Wenden wij ons nu in de eerste plaats tot de Surinaamsche negervertellingen of anansi-tori’s.
Evenals in de mondelinge litteratuur der Goudkustnegers treedt ook in de meeste Surinaamsche negervertellingen de spin als hoofdpersoon op. Mr. Spider in de vertellingen uit Sierra Leone is hier, evenals bij de Goudkustnegers Anansi. Vreemde invloeden, gedeeltelijk Nederlandsche, gedeeltelijk Engelsche, die sedert de overbrenging der slaven op West-Indischen bodem op de folklore der negers hebben ingewerkt, hebben blijkbaar op hun geliefden held niet den minsten vat gehad, want in de Surinaamsche vertellingen vinden wij volkomen denzelfden Spin terug, van welken zoo dikwijls door de Negers van de Goudkust en aanverwante stammen wordt verteld.47
Daar, zooals ik reeds heb opgemerkt, de spin als de personificatie van het zwarte ras wordt beschouwd, van [238]zijne vele deugden, maar ook van zijne ondeugden, en de meest op den voorgrond tredende karaktereigenschappen van den Neger door eeuwen heen dezelfde zijn gebleven, mag de onveranderlijkheid van zijn Held, hoewel met hem naar elders overgebracht, in het minst niet verwonderen.
Door Anansi’s buitengewone slimheid en geslepenheid en zijn lichten slaap ontsnapt hij aan alle listen en lagen, die tegen hem gespannen worden, en is hij als het ware onsterfelijk. Telkens weet hij nog juist bijtijds te ontsnappen en aan den dood te ontkomen.
Vreemd mag het daarom schijnen, dat Anansi in No. 22, getiteld: „Heer Spin en de Bliksem”, met zijn gansche familie vernietigd wordt.
Spin heeft ook in Suriname een onbegrensden eetlust en weet zich door allerlei listen en streken van het noodige voedsel te voorzien. Wanneer er gebrek is aan voedsel—dat in Suriname met den vruchtbaren bodem en visch-rijkdom der rivieren voor den Neger wel nimmer voorkomt—weet Anansi altijd wel wat machtig te worden. Ieder verlangen, dat bij hem opkomt, weet hij, dank zij zijn ongeëvenaarde vindingrijkheid, te bevredigen, al moet hij zich daartoe nu eens als Amerikaan verkleeden, om zich te goed te doen aan gebraden eend (No. 18, getiteld: „Anansi als Amerikaan verkleed”), dan weêr als loekoe-man* te verschijnen, om zijn vrouw, Ma Akoeba onmiddellijk bereid te vinden, een schapenbout voor hem gereed te maken (No. 24, getiteld: „Hoe Anansi aan schapenvleesch kwam”). In Anansi’s laatste streek handelt hij nog volkomen als zijn stamgenoot in Sierra Leone, die van het geloof van het volk in den Geestenbezweerder of den „Country fashion-man” partij trekt, om zijn doel te bereiken (Cr.).
Ook de Surinaamsche neger laat Anansi dikwijls door [239]de neus spreken (No. 16, getiteld: „Spin wedt den tijger te berijden”) en laat hem dikwijls schreeuwen als hij liegt.
Het meerendeel der in Suriname bijeengebrachte dierenfabels, hetzij Anansi er in optreedt, (dus echte anansi-tori’s) (No. 1–24) of niet (No. 25–33), behoort tot de fabels, waarin de dieren, die er in optreden, doorgaans als menschelijke wezens worden voorgesteld, met hunne goede en slechte karaktereigenschappen, met hunne gewoonten en gebruiken. De tijger, met welk dier ook hier de jagoear wordt bedoeld, en die in niet minder dan acht vertellingen van dezen bundel optreedt, viert zijn verjaardag. (No. 14, getiteld: „Tijger’s verjaardag”) speelt tot tijdverdrijf een oud-Afrikaansch spel, met de zg. Awari-bángi* (in No. 6, getiteld: „Hoe Heer Spin zijn schuldeischers betaalt”) en doet zelfs „een kleintje in de broek”, (in No. 4, getiteld: „Spin, Tijger en de doode koe”); de dieren houden wedstrijden in hardloopen, en gaan daarbij weddenschappen aan, dingen naar de hand van Koningsdochters enz. enz. Evenals in de Afrikaansche negervertellingen worden de namen der dieren doorgaans voorafgegaan door Heer48 of Broeder49. In Suriname is anansi doorgaans Heer, en brengt hij het somtijds tot Gouverneur.
Anansi’s vrouw, moeder Akoeba (naam van een meisje, op Woensdag geboren), spreekt haar man wel eens aan met „mi Kaptin”50, in welk ambt zijne bedrevenheid in de Surinaamsche anansi-tori’s herhaaldelijk in het licht wordt gesteld (No. 1, getiteld: „Heer Spin, die een half dorp verovert”). Ook in Sierra Leone wordt door de negers gaarne verteld van de streken, die „Cappen Spider”51 uithaalt. [240]
Hoewel deze dierenfabels ongetwijfeld de meest oorspronkelijke, n.l. van Afrikaanschen oorsprong zijn, hebben zij in den loop der tijden blijkbaar belangrijke wijzigingen ondergaan door de vervanging van de vertegenwoordigers der Afrikaansche fauna door die der Surinaamsche wouden.52
De negers zijn buitengewoon vindingrijk en improviseeren en phantaseeren er maar op los—de meest typische staaltjes van dit talent heb ik op den tocht door de binnenlanden der Kolonie bij mijne negers kunnen opteekenen (C.b.). Als uitmuntende waarnemers houden zij er van, de gewoonten der dieren, van de grootsten tot de kleinsten, na te gaan en er hunne verklaring voor te geven, en het is begrijpelijk, dat er van eene herinnering aan de Afrikaansche dieren- en plantenwereld niet veel meer is overgebleven. Toch schijnt het in Afrika meest opvallende dier, dat op ieder mensch steeds een machtigen indruk maakt, in Suriname door den neger nog niet geheel vergeten te zijn, nl. de olifant, die wij in de vertelling No. 18, getiteld: „Verhaal uit het leven van vriend Spin” aantreffen en er nog steeds met het Afrikaansche woord Azau of Asaw wordt aangeduid.53
In den loop der tijden hebben Afrikaansche dieren voor verwante vormen der Surinaamsche fauna plaats [241]gemaakt—zooals voor het luipaard: de tijger, die in Suriname niet voorkomt, doch waarmede daar steeds de jagoear bedoeld wordt; voor den aap in algemeenen zin: de brulaap; voor den vos: de kraboe dagoe* of krabbenhond enz.—en het behoeft geen verwondering te wekken, dat ook dieren, die in dat deel van Afrika, vanwaar de slaven naar Suriname werden overgebracht, geen verwanten hebben en om de een of andere reden de aandacht trokken, gaandeweg in hunne dierenfabels werden opgenomen. Als voorbeeld noem ik o.a. de awari*, de buidelrat (zie No. 29, getiteld: „Ondank is ’s werelds loon”), een tot Amerika beperkt geslacht der buideldieren, door de negers als kippendief zoozeer gehaat.
Welk dier de Surinaamsche neger op het oog heeft, als hij vertelt van de slimme streken van „het konijn”, is moeilijk te zeggen. Is dit nog dezelfde „cunnie54 Rabbit”, waarover de inboorlingen van West-Afrika zoo gaarne opsnijden, en waarmede, zooals reeds werd opgemerkt55, het dwergmuskusdier*, Hyomoschus aquaticus bedoeld wordt, een dier, dat in Suriname niet voorkomt, of is hiervoor in de plaats getreden de Agoeti*, door de Surinaamsche negers koni koni genoemd?
Het is duidelijk, dat waar de negers zich vrij gemakkelijk naar hunne nieuwe omgeving weten te schikken en er steeds behagen in scheppen, over zaken en toestanden te redeneeren en philosopheeren, de Europeesche invloed in hunne vertellingen zich meer en meer heeft doen gevoelen. Deze invloed moet reeds uitgegaan zijn van de eerste kolonisten, meer in het bijzonder van hunne kinderen, die de slaven ook met hunne sprookjes bekend wilden maken; en later, toen de slavernij werd afgeschaft en er een intiemere verhouding tusschen negers en blanken [242]ontstond, moet de Europeesche invloed in de negervertellingen steeds meer op den voorgrond getreden zijn.
Zoo vindt de lezer in het reeds genoemde verhaal: „Uit het leven van vriend Spin” zelfs de herinnering aan Napoleon56 en aan den slag bij Quatrebras in 1815 bewaard, en in No. 18, getiteld: „De Spin als Amerikaan verkleed” vindt hij een uiting van den haat der negers tegen Amerikanen, die in den laatsten tijd ten behoeve der goud-exploitatie en andere ontginningen van delfstoffen herhaaldelijk de kolonie bezoeken, terwijl wij in de vertelling No. 21, getiteld: „Heer Spin als landbouwer” zelfs melding gemaakt vinden van het uitgeven van perceelen tot uitbreiding van den kleinen landbouw, waarmede eerst geruimen tijd na de opheffing der slavernij een aanvang is gemaakt.
Niet minder dan tien van onze verzameling Surinaamsche negervertellingen eindigen met een moraal, waarmede de toehoorders hun voordeel kunnen doen, zooals No. 14, getiteld: „Tijger’s verjaardag”, No. 17, „Verhaal uit het leven van Vriend Spin”, No. 28, „Verhaal uit het land van Ma Soemba” en No. 32, „De boa in de gedaante van een schoonen jongeling” enz.
Een tweetal vertellingen, waarin anansi niet optreedt, (No. 26 en 27: Legende van Leisah I en II) leeren, hoe de strepen in menschenhanden zijn ontstaan.
De overigen geven een verklaring, hetzij van den lichaamsbouw der spin (No. 19, Heer Spin en de waternimf en No. 18, Anansi als Amerikaan verkleed), hetzij van hare leefwijze tusschen de reten van muren57 (zg. beslagruimten) en in allerlei verborgen schuilhoeken (o.a. [243]No. 1, getiteld: „Anansi, die een half dorp verovert”, No. 2, „Spin en de prinses”, en No. 5, „Anansi en zijn kinderen”); vertellen van Anansi’s formidabelen eetlust, waarvoor hij dikwijls gestraft wordt. (No. 7, „Een feest bij de Waternimf”); stellen het voortdurend streven van Heer Spin in het licht, om vijandschap onder de dieren te stichten, (No. 21, „Heer Spin als landbouwer”), of moeten leeren, op welke wijze de spin door allerlei streken overal, tot zelfs in vorstenwoningen gekomen is. (No. 3, „Het Huwelijk van Heer Spin”). No. 15, getiteld: „Spin voert den Dood in”, is hierom merkwaardig, omdat ook in verschillende negervertellingen, die in West-Afrika zijn opgeteekend, de Dood als een persoon voorkomt, evenals deze voorstelling voorkomt in „Brother Annancy and Brother Death” van den door Jekyll (Je) op Jamaica bijeengebrachten bundel.
Vreemd mag het schijnen, dat Anansi, die in de Negerfolk-lore voor onsterfelijk doorgaat, in No. 22 „Anansi en de bliksem” met zijn gansche familie vernietigd wordt.
Belangrijk zou het zijn, uit een veel grooter aantal vertellingen, dan waarover tot nu toe beschikt kan worden, aanknoopingspunten te zoeken met de vertellingen van de negers van West-Afrika. Hier mag de aandacht gevestigd worden op de groote overeenkomst van No. 16, „Spin wedt Tijger te berijden” met „Mr. Turtle makes a riding-horse of Mr. Leopard” uit de verzameling van Miss Cronise; op de merkwaardige overeenkomst van het „Verhaal uit het leven van Vriend Spin” (No. 17) met „Spider, Elephan’ en Pawpawtamus” van denzelfden oorsprong (Zie Bijvoegsel II „Avond op het water in Sierra Leone”), doch met dit verschil, dat het nijlpaard in Suriname vervangen is door „de walvisch, de grootste visch (?) van de Spaansche groene zee”; op „No. 4, Anansi, [244]Tijger en de doode Koe”, die een variant is op „Mr. Spider pulls a supply of beef” in de verzameling van Miss Cronise en eindelijk op het voorkomen ook in onze verzameling van een bekende verschijning in de mondelinge litteratuur der negers, nl. de teerpop (No. 9, „Spin en de Krekel”) die wij in de bekende Uncle Remus serie, in Noord Amerika verzameld, als de „Tar Baby” aantreffen en in de verzameling uit Sierra Leone van Miss Cronise als „the Wax Girl” weêrvinden. Ook de oorzaak van den eigenaardigen lichaamsbouw der spin vinden wij in een der vertellingen van den door Miss Cronise bijeengebrachten bundel vermeld, nl. in de vertelling „Why Mr. Spider’s waist is small”, terwijl er ten slotte nog de aandacht op gevestigd wordt, dat een aantal vertellingen der Surinaamsche negers, evenals die van de negers der Goudkust en van Sierra Leone, van een hongersnood verhalen, die onder de dieren was uitgebroken. (Zie: „Spin, Olifant en Hippopotamus” in Bijvoegsel II). Daar de neger in weinige landen zóó gemakkelijk aan den kost kan komen als in Suriname en daar er dus wel nimmer voor hem van hongersnood sprake zal zijn geweest, blijkt hier wederom eene herinnering aan Afrika, waar tijden van groote voedselschaarschte herhaaldelijk voorkomen, niet alleen door veelvuldige oorlogen (in vroegere tijden) en vernieling door branden, doch ook door langdurige droogte en door gemis aan de noodige zorg voor de toekomst bij den aanplant van een voldoende hoeveelheid rijst.
Tot de categorie van vertellingen, die de groote liefhebberij van den neger illustreeren, om onwelvoegelijkheden te vertellen (zie blz. 234), behooren een tweetal, die ik in dezen herdruk van Nahar’s verzameling heb weggelaten, doch voor welke ik uit de nieuwe reeks Anansi-tori’s, door A. P. Penard onlangs in het licht gegeven, er een uit koos (getiteld: „Ieder volwassen man moet een rood [245]zitvlak hebben”, No. 32), dat den kinderlijken aard van den neger, die in al zijne handelingen tot uiting komt, leert kennen.
Ten slotte mag er nogmaals aan herinnerd worden, dat evenals in West-Afrika, in Suriname langen tijd professioneele anansitori-vertellers hebben bestaan, die meer bepaaldelijk de sterfhuizen afliepen, om na de begrafenis den achterblijven den afleiding te bezorgen.58 In den onlangs verschenen bundel Surinaamsche Anansitori’s, verzameld door A. P. Penard (P. c.) herdenkt de schrijver twee beroemde Surinaamsche sprookjesvertellers, beiden echte déde-hóso arátta (sterfhuisratten, zie blz. 248). De eerste was Abraham Negentien, aldus genoemd, omdat hij een grooten teen miste; de tweede was Swieti-ba-Wieliblo-a-faja-kiri so-woep (d.i. Zoete-broer-Willy, blaas het licht uit, zoo: woep!) Beiden waren groote humoristen, wier komisch voordragen hunne landgenooten zich nog herinneren zullen.
De litteratuur van een volk mag de beste uiting van diens zieleleven worden genoemd en daar de mondelinge litteratuur van den Surinaamschen neger nog weinig bekend is, en bij eene beoordeeling van de zwarte bevolking onzer kolonie de slechte eigenschappen doorgaans breed worden uitgemeten en van de vele goede karaktereigenschappen dikwijls gezwegen wordt59, heb ik gemeend [246]een goed werk te doen, om in de laatste mijner bijdragen tot de kennis van Suriname, die een uitvloeisel zijn van mijn reis in 1900, de aandacht te vestigen op de belangrijke neger-folklore, die evenals zoo veel oorspronkelijks bij de natuurvolken, bezig is te verdwijnen.