In een later hoofdstuk zullen wij den oorsprong beschouwen van de groote herleving der kunst in Toskane en andere streken van Italië tegen het einde van den dertiende eeuw en zullen wij de aandacht vestigen op de vroege kenteekenen van den nieuwen geest en den invloed van de Byzantijnsche schilders en mozaïekwerkers, die, vooral na de plundering van Constantinopel door de Latijnen in 1204, geheel Italië overstroomden. Hier zullen wij slechts wijzen op den stand van zaken in Zuid-Italië en Sicilië gedurende de periode c. 1050–1200 ten opzichte van de mozaïeken en de beeldende kunst. Het is een onderwerp, waarover nog veel meer licht moet gespreid worden, voordat men kan hopen eenige zekerheid te krijgen omtrent de theorie, dat de schitterende bloei van de kunst in de dagen van Niccolo-Pisano, Giotto en Dante voornamelijk moet worden toegeschreven aan de beeldhouwers en dichters, en misschien zelfs aan de schilders van Zuid-Italië.
Byzantijnsch mozaïek-werk, Byzantijnsche schilderkunst en Byzantijnsche metaalbewerking (geen beeldhouwkunst, want deze werd door de Byzantijnen weinig beoefend) hadden zonder twijfel de overhand in de streken van Zuid-Italië, die onderworpen waren aan den Byzantijnschen Keizer1. Indien men de archieven mag gelooven, dan was er een bijna onbeperkte hoeveelheid van zulke schatten in die streken en het aantal prachtige bronzen deuren, die nog in de kathedralen van Campanië en Apulië bestaan en van de buitengewone bekwaamheid der Byzantijnsche kunstenaars getuigen, is aanzienlijk (b.v. te Amalfi, Atrani, Salerno enz.). Deze Byzantijnsche deuren dagteekenen uit den tijd van c. 1050 tot 1100. En wij vinden even prachtig werk van Italiaansche kunstenaars, doch van iets later dagteekening, b.v. de groote bronzen deuren van de Kathedraal te Trani, en andere te Benevento en Ravello.
Hier en daar treffen wij ook mozaïeken aan, die dateeren uit het tijdperk der Noormannen en die blijkbaar geen Byzantijnsch werk zijn, zooals het groote S. Mattheus-mozaïek te Salerno. Te Salerno is ook de beroemde paliotto (manteltje), een altaar-bedekking met ivoren reliefs die een aantal Bijbelsche tooneelen voorstellen. De bekwaamheid, waarmede dit werk is gedaan, is zeer merkwaardig. Het is zeker niet de arbeid van een kunstenaar, die alleen bij de Byzantijnsche school in de leer is geweest, en wanneer het werkelijk uit de twaalfde eeuw dagteekent, dan schijnt er mogelijkheid te bestaan, dat deze vroeg Lombardisch-Romaansche school van Zuid-Italië ten slotte in staat is geweest werk voort te brengen, dat, met meer recht dan de Pisaansche kansel (plaat 61) van Niccolò, de “ark” kan genoemd worden, waaruit de Toskaansche beeldhouwers zijn voortgekomen.
Maar in het Siciliaansche mozaïekwerk vooral vinden wij zeer duidelijk aanwijzingen, dat er tegen het einde van deze periode (c. 1140–1200) een belangrijke school van nationale kunst heeft bestaan. Deze mozaïeken zijn wezenlijk verschillend van die der Byzantijnsche school, en het feit, dat in dit tijdperk de groote Romeinsche school van mozaïek-kunst blijkbaar2 geheel verdwenen was (dit was sedert 900 ongeveer het geval), maakt het vrij waarschijnlijk, dat kunstenaars der Noormannen, onder Lombardischen invloed, een nieuwen en zeer edelen stijl hadden ontwikkeld.
In de Cappella Palatina te Palermo (plaat 33) kan men veel en schitterend mozaïekwerk zien; het oudste en fraaiste dagteekent uit de regeering van Koning Roger (c. 1032–40). De waardige en indrukwekkende voorstelling van den Verlosser, zoowel hier als te Cefalù is zeer merkwaardig. De kathedraal te Cefalù (plaat 44) bezit nog mooier voorbeelden van vroeg-Siciliaansch mozaïekwerk. De behandeling van sommige engelen en heiligen toont misschien eenigen Byzantijnschen invloed, maar de heerlijke Christus-figuur is in den Lombardischen stijl, dien de Noormannen hebben overgenomen. Wanneer men de overlevering mag vertrouwen, heeft Roger in 1129 Cefalù gebouwd, voordat hij den koningstitel heeft aanvaard en indien dit zoo is, zijn sommige van deze mozaïekwerken waarschijnlijk de oudste van hun soort en kunnen wel Byzantijnsch werk zijn; maar men neemt aan, dat de Christus-figuur van het jaar 1148 dateert.
52. Tombe van St. Augustinus
Tombe van St. Dominicus.
In de kerk te Palermo, die sinds 1433 la Martorana heet naar de stichtster van een klooster, doch oorspronkelijk den naam droeg van S. Maria dell’ Ammiraglio (de Admiraal of Emir van Koning Roger, die de kerk in 1143 gesticht heeft), is het belangrijke mozaïekwerk te zien, dat op plaat 34 is afgebeeld. Waarschijnlijk versierde het vroeger de voorzijde. Het stelt Koning Roger voor, die uit de handen van Christus de koningskroon ontvangt—een scherpzinnig bedacht protest tegen Paus Innocentius II, die Roger niet erkend had, toen hij den koningstitel aannam (zie p. 362).
In de kathedraal te Monreale is een soortgelijk mozaïek, waar Willem de Goede, zooals zijn grootvader, wordt voorgesteld, terwijl hij zijn kroon van Christus ontvangt; de gedachte was blijkbaar erfelijk geworden. Deze kerk vertoont een geweldige oppervlakte van mozaïeken (ongeveer 6400 M2) van verschillende dagteekening. Zij stellen tooneelen voor uit de geschiedenis van het Oude Testament, van het Leven van Christus en de Levens der Apostelen en vertoonen een ontelbaar aantal heiligen en engelen.
1 Er wordt verteld dat de Abt Desiderius van Monte Cassino vele Byzantijnsche kunstenaars c. 1066 naar Italië heeft gehaald.
2 Desniettegenstaande schijnen dergelijke fraaie mozaïeken, zooals in de S. Clemente (Rome) en de S. Maria in Trastevere (plaat 57) tot de twaalfde eeuw te behooren. Of deze en ook de mozaïeken van de koningen der Noormannen het werk waren van Romeinsche of Byzantijnsche artisten of van een onafhankelijke Lombardisch-Siciliaansche school is een punt, dat niet alleen door de techniek en het materiaal, maar ook door de keuze en behandeling van de onderwerpen en de symboliek bewezen moet worden.