DWAASHEID OPGEHANGEN.
Toen kwam Twijfelaar aan de Roeping en werd verhoord. Zijne beschuldiging kwam in hoofdzaak met de vorige overeen, behalve dat hij ook de Roeping van Menschziel loochende.
De rechter gaf ook hem gelegenheid zich te verdedigen. Hij antwoordde, dat hij nooit kon gelooven, dat er zulk eene bijzondere en krachtige roeping bestond als Menschziel vermeende, maar alleen een algemeene roeping, eene roepstem van het woord, en dat God op geene andere wijze aan de ziel werkte dan door vermaning tot het vermijden van het kwaad en betrachten van het goed met eenige daarbij gevoegde beloften.
Daarop liet zich de rechter aldus hooren: „Gij zijt een Diábolus-man en hebt een groot deel van de beproefdste waarheden van Prins Immanuel ontkend; want hij heeft Menschziel geroepen en zij heeft eene zeer bepaalde en krachtige stem van haren Vorst gehoord, door welke zij levend geworden is en met hemelsche genade vervuld; toen is zij begeerig geworden met haren Vorst gemeenschap te oefenen, hem te dienen, zijn wil te doen en al hare zaligheid te verwachten van zijn welbehagen. Omdat gij nu deze goede leer verworpen hebt zult gij den dood sterven.”
Daarop kwam de Twijfelaar aan de Genade en hoorde zijne beschuldiging aan, waarop hij antwoordde, dat ofschoon hij al geleefd had in het land der Twijfelaars zijn vader een farizeër was, die in zuivere vormen leefde, en temidden zijner buren geacht was, en dat deze hem onderwees en leerde gelooven, dat Menschziel nooit door vrije genade zalig zou worden.
De rechter antwoordde: „De wet is in dezen zeer duidelijk, want die zegt ten eerste: niet uit de werken, ontkennenderwijs en daarna: uit genade zijt gij Rom. 3. Efez. 2. zalig geworden. Uw Godsdienst is naar het vleesch en zijne werken, en de werken des vleesches behooren ten onder te worden gebracht. Bovendien berooft gij God van zijne eere en geeft dien aan een zondig menschenkind. Gij verklaart, dat Christus werk niet noodzakelijk, genoegzaam en voldoende was. Gij versmaadt het werk des Heiligen Geestes en steunt op den vleeschelijken wil. Gij zijt een Diábolus-man; de zoon van een Diábolus-man en daarom moet gij sterven.”
Toen het hof zoover genaderd was gingen de rechters met elkander raadplegen en keurden hen allen des doods schuldig. De Griffier opstaande zeide tot de gevangenen: „Gij, die hier voor den rechterstoel staat, zijt allen wettig onderzocht en schuldig bevonden aan hoog verraad tegen Immanuel onzen Vorst en Menschziel gesmeed. Uw vonnis is eenerlei; gij moet sterven.”
En onmiddellijk werd tot de uitvoering van dit vonnis overgegaan. Allen werden gekruisigd op de plaats, waar Diábolus zijn laatste leger samentrok; alleen de Twijfelaar-aan-het-Kwaad werd aan zijne eigen deur, op den hoek der Kwade straat opgehangen.
Zoo was Menschziel van deze hare vijanden verlost: maar nu werd nog een strikt bevel gegeven dat de heer Vastewil met zijn dienaar Naarstigheid nog voortvaren zouden, het overschot van het complot op te sporen. Hunne namen waren Slecht, Goed-Verwerper, Slaafsche vrees, Zonder-Liefde, Wantrouwen, Vleesch en Onwillig. Ook de kinderen van Twijfelaar-aan-het-kwaad moesten worden gevat en zijne woning afgebroken. De kinderen heetten Twijfel, Wettisch, Ongeloof, Verkeerde-Gedachten-van-Christus, Belofte-besnoeier, Gevoelsleven en Eigenliefde. Hunne moeder was vrouw Zonder-hoop, eene nicht van den ouden Ongeloof en eene dochter van baas Duister.
De heer Vastewil voerde dit bevel uit. Hij ving Slecht bij den weg, en hing hem op tegenover den Molsgang. Deze Slecht had kapitein Geloof in Diábolus handen overgegeven. Ook Goedverwerper werd op de markt gevat en gevonnisd. Binnen de stad leefde nu nog een arme vrome man, die Overdenking heette. Hij had in de dagen van den afval weinig attentie getrokken, maar nu was hij in achting. Hem werd nu al het bezit van Goedverwerper overgegeven, zoodat hij rijk werd en met zijne vrouw Vroom, des Griffiers dochter en zijn zoon Weldenkend in vreugde leefde.
Nu werd nog Belofte-besnoeier gevat, een groot booswicht, die heel wat van ’s konings geld besnoeid had. Hij werd veroordeeld om te pronk te staan en door alle inwoners van Menschziel gegeseld te worden. Daarna moest hij hangen. Die straf was wel gestreng maar niet onverdiend; want alle eerlijke handelaars weten welk kwaad de geldsnoeiers uitvoeren.
HUISZOEKING NAAR VLEESCHELIJK GEVOELEN.
Men ving ook Vleeschelijk gezind en zette hem vast, maar hij brak los en ontkwam. Die leelijkert hield zich daarna schuil binnen de stad, en spookte des nachts rond als de lieden sliepen. Daarom werd er eene kennisgeving uitgevaardigd, dat al wie hem in Menschziel vond, hem vangen en dooden moest, en tot loon zou hij aan ’s konings tafel eten en bewaarder der schatten worden. Maar hoevelen er ook op uitgingen, ze konden hem maar niet te pakken krijgen.
Ook Verkeerde Gedachten werd gegrepen; maar deze had reeds de tering en stierf daaraan. Eigenliefde onderging hetzelfde lot; velen in Menschziel waren met hem vermaagschapt en wilden hem dus sparen; maar de heer Zelfverloochening zeide: „Indien zulke booswichten binnen Menschziel geduld worden, dan leg ik mijn post neer!” Hij ontrukte hem dus aan het volk en sloeg hem de hersens in. De dappere daad van den kapitein hoorde de Prins en deze verhief hem tot den adelstand. Ook de heer Vastewil ontving lof voor zijn ijver.
Nu grepen die twee een bijzonderen moed
en vielen samen op Gevoelsleven en Wettisch
aan, hen inkerkerend tot ze stierven.
Maar Ongeloof was zulk een looze vos, dat
ze hem niet machtig konden worden wat zij
ook deden. Hij en enkele anderen bleven
daarom nog over totdat Immanuel zelf hen
zou verdelgen. Toch bleven zij in kuilen en
spelonken, en werden ze soms gezien, dan
zette de gansche stad hen na. Ja, zelfs
wierpen de kinderen hen met steenen. Nu
geraakte Menschziel Jes. 33 : 17.
Phil. 3 : 20.
in een staat van vrede en rust; haar
vorst bleef bij haar, de kapiteins ondersteunden
haar, de soldaten deden hun plicht
en zij zelve dreef veel koophandel met een
vergelegen land.
NNu bepaalde de Prins een zekeren dag,[67] waarop hij op de markt het gansche volk bijeen wilde zien, hun bevelen geven aangaande de toekomst; hun zeggende wat tot hun troost zou dienen en tot verderf der Diábolus-mannen. Op dien dag kwam hij aanrijden op zijn wagen en al de zijnen omringden hem in groot uniform. De Prins opende den mond en sprak aldus:
„O, gij mijn geliefd Menschziel. Vele en groot zijn de voorrechten, die ik aan u heb te koste gelegd. Ik heb u van anderen afgezonderd en voor mijzelven uitverkoren, niet wegens uwe waardigheid, maar om mijns naams wil. Ik heb u ook verlost, niet alleen van de verschrikkingen van mijns Vaders wet, maar uit Diábolus hand. Dit deed ik omdat ik u liefheb, en omdat ik er mijn hart op gezet heb om u wèl te doen en u den weg tot de hemelsche vreugd te banen. Daarom heb ik ook voor u en voor uwe ziel eene volkomen genoegdoening gegeven, en u mij tot een eigendom gekocht. Dit geschiedde niet tot een vergankelijken prijs, maar dien mijns bloeds, hetwelk ik vrijwillig op de aarde heb uitgestort om u de mijne te maken. Daar ik u volkomen met mijn Vader heb verzoend, zoo heb ik u ook eene woning besteld bij mijn Vader in de Koninklijke stad, waar dingen zijn, o Menschziel, die geen oog gezien heeft en geen oor gehoord, en in geens menschen hart zijn opgekomen. Daarenboven weet gij hoe ik u heb gered uit de hand van al uwe vijanden, die u tegen mijn Vader deden rebelleeren en die u ten verderve zouden hebben gebracht. Eerst kwam ik tot u met mijne Wet, daarna met mijn Evangelie om u te doen ontwaken en u mijne heerlijkheid te toonen, en gij weet wat gij waart, wat gij zeidet, wat gij deedt, en hoe dikwijls gij tegen mijn Vader en mij opstondt. Nochtans heb ik u niet verlaten zooals gij heden te dage ziet; maar ik ben tot u gekomen; ik heb geduld met u gehad, op u gewacht, en u daarna omhelsd uit enkel genade en goedertierenheid. Hoewel gij u moedwillig in het verderf hadt gestort, zoo wilde ik zulks toch niet gedoogen. Ik omringde u, ik onderwierp u, ik bracht er uw hart toe om uwe zaligheid niet langer te verwaarloozen. En toen ik nu eene volkomen overwinning op u behaald had, zoo gebruikte ik die tot uw voordeel.
„Gij ziet ook welk een groot getal van mijns Vaders heirmacht binnen uwe muren gelegerd zijn, die tot onderwerping uwer vijanden dienst doen. Gij kent al mijne kapiteins, bevelhebbers, soldaten, oorlogstuig van buitengewone kracht, zooals het in geen ander koninkrijk voorkomt in alle deelen van het heelal. Mijne dienstknechten zijn ook de uwe tot bescherming en reiniging en heerlijkheid; want gij zijt geschapen om alzoo toebereid te worden. Daarenboven weet gij hoe ik uwe afkeeringen heb genezen. Ja, ik ben toornig op u geweest, maar mijn toorn is nu van u afgekeerd en heeft uwe vijanden getroffen. Niet wegens uwe goedheid, maar omdat ik u bleef liefhebben. Alleen wegens uwe ongerechtigheid heb ik mijn aangezicht eene wijle voor u verborgen. De afkeering kwam van u, maar de wederkeer van mij. Ik maakte uwe zoetigheid tot bitterheid, uw dag tot nacht, uw effen weg tot een doornig pad, tot beschaming van allen, die uw verderf zochten. Ik was het, die maakte, dat Vreeze-Gods Menschziel niet verliet. Ik wekte uw geweten op, uwen wil en uwe genegenheid tegelijk met uw verstand. Ik gaf weder leven in u opdat mijn Menschziel mij zoeken zou, en daarmede vondt gij genezing, geluk en zaligheid. Ik verdreef voor de tweede maal het Diábolus-complot en overwon het met mijn aangezicht.
[67] De Prins bepaalde een dag, waarop allen op de markt naar hun kwamen luisteren. Wat in de Christenpelgrimsreis het land Beulah genoemd wordt is de toestand der ziel, die nu gereinigd en geheiligd, in het genot der gemeenschap met haren Immanuel verkeert. Hij spreekt liefelijke woorden tot haar, troost haar en vermaant haar. Maar er volgen ook waarschuwingen. Hij leidt haar terug al den weg, dien zij gegaan heeft in afdwaling en bekeering, voor het eerst en bij vernieuwing. Wij zouden dit laatste hoofdstuk wel de sleutel kunnen noemen tot al de voorgaande, waarin de schrijver zelf alles uitlegt en verklaart.
DE DOOD VAN EIGENLIEFDE.
„En nu, mijn Menschziel, ik ben tot u wedergekeerd in vrede en al uwe overtredingen tegen mij zijn uitgedelgd alsof ze niet geschied waren. Ook zal het u niet vergaan als in het begin, maar ik zal nog meer, nog grooter dingen voor u doen. Nog eenen kleinen tijd — o ontzet u daarover niet, wees niet bevreesd — maar ik zal u afbreken en al uwe steenen en uw houtwerk en muren overbrengen naar mijn eigen land, het koninkrijk mijns Vaders, en bouwen u daar weder op, veel heerlijker dan gij nu zijt, opdat mijn Vader in u wone. Ja, gij zult veel heerlijker worden dan eenig koninkrijk op aarde. Daartoe is dan ook uwe stad in den aanbeginne bestemd; ik zal haar maken tot een gedenkzuil mijner ontferming, ja, tot een wonderteeken. Daar zullen dan de ingezetenen van Menschziel dat alles zien, wat zij hier niet vermochten te aanschouwen en hen, die hen overtreffen, gelijken. Daar zult gij in gemeenschap met mij, met mijnen Vader en zijn Oppergeheimschrijver genieten wat hier nooit genoten kan worden al leefdet gij hier ook duizend jaar.
„Dáar zult gij niet meer vreezen voor de moordenaars en Diábolus en de zijnen zullen u niet meer verschrikken. Daar zullen geen samenzweringen meer tegen u gesmeed worden, noch voornemens tegen u gedacht; dáar zult gij geen kwaad gerucht meer hooren noch iets, dat u verschrikt. Ook Diábolus trommel niet, die u deed beven. Daar zult gij ook geene kapiteins of oorlogsmannen meer behoeven. Smart noch jammer overkomt u meer. Daar zal geen heuvel noch bolwerk meer tegen u worden opgeworpen, en Diábolus zal er zijn standaard niet meer planten, die ontzettende, verschrikkelijke standaard! Daar zal u droefheid noch rouw meer ontmoeten, en nooit of nimmer zal eenig Diábolist de macht hebben u weder te bekruipen, zich in uwe grachten te legeren of in uwe wallen te nestelen, of zich binnen uwe grenzen te vertoonen, alle de dagen der eeuwigheid. Het leven zal daar langer duren dan gij het hier zoudt kunnen begeeren en nochtans zal het altijd zoet en nieuw zijn, door geene kwalen des ouderdoms ooit gekweld; zonder de minste stoornis of hinder tot in der eeuwen eeuwigheid. Daar zult gij er velen ontmoeten, die als gij gedeeld hebben in ellende en smart, die ik ook heb uitverkoren en verlost en voor mijns Vaders hof bewaard. Zij zullen zich in uw geluk verheugen en gij u in het hunne.
„Er zijn dingen in mijns Vaders paleis, o Menschziel, die nooit gezien zijn van het begin der wereld af, die mijn Vader in zijn schathuis heeft opgelegd; die dingen zullen u verblijden. Ik heb u gezegd, dat ik u verplaatsen wil en elders overplanten, en daar zal ik u vaststellen en bevestigen, waar zij zijn, die u beminnen; die zich nu reeds van uit de verte over u verblijden; maar hoeveel grooter zal hunne vreugde zijn als zij u in zulk een staat van eer en heerlijkheid bij zich zien! Mijn Vader zal om u zenden om u te laten halen en zij zullen u met zich voeren en u veilig geleiden naar de eeuwige woningen. Zoo heb ik u dan alles getoond wat na dezen met u geschieden zal, maar nu zal ik u ook zeggen wat uwe roeping is, en wat gij te doen hebt tot ik u bij mij kom halen, volgens hetgeen daarvan gezegd is.
„Eerstens zult gij uwe kleederen witter houden dan ooit. Ik had ze u gegeven zonder vlek of rimpel toen ik de eerste keer bij u kwam, maar gij hebt ze bezoedeld en verkreukt. Pas er nu beter op, dat zal wijs van u wezen. Ze zijn wit uit hunnen aard; maar houdt ze zoo wat ik u bidden mag; dit zal uw wijsheid en uwe eere zijn. De koning zal lust hebben in uwe schoonheid, en de wereld zal zien, dat gij de mijne zijt. Gij weet dat daar eene fontein geopend is voor alle onreinheid; wasch ze daarin voortdurend. Als uwe kleederen wit zijn zal de wereld u als de mijnen aanzien. Als uwe kleederen wit zijn dan heb ik vermaak in uwe gangen; want dan zullen uwe voetstappen overal wezen gelijk aan een bliksemstraal, zoodat allen, die het aanschouwen, hunne oogen voelen schemeren. Versier u derhalve met mijne geboden en maak rechte gangen voor uwe voeten naar mijne wet. Dan en zóo zal de koning lust in uwe schoonheid hebben; daar hij uw Heer is zoo buig u voor hem neder. Ps. 15.
„Verzuim daarom vooral niet, o mijn
Menschziel, gebruik te maken van mijne
fontein. Opdat gij uwe kleederen rein en
onbesmet zoudt houden gelijk ik u bevolen
heb, heb ik juist die fontein voor u daargesteld.
Neem daarom telkens weer de moeite
ze te wasschen en wandel nooit in een vuil
Zach. 13 : 1.
Jud. : 23. gewaad. Niet alleen dat dit mij tot oneer
en smaad verstrekt en mij op het allermeeste
mishaagt, maar het zal uzelven ook
zeer tot nadeel strekken en u van allen
troost berooven. Laat daarom uwe kleederen
of eigenlijk mijne kleederen, die ik u gegeven
heb, niet door het vleesch bezoedeld
of bevlekt worden. Houd ze wit en laat op
uw hoofd geene olie ontbreken.
IK LEEF EN GIJ ZULT LEVEN.
„Mijn geliefd Menschziel! ik heb u dikwijls verlost van de aanslagen, complotten, samenzweringen en aanvallen van Diábolus, en voor dit alles eisch ik niets van u dan dat gij mij geen kwaad voor goed vergeldt; maar dat gij in uw gemoed mijne liefde bewaart en nooit de duurzaamheid mijner genegenheid tot Menschziel vergeet. Laat dit vooral u aansporen te wandelen in den u voorgestelden regel, gedachtig aan al de weldaden, die ik aan u heb besteed. Van ouds waren de offerdieren met touwen aan het altaar verbonden. Gedenk wat ik u gezegd heb, o mijne rijk gezegende en beweldadigde!
„O, mijn Menschziel, ik ben levend en ben dood geweest. Ik leef en zal niet meer sterven. Ik leef opdat gij niet sterft. Omdat ik leef zult ook gij leven. Ik verzoende u door het bloed van mijn kruis, en verzoend zijnde zult gij leven door mij. Ik zal voor u bidden en voor u strijden. Niets kan u kwaad doen dan de zonde, niets kan u voor uwe vijanden doen vreezen dan de zonde. Niets kan u ontsieren en verachtelijk maken dan de zonde. Pas daarom op voor de zonde.
„En weet gij waarom ik nog toeliet, dat er Diábolusmannen in uwe muren wonen? Dat is om u waakzaam te doen blijven en u te doen zien wat gij aan mijn kapiteins en legerbenden hebt, en wat mijne genade voor u is. Het is ook opdat gij zoudt weten in welk een beklagenswaardigen staat gij eens waart; ik meen toen niet alleen sommigen maar allen, niet slechts binnen uwe muren, maar ook binnen uw kasteel, in uwe forteressen woonden, o, Menschziel! Al zou ik ze allen slaan, die daar binnen zijn, daar zijn er zooveel buiten u, die u in slavernij zouden voeren. Waren de vijanden binnen in u geheel vernietigd, die van buiten zouden u slapende vinden. Dan zouden zij als in een oogenblik mijn Menschziel opzwelgen. Ik heb hen derhalve nog in u gelaten, maar niet tot hinder of schade voor u (hoewel zij dat zeer begeeren), maar ten uwen beste, waartoe zij dus moeten medewerken, zoo gij maar waakt en bidt en strijdt. Weet derhalve, dat waartoe zij u ooit verzoeken mogen, het nooit mijn oogmerk is, dat u dit verre van mij drijve, maar juist integendeel dichter tot mijnen Vader en mij brenge, en u leere klein in eigen oog te zijn. Wees dus op uwe hoede en strijd den goeden strijd des geloofs. Toon mij uwe liefde en laat niets anders uwe genegenheid opwekken. Bedenk voortdurend wat mijne kapiteins en soldaten voor u hebben gedaan en wees dankbaar. Voed ze en verzorg ze, want dat komt Menschziel ten goede. Toon mij dan uwe liefde, o, mijn Menschziel! en laat hen, die binnen uwe muren zijn, uwe genegenheden nooit aftrekken van hem, die u verlost heeft. Ja, laat het gezicht van een Diábolonist uwe liefde tot mij nog versterken. Ik ben een- en andermaal gekomen om u te bevrijden van de giftige pijlen, die u den dood zouden hebben aangedaan: kom dan nu ook op voor mij, uwen vriend, o Menschziel! en sta tegenover alle Diábolusmannen pal, en ik zal uwe zaak verdedigen voor mijn Vader en zijn gansche hof. Heb mij lief temidden van alle verzoekingen en ik zal u liefhebben niettegenstaande al uwe zwakheden.
„Bedenk, o Menschziel, wat mijne kapiteins, soldaten en oorlogstuigen voor u gedaan hebben. Zij hebben voor u gestreden; zij hebben om uwentwil veel geleden; zij hebben heel wat van u verdragen, en bleven toch uwen welstand bevorderen. Hadt gij hen niet gehad om u te helpen, Diábolus had zeker een eind aan u gemaakt. Koester hen dan, mijne geliefde, en verzorg hen goed. Als gij u wel gedraagt zullen zij u ook zeer genegen zijn en u veel liefde bewijzen. Wanneer gij hen kwalijk handelt zullen zij krank worden en zeer verzwakken. Maak mijne kapiteins niet ziek; want zoo zij krank zijn kunt gij niet sterk wezen; zoo zij verflauwen of bezwijken kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen voor uwen koning. Ook moogt gij niet altijd leven bij gevoel, maar door het geloof aan mijn woord. Ook moet gij dat doen als gij mij niet ziet en ik van u verwijderd schijn; ik draag u toch eeuwig op mijn hart. Bedenk, geliefde, hoe innig ik u bemin en hoe getrouw mijne liefde is. Ik leg u geen anderen last op dan dien gij reeds kent en draagt. Houd wat gij hebt opdat niemand uwe kroon neme. Waak totdat ik kom!”
| Bladz. | ||
| HET LEVEN VAN JOHN BUNYAN | 3 | |
| I. | Zijne geboorte en opvoeding | 3 |
| II. | Zijne bekeering en belijdenis | 8 |
| III. | Zijn lijden om des gewetens wil | 14 |
| IV. | Zijne bediening als herder en leeraar | 19 |
| V. | Zijn loopbaan als schrijver | 22 |
| VI. | Zijn levenseind | 28 |
| INLEIDING | 31 | |
| I. | Menschziel, haar oorsprong en afval | 33 |
| II. | Voorbereidselen over en weer | 50 |
| III. | De kapiteins van El-schaddaï. Het beleg | 58 |
| IV. | Immanuels leger. De aanval | 80 |
| V. | De capitulatie en hare gevolgen | 98 |
| VI. | Intocht van den vorst | 118 |
| VII. | Eenen meester dienen | 124 |
| VIII. | De nieuwe grondwet | 138 |
| IX. | Gevaar voor Menschziel | 150 |
| X. | Een Diabolisch complot | 158 |
| XI. | Het Complot ontdekt | 170 |
| XII. | Het smeekschrift van Menschziel | 178 |
| XIII. | Een middernachtelijke uitval | 183 |
| XIV. | „Ziet, hij bidt!” | 188 |
| XV. | De belofte van zijne komst | 193 |
| XVI. | De terugkomst van den vorst | 202 |
| XVII. | Het leger der mannen des bloeds | 206 |
| XVIII. | „Houd moed, Menschziel!” | 210 |
| XIX. | Immanuels toespraak tot Menschziel | 218 |
In de browserversie van dit boek (zie www.gutenberg.org) zijn ook de illustraties en versierde tekstkaders zichtbaar, mogelijk ontbreken die in andere versies, afhankelijk van de gebruikte hard- en software en hun instellingen.
Inconsistenties in taalgebruik (spelling, afbrekingen, spatiëring, gebruik van hoofdletters, enz.) zijn niet veranderd, behalve zoals hieronder aangegeven. Dit geldt ook voor eigennamen, waarvan verschillende varianten in het boek voorkomen. Op verschillende plaatsen lijken woorden weggevallen te zijn; deze zijn niet toegevoegd behalve zoals hieronder aangegeven; evenmin zijn ongebruikelijke of foute zinsconstructies gecorrigeerd.
Pag. 186, [Rom. 7.]: mogelijk is het versnummer weggevallen.
Pag. 222, [Jud. : 23.]: waarschijnlijk is het hoofdstuknummer weggevallen.
Aangebrachte veranderingen:
Overduidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd; aanhalingstekens en andere leestekens zijn waar nodig stilzwijgend toegevoegd of gecorrigeerd.
In het originele werk zijn drie soorten noten aanwezig: genummerde voetnoten, ongenummerde voetnoten en noten in de tekst (met verwijzingen naar Bijbelboeken). De ongenummerde voetnoten zijn behandeld als voetnoten, waarbij de verwijzing op de meest geëigende plaats in de betreffende pagina is ingevoegd. Beide soorten voetnoten zijn verplaatst naar het einde van de betreffende alinea. De noten in de tekst zijn [tussen vierkante haken] aan het eind van de betreffende alinea geplaatst.
Pag. 8: Nummer II. toegevoegd
Pag. 64: brondocument: waartoe gij hem tot koning aangenomen? veranderd in: waartoe hebt gij hem tot koning aangenomen?
Pag.76: brondocument: Desniettemin belegerden zij met alle macht het huis, waar hij was om het boven zijn hoofd te laten instorten veranderd in: Desniettemin belegerden zij met alle macht het huis waar hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten
Pag. 103: brondocument: welk eene vreugde er Immanuels leger was veranderd in: welk eene vreugde er in Immanuels leger was
Pag. 165: brondocument: HEILIG (in illustratie) veranderd in: ONHEILIG (in onderschrift)
Pag. 222: brondocument: kunt niet dapper of kloekmoedig wezen veranderd in: kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen.