WeRead Powered by ReaderPub
Keur van Nederlandsche Synoniemen / Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. cover

Keur van Nederlandsche Synoniemen / Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O.

Chapter 252: L.
Open in WeRead

About This Book

The work offers a practical guide to Dutch synonyms, selecting common synonym sets and explaining subtle differences in meaning and usage, illustrated with example sentences and exercises for students. It emphasizes progressive difficulty, practice exercises, and an appendix of additional synonym groups, plus editorial notes on spelling and corrections. Intended for language study and exam preparation, it focuses on nuancing word choice, paronyms, and contexts where one term fits better than another.

A.

aanbevelen, 211.
aanbieden, 225.
aanbrengen, 156.
aandachtig, 102.
aandeel, 218.
aandenken, 176.
aandoen, 153.
aangaan, 210.
aangenaam, 165.
aangeven, 156.
aangezicht, 69.
aanhouden, 76.
aanklagen, 156.
aankondigen, 111.
aanmerken, 27.
aannemen, 120.
aanprijzen, 211.
aanroepen, 114.
aansprakelijk, 26.
aanstonds, 148.
aantreffen, 147.
aanvaarden, 120.
aanwezig, 25.
achten, 192.
aarzelen, 184.
achteloos, 137.
achterdocht, 93.
achterhalen, 198bis.
achterlaten, 61.
achting, 63.
afbeuren, 93.
afbreuk, 87.
afgeleefd, 217.
afgelegen, 28.
afgemat, 151.
afgrijzen, 158.
afgunst, 138.
afhakken, 98.
afhouden, 169.
afbouwen, 98.
afkappen, 98.
afkeer, 158.
afkeeren, 145.
afkomst, 231.
afleiden, 145.
aflichten, 95.
afnemen, 95, 223.
afschaffen, 136.
afschrijven, 146.
afschrik, 158.
afschuw, 158.
afslaan, 98, 109.
afstamming, 231.
afstand, 115.
afwachten, 144.
afwennen, 32.
afwenden, 145.
aftrekken, 145.
afweren, 109.
afzetten, 95.
alledaagsch, 13.
allerwegen, 110.
alom, 110.
altijd, 135.
altoos, 135.
ambacht, 142.
ambt, 143.
angst, 166.
arbeid, 219.
arglistig, 159.
argwaan, 93.
arm, 94.
armoedig, 94.
armzalig, 91.

B.

baan, 222.
babbelen, 106.
bangheid, 166.
barmhartig, 162.
barsch, 97.
barst, 141.
beangst, 167.
bedaagd, 217.
bedaard, 140.
bedenkelijk, 172.
bedenken (zich), 184.
bediening, 143.
bedillen, 139.
bedriegen, 105.
bedriegelijk, 159.
bedrijf, 142.
bedroefd, 119.
bedrukt, 119.
beducht, 167.
bedwingen, 155.
befaamd, 104.
begeeren, 229.
begrijpen, 117.
behaaglijk, 165.
behalen, 161.
behandelen, 19.
beheerschen, 155.
behoeden, 168.
behoedzaam, 134.
behoeftig, 94.
bejaard, 217.
bejegenen, 19.
bekennen, 113.
bekomen, 161.
bekommerd, 167.
bekoorlijk, 165.
bekoren, 89.
bekrompen, 84.
bekwaam, 177.
belangrijk, 213.
beleedigen, 188.
beletten, 169.
belijden, 113.
beloonen, 53.
bemachtigen, 194.
bemiddeld, 228.
benieuwd, 60.
benijden, 67.
bepalen, 70.
berispen, 139.
beroemd, 104.
beroep, 142.
berouw, 174.
berucht, 104.
beschaven, 191.
beschermen, 168.
beschuldigen, 156.
beschutten, 168.
beseffen, 117.
bespotten, 188.
bestendig, 170.
bestraffen, 132.
besturen, 101.
beteugelen, 155.
betichten, 156.
betoomen, 155.
betoonen, 64.
betreffen, 210.
betuigen, 64.
bevallig, 165.
bevatten, 117.
beveiligen, 168.
bevelen, 90.
beven, 163.
bevorderen, 230.
bevreemden, 154.
bevreesd, 167.
bevrijden, 212.
bewaren, 168.
beweren, 100.
bewijzen, 64.
bezadigd, 140.
bezigheid, 219.
bezitten, 195.
bezorgd, 167.
bibberen, 163.
bidden, 114.
blijdschap, 185.
bloem, 196.
bloesem, 196.
boosheid, 186.
bot, 18.
bouwen, 103.
branden, 234.
breed, 50.
breedvoerig, 187.
buigbaar, 7.
buigen, 41.
buigzaam, 7.
buit, 171.
buitenlandsch, 112.
bijdragen, 230.

D.

daagsch, 13.
dadelijk, 148.
dagelijksch, 13.
dageraad, 180.
dalen, 181.
dankbaarheid, 77.
danken, 23.
dapper, 173.
dartel, 150.
deel, 218.
deelnemend, 162.
deemoedig, 78.
deftig, 74.
dolen, 121.
dom, 149.
dompelen, 21.
donker, 86.
doodgaan, 107.
doopen, 21.
doorgaans, 125.
doorstaan, 224.
draagbaar, 1.
draaglijk, 1.
draaien, 178.
dralen, 36.
drift, 186.
driftig, 118.
dringen, 65.
droevig, 119.
duister, 86.
dulden, 224.
durven, 124.
dwalen, 121.
dwars, 79.
dwingen, 65.
duurzaam, 170.

E.

edelmoedig, 71.
eenzaam, 28.
eer, 197.
eerbied, 63.
eeuwig, 116.
eigenschap, 24.
eigenzinnig, 175.
einde, 54.
eindeloos, 116.
eischen, 183.
ellendig, 91.
eng, 84.
erkentelijkheid, 77.

F.

fier, 182.
flikkeren, 234.
foppen, 105.
frisch, 56.

G.

gauw, 148.
gebieden, 90.
geboorte, 231.
gedachtenis, 176.
gedeelte, 218.
gedenkwaardig, 213.
gedurig, 135.
geestelijk, 3.
geestig, 3.
geestrijk, 3.
gegoed, 228.
gehecht, 33.
geheim, 191bis.
gelaat, 69.
gelasten, 90.
gelden, 201.
gemeen, 122.
genaken, 30.
genegen, 5.
geneigd, 5.
genoegen, 185.
gering, 227.
geschikt, 45, 177.
geslacht, 231.
getuige, 209.
geven, 225.
gevaarlijk, 172.
gewoonlijk, 125.
gezicht, 69.
gierig, 157.
gispen, 139.
gissen, 75.
glimmen, 234.
gloeien, 234.
gluren, 164.
gooien, 99.
grootmoedig, 71.
grootsch, 182.

H.

haast, 58.
hachelijk, 172.
haken, 229.
halsstarrig, 175.
handwerk, 142.
hardnekkig, 175.
hartzeer, 133.
hebben, 195.
hebzuchtig, 157.
heerschen, 101.
heet, 215.
heftig, 235.
heimelijk, 191bis.
hellen, 123.
helpen, 230.
herinnering, 176.
herroepen, 136.
hoedanigheid, 24.
hoogmoedig, 182.
hoonen, 188.
hooren, 55.
hoovaardig, 182.

I.

immer, 135.
inhalen, 198bis.
inhalig, 157.
innerlijk, 11.
innig, 11.
inwendig, 11.
intrekken, 136.

J.

jeugdig, 15.
jong, 15.

K.

kakelen, 106.
kalm, 140.
karig, 157.
kastijden, 132.
keeren, 178.
kinderachtig, 6.
kinderlijk, 6.
kindsch, 6.
klauteren, 152.
klein, 227.
klieven, 17.
klimmen, 152.
kloof, 141.
klooven, 17.
knap, 177.
kommervol, 91.
koppig, 175.
kostelijk, 2.
kosten, 201.
kostbaar, 2.
kouten, 106.
kracht, 160.
krenken, 188.
krieken (van den dag), 180.
krijgen, 161.
kundig, 177.
kwaad vermoeden, 93.
kwellen, 38.
kwetsen, 188.
kijken, 164.

L.

laag, 122.
laaien, 234.
laken, 139.
langdurig, 170.
leed, 133.
leedwezen, 174.
leugen, 202.
lichtvaardig, 85.
lichtzinnig, 85.
liefelijk, 165.
lijdelijk, 8.
lijden, 224.
lijdzaam, 8.
listig, 159.
lomp, 179.
loochenen, 34.
loom, 151.
loos, 159.
luchthartig, 85.
luister, 96.
luisteren, 55.

M.

macht, 160.
mat, 151.
mededeelen, 225.
mededoogend, 162.
medelijdend, 162.
meestal, 125.
merkwaardig, 213.
misgunnen, 67.
misleiden, 105.
misschien, 83.
missen, 198.
mistrouwen, 92.
moe, 151.
moedig, 173.
mogelijk, 83.
morgen, 180.

N.

naäpen,
88.
naarstig, 108.
nabootsen, 88.
nadeel, 87.
naderen, 30.
nadoen, 88.
nagedachtenis, 176.
naijver, 138.
nalaten, 61.
naschrijven, 146.
nauw, 84.
navolgen, 88.
nazetten, 203.
nederig, 78.
neigen, 123.
nemen (op zich), 120.
nering, 142.
nietig, 227.
nieuwsgierig, 60.
nooddruftig, 94.
noodzaken, 65.
norsch, 97.
nijd, 138.
nijver, 108.

O.

ochtend, 180.
omslachtig, 187.
omstandig, 187.
omweg, 232.
omzichtig, 134.
onachtzaam, 137.
onbeleefd, 179.
onbeschoft, 179.
onbevreesd, 173.
onbezorgd, 4.
oneindig, 116.
ongemanierd, 179.
ongerust, 31.
onkundig, 149.
onnoozel, 149.
onoplettend, 137.
onpartijdig, 35.
onrustig, 31.
onschuldig, 206.
onstuimig, 235.
ontberen, 198.
ontgaan, 226.
ontdekken, 37.
ontkennen, 34.
ontkomen, 226.
ontloopen, 226.
ontmoeten, 147.
ontrouw, 10.
ontslapen, 107.
ontsnappen, 226.
ontstellen, 52.
ontvangen, 120, 161.
ontvluchten, 226.
ontwaken, 199.
ontwennen, 32.
ontwijken, 226.
ontzag, 63.
ontzetting, 52.
onveranderlijk, 170.
onversaagd, 173.
onverschrokken, 173.
onwaarheid, 202.
onwetend, 149.