheel tegen mijn’ zin en wil en zoo onschuldig het doopceêl gelicht wordt, zal ik spreken en kan hij een oogenblik zwijgen. U ziet dat zelfs zittend spreken hem afmat.”
De Officieren keken den bootsman met verbazing aan.
„Ik ben Jonker Willem van Aspervelde en was twintig jaar geleden student aan de Hoogeschool te Leuven. Mijne Ouders wilden een’ Advocaat van mij maken en ik wilde in dienst van de Zeven Geünieerde Provinciën gaan. Ik wilde deelnemen aan de roemrijke zeetochten, die door haar gemaakt werden en dienst nemen onder den grooten Tromp. Maar mijne Ouders waren te zeer Spaanschgezind en wilden dat niet hebben. Toen sloeg ik, zeker verkeerd genoeg, het hoofd in den wind. Ik studeerde gemakkelijk, promoveerde tot Doctor in de Rechtsgeleerdheid, maar bleef te Leuven, als een gewoon student leven, zonder wat anders te doen dan een lui, lekker leven te leiden en zoo nu en dan eens te vechten.”
„Vocht u?” vroeg de Kapitein.
„Ja, en wel met hem, die daar staat. Hij was ook Doctor in de Rechten en leefde op dezelfde wijze als ik achter de bierkan en de wijnflesch. Op een’ avond, dat we vol zoeten wijns waren, kregen we twist en — eene flesch kwam zóó op het hoofd van mijn’ vriend neer, dat hij nederviel en voor dood weggedragen werd. Ik vluchtte, kwam in Holland en—nam dienst als gemeen matroos. Toen neef Joan Maetsuycker evenwel Gouverneur-Generaal werd, trad ik in dienst der Compagnie en werd, trots alle Kapiteins, bootsman door zijn toedoen. Hij daar,” — de bootsman wees op den gevluchten boef, — „was evenwel niet aan de gevolgen der wonde gestorven. Ja, hij scheen in te zien, dat de drank de oorzaak van alles geweest was, en daarom herstelde hij uit zichzelven de oude vriendschapsbetrekkingen. Later kreeg ik eenige brieven van hem en toen was hij Luitenant op de Fransche vloot!”
„Is dat waar? En hoe zijt gij dan op de galeien gekomen?” vroeg de Kapitein aan Jonker Adolf van Backerswerve.
„Dat alles is waar, Kapitein! In onze dronkenmans-bui begonnen we de dwaasheid met elkander te vechten. En dat was wel eene groote dwaasheid, want we waren boezemvrienden. De toegebrachte slag was gelukkig niet doodelijk en ik herstelde. Maar nu mijn vriend weg was, wilde ik ook niet blijven. Ik liep naar Frankrijk en kwam daar op een oorlogsschip, waar ik, geholpen door kennissen, weldra Luitenant werd. Eens op een’ dag evenwel begon de Kapitein van het schip te smalen op de Vlamingen, en hij zeide dat deze lafbekken waren, en den moed niet gehad hadden, het voorbeeld van de Noordelijke Nederlanden te volgen om den Spanjaard zijn afscheid te geven. Dat kon ik niet verdragen, ik gaf hem eene muilpeer en beet hem sarrend toe: „Hoe bekomt u zoo’n kitteling van een lafbek, Kapitein?” De gevolgen bleven niet uit, doch door voorspraak mijner vrienden werd ik nog niet tot de galeien verwezen en alleen gemeen matroos gemaakt. Dat ik mij hierin niet al te best schikken kon, dat spreekt, en daardoor maakte ik het weldra zoo bont, dat ik met de welwillende (?) medewerking van mijn voormaligen Kapitein op de galeien kwam. Ik ben daar twaalf jaren lang geweest. Twaalf jaren lang heb ik geleden. Twaalf jaren lang heb ik de kluisters gedragen. Twaalf jaren lang heb ik naar eene gunstige gelegenheid uitgezien om te ontsnappen. Eindelijk gelukte het mij. Nu ben ik hier en vraag een plaatsje als gemeen matroos aanboord van het schip, waarop mijn oude vriend de betrekking van bootsman bekleedt. De waarheid heb ik gezegd.”
De Kapitein en al de anderen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van de twee mannen en hij vroeg thans, wat er te doen stond.
„In de eerste plaats uitmaken of de bootsman zich vergrepen heeft aan de bevelen van den Kapitein,” zeide de Opper-koopman. „En daartoe weten wij nog niet genoeg. De gewezen Luitenant Jonker Adolf van Backerswerve zal dus wel zoo goed willen zijn te zeggen, hoe hij zich voor het zoekend oog van den Franschen Officier en zijne manschappen verborgen heeft weten te houden.”