[Inhoud]

NEGER-VERTELLINGEN UIT HET WEST-INDISCHE EILANDENGEBIED.

Begeven wij ons in gedachte naar het West-Indische eilandengebied en zoeken wij er naar voorbeelden uit de op schrift gebrachte mondelinge overleveringen der overeenkomstige bevolking, dan zal ik mij—eensdeels om den omvang van dezen bundel niet al te zeer te overschrijden, anderdeels, omdat wij aangaande de Neger-folk-lore van dit gebied zeer schaarsch zijn ingelicht—slechts moeten bepalen tot een drietal eilanden, nl. tot Curaçao, de voornaamste Nederlandsche bezitting van de groep der zg. Benedenwindsche eilanden, tot de Kleine Antillen behoorend; in de tweede plaats tot het eveneens aan Nederland toebehoorend eiland St.-Eustatius217 van de groep der Bovenwindsche eilanden, eveneens tot de kleine Antillen gerekend; en in de derde plaats tot Jamaica, de belangrijke Engelsche bezitting van de groep der groote Antillen.

Curaçaosche Negervertellingen.
Cuenta di Nansi.

In vier dagen varens bereikt men per stoomschip uit Paramaribo het vóór de Venezuelaansche kust liggende eiland Curaçao218, dat èn door deze gunstige ligging voor den handel èn door zijn droog klimaat geheel andere economische toestanden in het leven heeft geroepen, dan die, welke wij in het tropische regenwoud-gebied van [351]Zuid-Amerika, waartoe Guyana behoort, hebben aangetroffen.

Ook op de physische en geestelijke eigenschappen der bewoners hebben beide factoren, na eeuwenlange inwerking, een belangrijken invloed uitgeoefend.

De oorspronkelijke bevolking van Curaçao en andere eilanden zal hier buiten beschouwing moeten blijven, daar reeds in 1634, toen de Nederlanders zich van het eiland meester maakten, nadat het sedert 1527 een Spaansche bezitting was geweest, er slechts 1415 Indianen over waren gebleven, die er ten slotte, evenals op de meeste West-Indische eilanden, geen nakomelingen van zuiver ras hebben achtergelaten.

De negers, tot welke wij ons hier dus zullen moeten bepalen, en die er na den vrede van Munster als slaven zijn ingevoerd, hebben zich na hunne vrijverklaring op veel uitgebreider schaal met de overige bewoners vermengd, zoodat kleurlingen er de onvervalschte negers ver overtreffen, welke laatsten grootendeels buiten Willemstad, de hoofdstad van het eiland, worden aangetroffen.

De Curaçaosche negers zijn tengevolge van het droge klimaat en door de grootere inspanning, die van hen vereischt wordt, om aan den kost te komen, tot krachtig gebouwde, taaie, voor zwaren arbeid geschikte menschen geworden. De, hoewel niet onvruchtbare, doch dorre bodemgesteldheid dwingt hen tot werken en door den werkzamen aard van den Curaçaoschen neger en door zijn gewilligheid, ook buiten de slavernij plantage-arbeid te verrichten—in tegenstelling van den Surinaamschen neger, die weinig behoeft te doen, om te eten te hebben en die plantage-arbeid, vroeger in slavernij verricht, een schande vindt—zou het eiland bij behoorlijke watervoorziening tot hoogere welvaart gebracht kunnen worden, waar onder hen nu veelal armoede moet heerschen (Ko). [352]

Is dus aan den eenen kant de oorspronkelijke werkzame aard van den neger op Curaçao veel minder verloren gegaan dan in Suriname, aan den andere kant heeft zijn langdurige aanraking met Spaansch sprekende naburen in zijn doen en laten wijzigingen tot stand gebracht, die ook op zijn uit Afrika medegebrachte mondelinge overleveringen hunnen invloed hebben doen gelden.

Wanneer ik hier nu nog bijvoeg, dat zoo goed als alle negers en kleurlingen van het eiland tot de katholieke kerk zijn overgegaan, mag het niet bevreemden, dat de dierenfabel nog meer dan in Suriname onder vreemden invloed verbasterd is.

De omgangstaal op Curaçao is niet het Neger-Engelsch (tegenwoordig beter Neger-Hollandsch genoemd), doch het papiamento, dat een patois is, gevormd uit een mengsel van gebroken Spaansch en Portugeesch en van verbasterde Nederlandsche en Engelsche woorden, die dikwijls zoozeer verminkt zijn, dat men het oorspronkelijke woord moeilijk meer herkennen kan. Behalve deze elementen, komen er nog woorden van Indiaanschen en Afrikaanschen oorsprong in voor, die echter ver in de minderheid zijn.

Het papiamentsch, dat een zeer lange geschiedenis achter zich heeft, is gaandeweg de volkstaal geworden, die voor het Nederlandsch in de kolonie niet heeft kunnen wijken en waarvan de Neger, kinderlijk als hij uit zijn aard is, zich gaarne bedient, wegens de kernachtige, naïve wijze, waarop hij er zich in kan uitdrukken en wegens de vele zoetvloeiende woorden, die het hem mogelijk maken, ze door verschillende stembuigingen meer te zingen, dan te spreken (Ko.).

Wat nu de Neger-vertellingen betreft, die op Curaçao Cuenta di Nansi (= vertellingen van Spin) worden genoemd, ook in deze, oorspronkelijk uit Afrika, meer in het bijzonder van de Goudkust-negers afkomstige [353]dierenfabels treedt nansi nimmer zelf verhalend op. Ook hier zijn het voorvallen uit zijn leven, die door een ander verteld worden. Speciale, daarin zeer bedreven vertellers worden op Curaçao „hinchado di cuenta” genoemd.

Weinig is er tot nu toe aangaande dit onderwerp in het licht gegeven, hetgeen te betreuren is, daar het verzamelde materiaal het mogelijk zou gemaakt hebben, de wijzigingen te leeren kennen, die door vreemden invloed in een zelfde uit Afrika afkomstige dierenfabel tot stand zijn gekomen.

Wij zijn slechts aangewezen op enkele cuenta di nansi, opgenomen in het derde jaarverslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap te Willemstad, waarvan de verzamelaar vermoedelijk J. H. J. Hamelberg was, en uit welke een hier als voorbeeld moge dienen.

Pogingen, om hier te lande bij Oud-Curaçao’ers onuitgegeven cuenta di nansi machtig te worden, mislukten, omdat, hoewel het bestaan dezer overleveringen bij het meerendeel niet onbekend was, niemand in staat was, mij een voorbeeld te verschaffen. Dat een in een katholieke inrichting aldaar opgevoed negermeisje zelfs van deze negervertellingen nimmer gehoord had, illustreert wel genoegzaam de veranderingen, die het volkseigen onder den invloed der missie ondergaat.

Veel minder moeilijk bleek het mij echter, bij Oud-Surinamers de verzameling anansi-tori’s uit te breiden—eene ervaring, die in overeenstemming is met het mij medegedeelde feit, dat er in Suriname over het algemeen een intiemer verhouding bestaat tusschen het zwarte en het blanke element, dan op Curaçao.

Maar hoe ook vreemde, meer in het bijzonder katholieke invloed op de volkstraditie van den neger op Curaçao [354]moge hebben ingewerkt219, zijn oorspronkelijk karakter heeft er, evenmin als dat van Heer Spin, in het minst niet door de overbrenging uit Afrika geleden, zoodat hier dus de waarheid van het West-Afrikaansche spreekwoord bevestigd wordt, dat luidt: „Waar de mensch ook heentrekt, altijd neemt hij zijn karakter meê” (zie blz. 384).

Na de toelichtingen bij de Surinaamsche anansi-tori’s mag hier ten aanzien van de cuenta di nansi met de opmerking volstaan worden, dat onder de enkele voorbeelden, die van de Curaçaosche negerfolklore in het licht zijn gegeven, varianten voorkomen op niet slechts in Suriname, doch ook in West-Afrika opgeteekende spinvertellingen—„Nansi en de teerpop”220 bijvoorbeeld van Hamelberg’s verzameling komt overeen met No. 9, getiteld „Spin en Krekel” in onzen bundel, en met „Spider discovers the Waxgirl” uit Sierra Leone (Cr.)—en dat de door mij in dezen bundel opgenomen spinvertelling: „Temekóe-Temebè” tot de categorie der fabels behoort, die een verklaring moeten geven van den lichaamsbouw van diersoorten.

Nansi en Temekóe-221Temebè222.

Op een keer, dat Nansi op het open veld rondliep, kwam hij langs een tamarinde*. Opkijkende, om te zien of er geen rijpe vruchten aan den boom waren, die hij voor zijn vrouw zou kunnen plukken voor het bereiden van tamarinde-water en tamarinde-pap, zag hij een man in den [355]boom zitten. Het gezicht van den man was geheel bedekt met een doek, die van zijn voorhoofd tot zijn knieën afhing, en hij was bezig pinda’s* te eten uit een bak, dien hij op zijn schoot had. „Dat is zeker een vreemde geschiedenis”, zei Nansi, „maar laat ons zien, of ik ook niet eenige pinda’s kan eten, zonder dat die oude heer het merkt; zijn gezicht is toch heelemaal bedekt”.

Stilletjes klom Nansi den boom in en ging tegenover den pinda-eter zitten, die zijn komen niet scheen op te merken, daar hij met eten voortging. Nansi gluurde in het bakje en zag, dat er nog veel pinda’s in waren; hij wachtte, totdat de man zijn hand uit het bakje haalde, en toen stak hij zelf de hand er in, haalde een handvol pinda’s er uit en begon te eten. En zoo staken zij om beurten de hand in het bakje, totdat er slechts één pinda over was. Had Nansi zich nu tevreden gesteld met hetgeen hij reeds op had, en zich weêr uit den boom laten zakken, dan was alles goed afgeloopen; maar hij stak de hand in het bakje, om de laatste pinda er uit te halen.

Hoe dat zoo gebeurde, begreep hij zelf niet, maar op hetzelfde oogenblik stak ook de man zijn vingers in het bakje. De twee handen ontmoetten elkander—en Nansi voelde vijf sterke vingers zijn hand omsluiten. Wat Nansi ook deed om zijn hand te bevrijden, het hielp niet. Op het laatst begon hij den man te smeeken, hem los te laten. „Daar komt niets van in”, zei de man, „je hebt mijn pinda’s zitten opeten, zonder dat ik je er verlof toe gegeven had: nu laat ik je niet gaan. Mijn beenen kunnen mij niet meer dragen; daarom zal je mij van nu af op je rug moeten dragen. Wij zullen voortaan bij elkaar blijven. Klim uit den boom en draag mij naar je huis”. Hoe kwaad Nansi ook was, hij was verplicht te doen wat de man vroeg, omdat hij de overtuiging had, dat, als hij weigerde, hij met zijn sterke vingers gewurgd zou worden.

... daarom zal je mij van nu af op je rug moeten dragen.—Zie blz. 355.

… daarom zal je mij van nu af op je rug moeten dragen.Zie blz. 355.

[356]

Zoo klom dan Nansi uit den boom en toog huiswaarts. De schrik van zijn vrouw, Shi Maria, en van haar kinderen, toen zij Nansi met den man op zijn rug zagen binnenkomen, was niets, vergeleken bij hun droefheid, toen zij hoorden, dat de man niet van plan was, Nansi’s rug te verlaten. Maar ook dat beteekende weinig bij hetgeen nog stond te gebeuren.

Toen het etenstijd was en Shi Maria het eten opbracht, dat zij heel lekker had klaar gemaakt, om Nansi een kleinen troost in zijn ellende te geven, deed de man plotseling den mond open en zei: „Temekóe-Temebè!” Op hetzelfde oogenblik was het, alsof zoowel Nansi als Shi Maria en de kinderen met lamheid geslagen werden; geen van allen kon een vin verroeren. De man ging toen zitten en at zich den buik vol; slechts enkele ellendige stukken liet hij voor de anderen over.

Zoo ging het dagen en dagen lang voort. Dag aan dag werden Nansi, zijn vrouw en kinderen al treuriger en magerder. Hoe bij de hand Nansi ook was, hij kon maar geen middel verzinnen, om zich zijn metgezel van den hals te schuiven. Eindelijk sloeg Shi Maria voor, om bij God te gaan223, als de man goed in slaap was, en om God te vragen, wat hij doen moest, om den last van zijn rug te wentelen.

De man was nauwelijks in slaap, of Nansi ging bij God, wien hij verzocht, hem een middel aan de hand te doen, [357]om den man kwijt te raken; want zijn krachten begonnen zichtbaar af te nemen. God zei tegen hem: „zoodra de man zegt „Temekóe-Temebè” moet ge onmiddellijk het laatste woord Temebè herhalen; dan zal het de man zijn, die machteloos wordt, zoodat ge hem zult kunnen dooden. Maar let wel: op je weg naar huis zal je drie vruchtboomen zien, een guave*, een zuurzak* en een schopappelboom*. Eet geen van die vruchten, omdat, als je het wèl doet, je inplaats van het woord, dat ik je geleerd heb, den naam van de vrucht, die je gegeten hebt, herhalen zult”.

Welgemoed ging Nansi huiswaarts, maar al weêr bedroog hem zijn gulzigheid, evenzoo als zij hem in den tamarindeboom parten gespeeld had; hij bereikte nauwelijks den guaveboom of hij nam er een vrucht van, en at die op.

Het is wel niet noodig te zeggen, dat alles gebeurde, zooals God voorspeld had: toen de man de gebruikelijke woorden had uitgebracht, wilde Nansi het woord zeggen, dat God hem geleerd had, maar in plaats van „Temebè”, riep hij „guave!”

„Hoe is het mogelijk, dat je zoo dom kon wezen: ga maar weêr bij God en vraag het woord te mogen weten, dat je zeggen moet”, zei Shi Maria, toen hij maar niet op het woord kon komen.

Nog eenmaal ging Nansi bij God, die hem hetzelfde als den vorigen keer herhaalde, maar weêr at hij onderweg een van de verboden vruchten; wel was hij den guaveboom voorbij geloopen, zonder een vrucht er van te plukken, maar hij bezweek voor de verleiding van een zuurzak: hij nam er van en at de vrucht. Dezelfde geschiedenis als met de guave herhaalde zich: Nansi riep „zuurzak” in plaats van „Temebè”.

Nansi kon zich de haren uit het hoofd rukken van [358]kwaadheid, maar er viel niets anders te doen, dan voor de derde maal bij God te gaan.

Shi Maria wanhoopte reeds; want zij wist, dat Nansi’s gulzigheid hem weêr er toe zou brengen, een van de vruchten te eten. Dit begreep ook Nansi’s jongste spruit, die even bij de hand was als zijn vader: daarom zon hij op een middel, om bij God te gaan met zijn vader, zonder dat deze er iets van merkte; hij besloot nl. de gedaante van een klis aan te nemen, en hechtte zich aan ’s vader’s broek, toen Nansi weêr bij God ging.

Bij God komende, vertelde Nansi zijn ongeluk: met een flinke berisping, zooals hij zulks verdiend had, kreeg Nansi voor de derde maal te hooren, wat hij doen en voornamelijk wat hij laten moest. Ook het zoontje hoorde alles.

Wat Shi Maria verondersteld had, gebeurde: Nansi at weêr een vrucht: twee van de drie boomen ging hij voorbij maar de schopappels waren zóó verlokkend, dat hij er een vrucht van plukte en deze opat.

Op etenstijd geschiedde weêr hetzelfde; maar toen Nansi riep: „schopappel!” schreeuwde zijn zoontje boven vaderlief uit: „Temebè!” en op hetzelfde oogenblik werd de man volkomen machteloos. Nansi smeet hem nu op den grond, en doodde hem. Maar in plaats dat Nansi nu voldaan was, daar hij immers van den man bevrijd was, nam hij een mes, sneed een stuk vleesch uit ’s man’s lichaam en at het op. Nauwelijks was het vleesch in zijn keel verdwenen, of zijn mond veranderde in een snoet, zooals de varkens dien heden ten dage hebben; want toen ter tijd hadden de varkens mooie snoetjes.

„Je hebt je verdiende loon”, zei Shi Maria tot haar man, „wie dreef je er toe, om van het vleesch van dien man te eten”?

Nansi was zeer neerslachtig, zooals wel te begrijpen was: met zijn varkenssnoet durfde hij nu alleen ’s avonds laat of [359]in den vroegen morgen vòòr het licht was, uit te gaan, daar hij bang was, dat zijn vrienden hem zouden uitlachen.

Eens op een morgen wandelde hij aan den kant van een breed water, toen hij daar dichtbij een varken zag, dat een mooien snoet had. Hij dacht bij zich zelf: och, kon ik ook zoo’n snoet hebben! Meteen kwam de gedachte bij hem op, om met Varken van gelaat te verwisselen.

„Heer Varken”, zoo begon hij, „wat lijkt dit water schoon en frisch; een bad daarin zal lekker zijn. Zou u niet een bad met mij willen nemen?” „Waarom niet”, antwoordde het varken. „Maar weet u wel, heer Varken”, zoo ging Nansi voort, dat we, voordat we te water gaan, onzen snoet moeten afnemen, daar ik gehoord heb, dat water niet goed is voor den mond van mensch en dier”. „Ik heb er niets tegen”, zei het Varken.

Daarop namen nu Nansi en Varken beiden hun snoet af en gingen te water. Het water was zóó frisch, dat Varken naar het midden zwom. Toen Nansi nu zag, dat vriend Varken ver genoeg was, liep hij het water uit, pakte den snoet van Varken, zette hem op, voordat Varken aan land was en liep weg. Zoo moest Varken den snoet van Nansi aandoen.

En van toen af is het, dat de varkens in den grond wroeten, om den snoet te zoeken, dien zij voorheen hadden. [360]

Creoolsche folk-lore van St.-Eustatius.

St.-Eustatius, het voornaamste der drie aan Nederland toebehoorende Bovenwindsche eilanden, vormt een deel der vulkanische eilandenreeks, die, bij Saba beginnend, in Zuid-waartsche richting zich tot het Engelsche eiland Grenada uitstrekt. Niet alleen door zijn bodemgesteldheid, voor een groot deel uit los, zeer doorlatend en vruchtbaar vulkanisch materiaal opgebouwd, maar ook door zijn ligging onder den invloed van de N.O. Passaat wijkt dit eiland geheel af van het voornaamste der Benedenwindsche eilanden, het op 800 kilometers in Z.O. richting verwijderd liggende eiland Curaçao.

Wanneer op ruime schaal voor het vasthouden van het regenwater en voor den aanleg van een beter wegenstelsel werd zorg gedragen, zou de bodem van dit eiland, dat van oudsher een broeinest voor den smokkelhandel is geweest, meer dan thans het geval is, kunnen opleveren, en zou de armoede, die er nu overheerscht, voor betere economische toestanden plaats maken.

De bevolking, gedeeltelijk Nederlanders en hunne afstammelingen, gedeeltelijk uit de nakomelingen van de Negerslaven en hunne onderlinge kruisingen voortgekomen, spreekt er algemeen Engelsch, zoodat het heel wat moeite kost, het Nederlandsch ingang te doen vinden. Over het algemeen staat de bevolking er op een hooger peil van ontwikkeling dan bijv. op Curaçao, waartoe de ligging van het eiland en de toenemende Engelsche invloed in W.-I. door de verbinding met Noord-Amerika belangrijk heeft bijgedragen. Terwijl nl. de bevolking naast den kleinen landbouw, waarin de toekomst van St.-Eustatius ligt,224 [361]het visschersbedrijf uitoefent, doen niet weinigen dienst op vaartuigen op Noord-Amerika, welke omstandigheid aan het peil der ontwikkeling ten goede is gekomen en waardoor het Engelsch wel altijd de voertaal zal blijven, hoezeer de bewoner zich steeds Statiaan (d.i. bewoner van St.-Eustatius) en Nederlandsch onderdaan blijft voelen.

Dat door de genoemde omstandigheden het karakter der door de Negerslaven uit Afrika medegebrachte mondelinge overleveringen hier nog meer door vreemde invloeden zal geleden hebben, was te verwachten.

Tot voor zeer korten tijd, toen nl. het grootste deel van dezen bundel reeds afgedrukt was, had het onderzoek naar publicaties over folk-lore van St.-Eustatius niets opgeleverd, totdat ik door een gelukkig toeval kennis mocht maken met den oud-gezaghebber van het eiland, die er 18 jaren heeft doorgebracht en wiens echtgenoote, Mevrouw Jo van Grol, er een verzameling vertellingen bijeen heeft weten te brengen, waarvan ik een der meest karakteristieke, d.w.z. een nog weinig beïnvloede spinvertelling, in dezen bundel heb mogen opnemen225. De bedoelde vertellingen zijn afkomstig van een kleurlinge, die „nurse226 was bij het dochtertje van den Heer en Mevrouw van Grol, en ze in het Engelsch heeft verteld.

Ook op St.-Eustatius behoeft de folk-lorist niet voor negatief resultaat te vreezen; want ook hier wordt de vertelling bij allerlei gelegenheden nog steeds in eere gehouden. Bij feesten bijv., zoo werd mij verteld, waarop, bij fakkellicht, nog de echte ouderwetsche dansen worden uitgevoerd, wordt de tijd ook aangenaam doorgebracht [362]met zang en met vertellingen „van toen en toen, waarin vooral de praatgrage oudjes onuitputtelijk zijn”.

De spinvertelling, die hieronder volgt en getiteld is: „Braha227 Nanci228 en Braha Toekema” is, merkwaardig genoeg, een variant op de onder No. 4 van den Surinaamschen stadsneger-bundel opgenomen anansi-tori, getiteld: „Anansi, Tijger en de doode Koe” en is blijkbaar van denzelfden oorsprong. Opmerking verdient het, dat een rivier, waarvan de vertelling gewaagt, op St.-Eustatius niet voorkomt. De vertelling, of het motief voor deze, moet dus òf door slaven in de eerste tijden der kolonisatie uit Afrika medegebracht, òf in later tijden uit Suriname overgebracht zijn.

Braha-227 Nanci en Braha-Toekema.

Er waren twee vrienden; de een heette Braha Nanci, de ander Braha Toekema. Allebei waren zeer lui. Ze wilden niet werken, maar leefden liever van wat ze door stelen machtig konden worden.

Op zekeren dag zei B. N. tot B. T.: „kom, laat ons naar ’s konings weide gaan; daar is een lekker stukje vleesch te krijgen.”

„Goed”, zei B. T., „dan moeten we in twee van de vetste ossen kruipen en daaruit de lekkerste en vetste stukjes snijden; maar denk er om, B. N., wanneer je bij dat stuk komt, dat zegt: tik! tik! tik!, snijd dat er dan niet uit want dat tik! tik! tik!-stukje is het hart en zoodra je dat er uitsnijd, valt de os dood onder je neêr”.

„Goed, B.T., ik zal oppassen”… en de beide vrienden namen hun zakken op en begaven zich terstond op pad. [363]Toen ze in de weide kwamen, zagen ze verscheidene vette ossen rondloopen. „Ha! Ha! Ha!” zei B. N., zie je dien rooden vetten os daar, dien neem ik voor mij”. „Ha! Ha! Ha!”, zei B. T., in dien mooien grijzen daar kruip ik binnen!”

Zoo gezegd, zoo gedaan; de beide vrienden kropen in de twee vetste ossen.

B. T. sneed de mooiste en vetste stukjes uit en was zeer voorzichtig, wanneer hij bij het tik! tik! tik!-stukje kwam, en toen hij naar zijn zin genoeg had uitgesneden, kroop hij uit den os, deed het vleesch in den zak en keek hij rond naar B. N.

Maar deze was nog niet te zíen, daar hij zeer gulzig van aard was en niet met weinig tevreden was, zoodat hij nog niet genoeg naar zijn zin had kunnen uitsnijden.

B. T. werd ongeduldig en riep: B. N., kom naar buiten”. „Ja, Ja, Ja”, antwoordde zijn vriend, „nog dit eene vette, heerlijke stukje en dan zal ik komen.

Maar weêr verliepen minuten en nog kwam B. N. niet te voorschijn.

„B. N., ik zeg je, kom er uit!” riep B. T., nu werkelijk boos wordend.

„Ja, Ja, Ja, man, dit eene vette stukje nog, dan kom ik”, was het antwoord, doch kort daarop viel de os plotseling dood neêr, want dat eene vette stukje was het tik! tik! tik!-stukje geweest, het hart.

Toen de os dood neêrviel, wist B. N. eerst niet, wat gebeurde en van schrik kroop hij in de pens en bleef hij daar ineengedoken en doodstil zitten. B. T. bij den dooden os neêrhurkende, riep toen: „Ja, man, daar zit je nu, dat komt nu van je gulzigheid; had je net als ik gedaan en was je met weinig tevreden geweest, dan was je nu zoo ongelukkig niet en had je het niet zoo doodsbenauwd”. Nauwelijks had hij dit gezegd, of hij zag, tot zijn schrik, [364]de koeienjongen van den Koning in de verte aankomen. Hij nam zijn zak met vleesch op en liep zoo hard hij loopen kon, weg.

De koeienjongen, den mooisten os van den Koning dood vindende, holde dadelijk naar den Koning, om Hem het gebeurde mede te deelen. De Koning gelastte hem, den os te slachten en Hem de stukken te brengen. Dit gebeurde; alleen de ingewanden enz. enz. gaf de koeienjongen aan een arme, oude vrouw.

Deze vrouw ging met alles naar de dicht bijzijnde rivier, om het schoon te maken. Toen ze nu de pens opensneed, sprong B. N. met zóó groot lawaai en geschreeuw er uit, dat het arme vrouwtje van schrik op den grond viel. „Jou, leelijk oud wijf!” schreeuwde B. N., „daar zit ik kalm en rustig aan den oever een dutje te doen en daar kom jij met je vuile boel en bespat mijn mooie kleeren … Schaam je je niet—geef hier dien viezen rommel en ga terstond naar huis, anders zal er nog wat met jou gebeuren”.

En de arme, oude vrouw, bang voor den grooten barschen man, liet alles op den grond liggen en liep, zoo hard zij loopen kon, weg.

Toen de vrouw uit het gezicht was, begon B. N. hartelijk te lachen, nam de boel op, wiesch alles goed schoon, stopte het in den zak en ging zijn vriend opzoeken. Eindelijk vond hij deze, en vertelde hem, hoe hij ontsnapt was en bovendien, hoe hij dat arme vrouwtje voor den gek had gehouden, en haar alles ontnomen had.

„Je bent me een slimme kerel!” zei B. T.; „maar neem een goeden raad van mij aan, en laat je voortaan nooit meer door je gulzigheid verleiden.

De twee vrienden gingen nu verder en kwamen voorbij een huis, waar zoo juist een oude vrouw gestorven was. Zij traden er binnen en dadelijk begonnen zij met de [365]familie meê te huilen en te schreeuwen, alsof de dood van die oude moeder ook hen ter harte ging en zij ook veel van haar gehouden hadden.

Ja, ze dreven de schijnheiligheid zóó op, dat ze zeurig eentoonig begonnen te zingen:

Een goede vrouw is zij geweest,

De grootste eer zij haar gebracht!

„Kom!”, lieten ze er op volgen, „trek haar beste, zwart-zijden japon aan; omhang haar met al haar goud en zilver, dan zullen we allen te zamen roepen om haar, zoo rijk versierd, aan hen te toonen en zullen we voor haar zingen en bidden. Doch”, zoo gingen ze verder, „om haar alle eer te bewijzen, haal dan ook nog een ham, een blik boter, reuzel, kaas, suiker, twintig pond varkensvleesch, sigaren, twee flesschen wijn, twee flesschen rum, twee flesschen jenever, twee pond koffie en … zet dat alles op groote tafels om haar heen”.

De familie, die zeer rijk en zeer bijgeloovig was, en daarbij het prettig vond, om aan vrienden en kennissen al haar moois en sieraden te kunnen vertoonen, deed, wat B. N. en B. T. zeiden. En toen alles klaar was, schaarden allen zich om de doode heen.

De twee vrienden vingen toen weêr met hun eentoonig liedje aan:

Een goede vrouw is zij geweest;

De grootste eer zij haar gebracht!

Ach, zoo besloten zij, die arme vrouw was zoo’n goede moeder, laten we voor haar zingen en bidden en zorgen, dat de booze geesten229 haar niet komen halen!” En zoo bleven zij uur aan uur doorzingen, geen vermoeienis kennende. [366]

Eindelijk vielen een paar gasten in slaap, zoodat de beide vrienden steeds zachter en eentoniger begonnen te zingen, totdat op het laatst allen in zoete rust waren gezongen.

Steeds doorzingende, stonden de beide vrienden eindelijk op, namen de doode de gouden en zilveren sieraden af, die zij in hun wijde zakken borgen en stopten vleesch, wijn, kortom al wat op de tafel stond in een grooten mand, en gingen ten slotte, steeds doorzingende, de kamer en de deur uit. Eenmaal buiten zijnde, vluchtten zij met mand en al het bosch in, waarin ze in een oogwenk verdwenen waren.

De familieleden en kennissen, die den geheelen dag reeds bij het lijk hadden gezongen en ook daarbij veel gegeten en gedronken hadden, bleven rustig doorslapen en werden eerst tegen den morgen wakker.

Nog half slapende, keken ze naar de doode en van de doode naar de tafels, en tot hun grooten schrik zagen ze, dat alles, alles gestolen was.

Een algemeen gejammer brak los; men verweet elkander, die twee vreemde mannen geloofd te hebben en men begon bij het lijk van de oude moeder te vechten en te schelden.

En … onderwijl, op een veilige plek in het bosch, zaten B. N. en B. T., onder den grootsten pret, zich te goed te doen aan de gestolen eetwaren en bewonderden zij de fraaie gouden en zilveren sieraden! [367]