[Inhoud]

BIJVOEGSELS.

[Inhoud]

I. NEGER-SPREEKWOORDEN.

A. Suriname.

Neger-Engelsch. Nederlandsche vertaling.
1. So lánga Joe no kóti ábra, Joe no moe kósi káiman. 1. De zin is: Men moet den duivel te vriend houden.
2. A no so léki bákka, a no so a de fádon. 2. De zin is: Blaffende honden bijten niet.
3. Táki réti a no asránti. 3. Waarheid spreken is nog geen oneerbiedigheid.
4. Joe séri wísiman, Joe bai azéman. 4. Gij verkoopt een vergever en koopt een heks terug. De zin is: Gij geraakt van den wal in de sloot.
5. Te joe nákki káppa lási, joe jeri boliman tongo. 5. Als ge onder aan den suikerketel klopt, zult gij des kokers stem vernemen. De zin is: Wie bij het onderzoek naar de waarheid den rechten man treft, zal het ware van de zaak vernemen.
6. Te brafoe fájà, joe de téki spoen de driéngi hem, ma te a kóuroe, han sa wakka na ini. 6. Als de soep heet is, gebruikt men een lepel, maar als zij koud is, steekt men er de hand in. De zin is: Den zachtzinnige durft men aan, den driftige ontziet men.[380]
7. Joe sa kìbri óuwroe mamá, ma joe no sa kìbri hém froekóutoe. 7. Ge zult een oude bes (vrouw) verbergen, maar haren hoest kunt ge niet verbergen; d.i. de aap komt altijd uit de mouw.
8. Grabóe njanjám, ma no grabóe taki. 8. Grabbel naar spijs, maar niet naar praatjes.
9. Tángi foe boen da kódja. 9. Stank voor dank.
10. Tóngo tjári hem mássra na boen, atjári hem mássra na ógri toe. 10. De tong voert haren meester tot geluk, maar brengt hem ook dikwerf in het ongeluk.
11. Tódo táki, iffi joe de táki foe gogó, mi no kan piki, mára iffi joe de taki foe hai, mi kon piki. 11. De kikvorsch zegt: zoo er van billen gesproken wordt, kan ik niet meespreken, maar als ge over oogen handelt, zal ik U te woord staan.
12. Sáni móro keeskési, a brasà makà. 12. Als de aap in de benauwdheid zit, omvat hij den doornstruik.
13. Joe ha’ prasénsi, joe sa si míra bére. 13. Als ge geduld hebt, kunt ge de ingewanden van een mier zien. De zin is: geduld overwint alles.
14. Bósi swíti, ma a tjári sábiso. 14. Kussen is zoet, maar baart wel eens berouw.
15. Hattí-bron no de méki wan boen pikíen. 15. Gramschap brengt geen goed kroost voort.[381]
16. Nanái de háli tetéi, tetéi de háli nanái. 16. De naald trekt de draad en de draad trekt de naald. De zin is: Wij hebben elkander onderling noodig.
17. Móni kabà, kómpe kabà. 17. Als het geld op is, is ’t met de vrienden gedaan.
18. Te joe tráppoe na míra hóso, joe sabi ho disi béti joe. 18. Wanneer ge in een mierennest trapt, weet ge dan, welke mier u gebeten heeft?
19. Bégi móro bétre léki foefóeroe, ma wróko da bási. 19. Bedelen is beter dan stelen, maar werken is de baas!
20. Joe lóbi okró*, joe moe lóbi hem síri toe. 20. Houdt ge van de okra*, dan moet ge ook van de pitten houden. De zin is: Zoo ge van mij houdt, houdt ge ook van mijn kinderen.

B. West-Afrika.

a. De Ewe-taal sprekende Negerstammen van de Goudkust.

1. Hij, die geen zitbankje vindt, moet op den grond zitten.

2. Als een mensch geen kleine mat tot zijn beschikking heeft, moet hij staande slapen.

NB. Beide spreekwoorden worden gebruikt, om uit te drukken, dat men zich naar de omstandigheden behoort te voegen. [382]

3. Hoewel men twee oogen heeft, ziet men toch geen twee dingen tegelijk.

4. Men kan niet op twee vogels tegelijk jacht maken.

NB. Deze beide spreekwoorden behooren tot een groep, die moet leeren, dat men nooit twee dingen tegelijk kan doen.

5. Rijken kunnen slaven koopen, doch niet hun leven.

6. Wanneer een jongen beweert, dat hij water met een touw wil ophalen, vraag hem dan, of hij het water

NB. Dit spreekwoord wil zooveel zeggen als: Antwoord een dwaas in overeenstemming met zijn dwaasheden.

7. De vogel in het hok is onbekend met den dag van zijn dood.

8. Geen menschenkind weet, wanneer hij sterven zal.

NB. Beide spreekwoorden werden eertijds gebruikt, om het volk er aan te herinneren, dat zij er ieder oogenblik aan blootstonden, als slaven verkocht te worden.

9. Kauris* maken den mensch.

10. De zoon van den vreemdeling maakt het volk toornig.

NB. Dit spreekwoord heeft betrekking op vreemdelingen, die lachen om de gebruiken van den inboorling. De zoon doelt op de ervaring, dat jongeren hiertoe eerder geneigd zijn dan menschen van meer ondervinding.

11. Door babbelpraatjes in de woning blinkt de mensch niet uit.

NB. De zin is: Daden, geen woorden.

12. Hij, die voor zich zelf werkt, kan doen wat hem bevalt.

13. De mond zegt een menigte dingen, die het hart niet uitbrengen kan. [383]

14. Steenen zijn zwaar, doch de steenen stamper is nog zwaarder.

NB. Daar de steen, waarmede het koren wordt gestampt, in verhouding tot zijn grootte zeer zwaar is, beduidt dit spreekwoord: Oordeel niet naar den schijn.

b. De Yoruba-taal sprekende stammen der slavenkust.

1. Hij die vergeeft, maakt een einde aan den twist.

2. Een scherp woord is even taai als een boogpees.

NB. De zin is: Een scherp woord kan niet geheeld worden, een wond wel.

3. Begin niets, wat ge niet tot een goed einde kunt brengen.

4. Hij die een schoonheid huwt, trouwt verdriet en ellende.1

5. Met fortuin kan men geboren worden, doch wijsheid komt eerst later.

6. Waar de mensch ook heen trekt, altijd neemt hij zijn karakter meê.

7. Goud moest alleen verkocht kunnen worden aan hem, die de waarde er van kent.

8. Wanneer ge niemand naar de markt zendt, zal de markt niemand naar U zenden.

9. Datgene, waarvan een kind houdt, zal zijn maag geen kwaad doen.

10. Wanneer ge te gauw een vrouw lief hebt, zult ge haar spoedig niet meer beminnen. [384]

[Inhoud]

II. AVOND OP HET WATER

in Sierra Leone

naar

Florence M. Cronise en Henry W. Ward.

Sobah was een geboren handelsman en als zoodanig het type van zijn stamgenooten, wier meest op den voorgrond tredende eigenschappen koopmansgeest was.

Dikwijls had hij ver het land in tochten gemaakt, om waren te verhandelen en hij had ook nu en dan een bootlading met produkten naar de markt van Freetown2 gebracht. Heden kwam de handelsman weêr bij hem te voorschijn. Nadat hij zich van een zestal mannen voor den boottocht had verzekerd, besteedde hij den dag om zijn waren bijeen te brengen en in de boot te laden.

De lading bestond uit manden met rijst, palmolie, peper, kolanoten*, kleedingstukken van het land, rubber en ivoor. Een witte vogel werd voor in de boot geplaatst, in de vaste overtuiging, dat diens tegenwoordigheid een voorspoedige reis zou kunnen verzekeren.

Laat in den namiddag, kort voordat de vloed voor eb plaats maakte en de stroom meê werd, stak de boot van wal en namen de zes sterke bootslieden de riemen op, om, den ganschen nacht doorroeiende, de riviermonding te bereiken. Spoedig bewogen zij hunne riemen in regelmatigen slag en door de eentonige melodie van het roeilied schenen de boot, de stroom, de voor- en achterwaartsche bewegingen der lichamen, en de slag der riemen tot een onafscheidelijke harmonie van geluid en beweging samen te smelten.

Wanneer deze eenvoudige zielen evenzoo op de schoone [385]en verheven natuurtafereelen konden reageeren3, als zij het doen op de rythmische bewegingen en de melodieën van het bootgezang, zouden zij zeker door het panorama zijn aangegrepen, dat bij een plotselinge rivierbocht in het gezicht kwam.

Groote mangrove-boomen*, die aan beide oevers naar de rivierzijde heenbogen, strengelden hunne stammen, gedragen door hunne op stelten gelijkende luchtwortels, hier en daar tot een hoog gewelf boven den stroom. Laag kreupelhout vulde overal de tusschenruimten op. Op touwen gelijkende lianen kropen door alles heen, boomen en struiken in rijken overdaad verstrikkend of in sierlijke guirlandes uit het groen van de takken der boomen omlaag hangend.

Waterlelies vormden langs den oever een dichte massa, landwaarts in een verrukkelijke varen-vegetatie overgaande. Uit de donkergroene massa op de zandbanken in de rivier verhief zich het schitterende karmozijnrood van het jonge gebladerte, dat op bloemen geleek, die de takuiteinden kroonden. Elders ontplooide zich een wereld van bladeren, eindeloos verschillend in vorm en tint, die soms aan bloemen deden denken.

Vogels, met de schitterendste kleuren getooid, zweefden hier en daar tusschen de boomen; apen snapten en kijfden, terwijl hunne slanke lichamen zich op hooge rietstengels in evenwicht hielden of uitgestrekt lagen op een bed van mos. Krokodillen koesterden zich vadzig in de avondzon.

Van de kromming de rivier benedenwaarts beschouwende, geleek de stroom wel een onafgebroken laan van groen, waartusschen zich hier en daar slechts een tikje kleur vertoonde. Wanneer de onheilspellende gedachte aan de [386]tegenwoordigheid van slangen en krokodillen niet onaangenaam had gestemd, zou deze plek een stukje tooverland kunnen geweest zijn, zóó stil en zóó eenzaam, alsof geen menschelijk wezen ooit deze heiligheid had betreden. Het was voor den ontwikkelden sterveling een plek, om in stille vereering te blijven wijlen bij den Geest der Oneindigheid.

Maar onze zwarte roeiers in hunne primitieve kleeding hadden nu geen oog voor al de schoonheid, die zich hier ten toon spreidde, geen ziel om in trilling te geraken tegenover dit geheiligde natuurtafereel. Hun gemoed was te veel vervuld van vrees en bijgeloovigen angst. Voor hun verduisterden geest scheen het een plek te zijn, waar onzichtbare, booze geesten bij voorkeur ronddolen.

Een krokodil schoot met een zachten plons in het water, en verdween uit het gezicht. De zon daalde in het Westen neêr en wierp onheilspellende schaduwen in het dichte gebladerte. De bootslieden werden van een naamlooze vrees vervuld; hun gezang4, zoo lang volgehouden, stierf eindelijk geheel weg, en terwijl zij een zilverstuk in het water wierpen, om den Geest van de rivier gunstig te stemmen5, lichtten zij de riemen uit het water, opdat het geluid, dat deze maakten, den Geest van deze plek niet zou verontrusten. Daarop lieten zij zich te midden eener ademlooze stilte door den stroom meêvoeren, totdat de boot verderop breeder water had bereikt. Toen weêr vrijer ademend, gingen zij met roeien voort, eerst langzaam, doch daarna met steeds toenemende kracht, totdat het geluid der riemen met de echo van het bootgezang volkomen harmonieerde. [387]

Terwijl bij de eerste teekenen van den aanbrekenden dag de zandbanken aan de riviermonding bereikt waren, maakte een sterke zeebries het onmogelijk vooruit te komen, zoodat het gezelschap zich genoodzaakt zag, voor onbepaalden tijd te stoppen.

Vermoeid van het roeien, den langen nacht door, bereidden zij zich twee aan twee in minder gemakkelijke houding tot den slaap voor, waaruit zij eerst na vele uren ontwaakten. Op de met steenen bedekte plaats vóór in de boot werd nu een vuur aangelegd, en daarop een overvloedige hoeveelheid rijst en visch gereed gemaakt. Nadat zij zich nu allen om den grooten rijstpot hadden neêrgezet, begonnen zij het eten in zulke groote hoeveelheden naar binnen te werken, als slechts een negermaag kan bevatten.

Gedurende het geheele verdere deel van den dag bleef de zeebries met slechts een kleine vermindering voortduren, zoodat het hun duidelijk werd, dat ook de nacht rustend zou moeten worden doorgebracht, alvorens de reis kon worden hervat. Het avondeten was een herhaling van den morgen, de hoeveelheid niet uitgezonderd, en toen zij daarmede gereed waren, hielden zij zich op hunne eigene bijzondere wijze bezig.

De volle maag bracht een beminnelijke gemoedsstemming te weeg, en de toenemende schaduwen van den avond wekten bij het volk een gevoel van saamhoorigheid en gezelligheid op, die de tongen losmaakt. Het uur was nu gunstig voor vertellingen: het lichaam was in rust, men verzuimde niets en de nachtelijke duisternis dreef den geest daar vanzelf heen.

In zulke omstandigheden waren vertellingen onvermijdelijk, en er was slechts een ingeving voor noodig, om er meê te beginnen.

De buitengewone ruimte, die Dogbah tot zijn beschikking had, om zooveel rijst te kunnen bergen, waarvan [388]hij kort tevoren bij het avondeten blijk had gegeven, was een ongezochte aanleiding, om een korte grap te maken, waarover allen, het slachtoffer inbegrepen, hartelijk moesten lachen.

Onwillekeurig bracht dit Sobah den ontzettenden eetlust van Heer Spin in de gedachte, de personificatie van de deugden van den Neger, maar ook van zijn ondeugden. Met een guitige flikkering in zijn oog en met een veelzeggende schokschoudering nam Sobah een meer bevelende houding aan, om zich voor zijn vertelling voor te bereiden.

De mannen, gewoon, om de helft hunner gesprekken door meer of minder geheime teekens te voeren, begrepen dadelijk, wat er komen ging, en zetten zich in luisterende houdingen neêr.

De vertelling was vol leven en beweging, en bracht spoedig zoowel den verteller als de luisteraars in de stemming, die de vertelavonden, nog beter vertelnachten bij de negers kenmerkten.

Nadat Sobah een tweetal vertellingen had gedaan, waarnaar de mannen met aandacht geluisterd hadden, en die hen herhaaldelijk in onbedaarlijke lachbuien hadden doen uitbarsten, begon hij in zijn geheugen naar een of anderen daad van vriend Spin te zoeken, waardoor de weinig eervolle rol, die deze kleine held in de beide vertellingen had gespeeld, eenigzins zou kunnen worden goedgemaakt.

Met een „Wel! Spin, sterke kerel!” beantwoordde hij eenigzins vinnig een minachtende opmerking van Dogbah, en als protest tegen diens uitdagende bewering, begon hij het wonderbaarlijke heldenfeit van Heer Spin te vertellen bij een wedstrijd in sterkte tusschen Olifant en Hippopotamus6: [389]

Spin, Olifant en Hippopotamus.

„In Afrika heerschte er hongersnood. Ook de dieren konden geen voedsel vinden, want tengevolge van langdurige droogte was het gras verschroeid, waren de planten verdord.

In die troostelooze wereld ontmoette Spin op zekeren dag Olifant. „Wel! Hoe gaat het?” vroeg Spin. „Niet best”, antwoordde Olifant. „Maar, wat ik zeggen wil, hoe kom jij aan den kost? Ik heb al in dagen niets gegeten”.

Spin, die niets bezat en van den honger rammelde, wilde dit echter niet laten blijken en zei dus: „Het is waar, alles ziet er dor en dood uit, maar ik zal spoedig wel een gelegenheid vinden, om mij en mijn gezin rijkelijk van voedsel te voorzien”. „Als je dus een plaats vind”—liet Olifant er op volgen, „verzuim dan niet, mij dadelijk te roepen”.

Spin beloofde dit op zijn woord van waarachtig. „Het gaat mij aan het hart, je zoo mager te zien” zei Spin, „je wordt met den dag kleiner. Vroeger was je zoo reusachtig groot en dik en nu ben je haast van mijn postuur. Je ziet er uit, of je te veel drinkt. Ik geloof stellig, dat ik in staat ben, je van den wal in de rivier te trekken”.

Olifant begreep niet, dat Spin hem een poets wilde bakken en het op zijn leven gemunt had; de goede slungel ging daarom gaarne op de uitdaging van Spin in en riep uit: „Ik zal je toonen, wie sterker is; kom maar op!”

„Goed”, zei Spin, „we zullen touwtrekken en ik zal voor een mooi, dik touw zorgen”.

Hij ging nu naar het bosch op zoek naar een liaan*, een boschtouw, en vond er al spoedig een, zoo dik als een krokodillenkop. Hij sneed dit af en bracht het naar den rivieroever. Daar keek hij uit naar vriend Hippopotamus*, en toen hij dezen zwemmende ontdekte, riep hij hem toe: „Wedden, dat ik sterker ben dan jij en je uit het water trek?” [390]

Hippopotamus begon te lachen en antwoordde: „Wat een bluffer ben je toch; je bent immers veel te klein voor zoo iets. Met mijn kleinen teen7 trek ik jou met gemak van den kant in de rivier”.

„Best”, zei Spin. „We zullen zien. Wanneer zullen we de proef nemen?”

„Morgen ochtend”, riep Hippopotamus terug.

„Afgesproken”, riep Spin, „ik zal het trektouw wel meêbrengen”.

Spin liep daarop het bosch in naar Olifant en maakte met hem dezelfde afspraak voor den volgenden morgen.

De beide groote dieren hadden in het minst geen vermoeden, dat zij tegen elkaar zouden moeten trekken.

Spin stond op de afgesproken plaats en was met het boschtouw gereed, bond het eene einde daarvan om Olifant, het andere om Hippopotamus, en zorgde dat zij elkander niet konden zien. Toen hij nu zoover gereed was, riep hij de dieren, die met de koppen van elkander afgewend stonden, toe: „houd je gereed; ik begin nu te trekken!”

Spin plaatste zich nu in het midden van het touw, deed er een ruk aan en kroop toen achter een boom weg.

De twee reusachtig sterke dieren begonnen nu met alle macht te trekken. Zij trokken en rukten, tot zij bijna niet meer konden. Spin vuurde hen voortdurend aan met zijn geschreeuw. Geen van beiden wilde het opgeven en zij trokken zóó lang, tot zij buiten adem waren. Hun ijdelheid belette hen te erkennen, dat Spin de sterkere was.

Maar de ijdelheid werd hen noodlottig, want na lang worstelen, vielen zij beiden dood neêr”.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Woorden alleen kunnen geen juisten indruk geven van [391]de werkelijkheid. Sobah wist dezen ook niet bij zijn schildering van den wonderlijken strijd teweeg te brengen, want, geheel medelevend met de toenemende spanning van het verhaal, was hij overeind gaan staan, en ging hij nu zóó geheel op in den strijd, dien hij schilderde, dat hij door toon, blik en gebaar op ieder moment van den verschrikkelijken strijd reageerde, totdat hij bij het van vermoeienis dood neêrvallen der beide strijders eveneens op zijn zitbank uitgeput neêrzonk.

Het was een zeldzaam stukje ongeoefende welsprekendheid. De lange pauze, die de verteller op den dood der beide groote dieren liet volgen, was noodig om de gespannen aandacht weder te vestigen op het slot van het verhaal. Daarna ging hij tot een zachter stemming over, toen hij aldus vervolgde:

„Spin was in zijn nopjes, toen hij de dieren zag bezwijken, en hij riep uit: „Jullie heeten sterker dan ik, maar dat is mis hoor! Ik ben sterker, omdat ik meer verstand heb”.8 Toen nam hij de dieren op en bracht ze een voor een naar een veilige plaats”.

Dit was een wonderbaarlijk heldenfeit, zelfs voor Heer Spin zelf, en Sobah wierp een blik uit een zijner ooghoeken, om te zien, hoe dit feit door zijn toehoorders ontvangen was geworden. Op hun gelaat stond duidelijk te lezen: „hoe kan dat? Zoo’n kleine spin kan toch geen olifant dragen!” De verteller had echter zijn antwoord dadelijk gereed en zei:

„Toch is het zoo! Spin is te lui om te werken; de [392]lichtste taak valt hem zwaar, maar geroofd voedsel kan hij altijd tillen. Spin droeg dus de dieren naar een plaats, waar hij ze kon villen en in stukken hakken. Hij liet nu dieren aanrukken, om hem bij te staan en het vleesch naar huis te brengen. Zijn helpers beloonde hij op keurige wijze met afval van Olifant en Spin en zijn gezin leefden nu rijkelijk van het door list verkregen voedsel, totdat de hongersnood langzamerhand uit het land verdwenen was”.

„Vóór dien tijd”, moeten jelui weten, „leefden er nog geen visschen in het water. Toen Spin zijn gedoode dieren had afgehakt en het vleesch had weggedragen, wierp hij de rest van den afval in de rivier en ziet, toen kwamen er visschen te voorschijn. Zoo is dus Spin eigenlijk de schepper der visschen geworden, en zoo heeft alles wat visch eet, veel aan hem te danken”.9

Deze geheel nieuwe verklaring van den oorsprong der in het water zoo overvloedig voorkomende dieren, scheen voor het kinderlijke brein der zwarte bootslieden niet zoo heel ongeloofelijk. Het water rondom hun boot wemelde op dat oogenblik van visschen,10 en als Spin ze niet had voortgebracht, wie had het dan gedaan?

Hobahky, voor wiens neus de geur van een dampenden vischpot een heerlijkheid was, uitte dadelijk zijn gevoelens met: „Spin, goed man is; hij gemaakt heeft visch, en wij kan eet die!”

Oleemah was geneigd, geloof te schenken aan het verhaal van Spin, en vereerde in stilte zijn Held, die door zijn behendigheid en list voor zich en zijn familie gedurende den hongersnood aan eten had weten te komen. [393]

In dien tusschentijd was de wind verminderd, en naar een gunstiger kant gedraaid. De wolken, die de maan in den vroegen avond verduisterd hadden, waren opgetrokken. De volle maan verspreidde zijn zilveren glans over het water en Sobah, die met zijn geoefend oog den toestand van weêr en water had geïnspecteerd, besliste, dat het oogenblik nu gunstig was, om de reis voort te zetten.

De kleine mast werd nu omhoog gezet, het zeil geheschen en onmiddellijk daarop joegen de mannen voort in de richting van Freetown, hunne gedachten aan Spin voor minder inspannende uren bewarende.

[Inhoud]

III. DIEREN-FABEL11,

verteld door een Bantoe-neger van den Mpongwe-stam in Libreville, hoofdplaats aan de Gaboon-rivier, naar den Engelschen tekst van Robert H. Nassau (N.).

Wie zijn Krokodil’s verwanten?

Personen:

  • Ngando (Krokodil).
  • Sinyani (Vogels).
  • Sinyama (Beesten).12

Krokodil was oud. Ten slotte stierf hij. Snel verspreidde zich het nieuws van zijn dood onder de Beesten. Zijn verwanten en vrienden begaven zich naar de Droefheid. Nadat een daartoe vastgesteld aantal dagen was verstreken, werd de vraag omtrent de verdeeling van zijn eigendommen besproken. Dadelijk reeds ontstond er oneenigheid over de vraag, wie zijn naaste verwanten waren. [394]

De stam der Vogels zei: „Hij behoort tot den onzen en wij zijn dus de eenigen, die op de eigendommen aanspraak maken”.

Hun eisch werd besproken, waarna de anderen vroegen:

„Waarop gronden jullie de verwantschap? Jullie dragen veêren, en geen beschermende platen, zooals hij”.

De vogels antwoordden: „Het is waar, hij droeg onze veêren niet, maar jullie moeten niet kijken naar wat hij bij zijn leven droeg. Oordeel naar wat hij was, toen zijn leven begon. Kijk! Hij begon immers net als wij. Wij gelooven in eieren. Zijn moeder bracht hem als ei ter wereld. Hij is onze naaste verwante, en wij zijn dus zijne erfgenamen”.

Maar de Beesten zeiden: „Niet waar! Wij zijn zijn verwanten, en zijn eigendommen moeten onder ons verdeeld worden”.

Toen kwam de groote Dierenraad bijeen, en deze vroeg aan de Beesten, op welken grond zij dan hunne verwantschap wilden aantoonen en welk antwoord zij konden geven op het argument der vogels met betrekking tot den oorsprong van den Krokodil uit een ei.

De Beesten zeiden: „Wij verklaren, dat het stamkenteeken in het begin moet gezocht worden, niet in een ei. Want alle wezens vangen als eieren aan. Leven is het oorspronkelijke begin. Kijk? Wanneer het leven werkelijk in het ei begint, dan is het stamkenteeken duidelijk. Toen Ngando’s leven begon, had hij vier pooten, evenals wij. Wij oordeelen naar pooten, niet naar eieren. Alzoo is hij onze verwante. En wij zullen zijne eigendommen nemen”.

Maar de Vogels antwoordden: „Jullie beweren, dat wij zijn verwanten niet zijn, omdat wij veêren hebben en geen Ngando-platen. Maar, jullie, kijk naar je zelf! Oordeel naar je eigen woorden. Ook jullie dragen geen Ngando-platen, jullie met jelui haar en dik vel! Jelui woorden zijn [395]niet juist. Het begin van zijn leven was niet, zooals jelui zeggen, het oogenblik, toen de ledematen van de kleine Ngando ontsproten. Reeds daarvóór was er al leven in het ei. En zijn ei was geheel als ons ei, niet wat jullie eieren gelieven te noemen. Jullie zijn dus zijn verwanten niet. Hij behoort bij ons”.

Maar de Beesten bleven redetwisten; het gekrakeel bleef heen en weêr gaan en kwam nooit tot een einde13. [396]


1 Dit spreekwoord komt merkwaardig overeen met het Fransche: Les belles femmes, il faut les aimer, les épouser jamais. 

2 Hoofdstad van Sierra Leone. 

3 Dat hiermede niet bedoeld kan zijn de ongevoeligheid van den Neger voor de schoonheden der natuur in algemeenen zin, weet hij wel beter, die met negers dagen achtereen te midden eener weelderige tropische natuur verkeerd heeft. (C. b. en f). 

4 Opgemerkt mag worden, dat de zang der Afrikaansche Negers, evenals die der Surinaamsche Boschnegers (C.a.) van meer primitieven aard is dan die der Negers van Jamaica, waarin de invloed van Engelsche melodieën vaak duidelijk te herkennen is. (J.e. blz. 278–288). 

5 Zie blz. 29 en No. 19 en 31 van de Surinaamsche Stadsneger-vertellingen en No. 18 der Indiaansche serie. 

6 Vergelijk No. 17 der Stadsneger-vertellingen. 

7 De vier van hoeven voorziene teenen zijn allen even groot, zoodat bij hem van een kleinen teen geen sprake is. 

8 Hier brengt de Neger weder zijn overtuiging tot uiting, dat de mensch door zijn verstand over de sterkste dieren het overwicht heeft verkregen (zie blz. 205). 

9 Met dergelijke eenvoudige verklaringen voor het ontstaan van het geschapene is de kinderlijke neger volkomen tevreden. Dat het op andere wijze ontstaan kan zijn, komt in zijn brein niet op. 

10 Dit doet denken aan den enormen vischrijkdom van de Surinaamsche rivieren (C. b., blz. 43, 48, 90 en 93). 

11 In deze fabel wordt de vraag behandeld: Hoe is het leven begonnen? 

12 Opmerking verdient het, dat, evenals bij de Indianen (zie blz. 17), hier de vogels tegenover de overige dieren worden geplaatst. 

13 De Afrikaansche inboorling is zeer gevoelig in kwesties van gelijkheid of verschil in rang en leeftijd.