I
Iafn-har. Gylfi ziet, 38
Iarn-greiper. Thor’s handschoen, 60
Iarnsaxa. I. Thors vrouw genaamd,
61;
voedt wolven, 325;
II. golfmeisje, 144
Ida = Idavold, 200;
goden wandelen in het gras op, 333;
Hindskialf even hoog als, 340.
Idavold. Vlakte waar de goden wonen,
10;
speelplaats der goden, 200;
Balder doorstoken in, 202;
laatste samenkomst op, 333
Idises. Nornen, 169
Idoen. Dochter van Ivald, 100;
hoofdstuk betreffende, 102–110;
keert terug naar Asgard, 106;
de appel van, 104, 164;
Loki misleidt, 104, 215;
Grieksche equivalent, 348
Ifing. Stroom langs de vlakte
Idavold, 10,
11;
Vafthrudnir vraagt naar, 30;
Loki vliegt over, 76
Ildico. Vrouw van Attila, 88;
= Goedroen, 291
Ilse. Geschiedenis van prinses,
234;
vergeleken met Arethusa, 354
Ilsenstein. Woonplaats van Ilse, 234
Indië. De talen van, 336
Ingeborg. I. Hunvor’s
kamermaagd, 293;
II. veranderd in een oude heks, 297;
Thorsten gered door, 297;
moeder van Frithiof, 298;
III. dochter van Belé, 299;
Frithiof’s liefde voor, 299;
Frithiof’s vrijage, 301;
Sigurd Ring als vrijer, 303;
met Frithiof in den tempel, 304;
scheidt van Frithiof, 306,
307;
gehuwd met Sigurd Ring, 311;
Frithiof verlangt naar, 314;
herkent Frithiof, 315;
verloving met Frithiof, 318;
Frithiof beoorloogt de broeders van, 319;
huwelijk met Frithiof, 321
Inglings. Afstammelingen van Frey, 127, 342
Ingvi-Frey. Geschiedenis van, 122–127
Inspiratie, Drank der. Geschiedenis der, 94–102
Io. Noorsche equivalenten voor de geschiedenis van, 344, 346
Iörmungandr. Geboorte en
opsluiting van, 89;
Hel geboren tegelijk met, 178;
Thor vischt,
188;
geboorte van, 216;
kruipt op het land, 326;
Loki voert bevel over, 327;
storm verwerkt door, 326
Iran. De hoogvlakte van, 1
Iris. Vergeleken met Gna, 343
Irmin = Odin, Heimdall of Hermod, 28, 148, 152
Irminspad = Melkweg, 29
Irminzuil. Door Karel den Groote vernield, 28
Italië. Gouden eeuw in, 350
J
Jack en Jill. Oorsprong der geschiedenis van, 9
Jack in the Green, 36
Januari. Yule in, 126;
Vali’s maand, 163
Jarl. Geboorte van, 151
Jason. Noorsche equivalenten, 347, 358
Jill. Jack en, 9
Johannes de dooper, 25
Jonakur. Goedroen, vrouw van, 289
Jongere Edda. Gylfi’s misleiding geschetst in de, 38
Jörd. Dochter van Nott, 7;
vrouw van Odin, 36, 41, 58
Jötun-heim. Huis der reuzen,
4;
Vafthrudnir vraagt naar, 30;
koude winden komen uit, 67;
Thor’s bezoek aan, 76;
Odin kijkt naar, 78;
Thor bezoekt Geirrod in, 79,
80;
Loki’s afstammelingen in, 89;
Odin gaat naar, 95;
Skirnir bezoekt, 119;
Thor stelt Freya voor in, 133;
Hel geboren in, 178;
Hyrrokin woont in, 205;
Loki in, 214, 215;
Loki huwt in, 216;
reuzen wonen in, 228;
Tartarus vergeleken met, 338;
Idoen in, 348
Jötuns. De aarde in de macht
der, 43;
ontstaan der, 228, 229;
Thor gevreesd door de, 229
Joyeuse. Zwaard van Karel den Groote, 176
Judea. Bethlehem van, 127
Juno. Vergeleken met Frigga, 343;
vergeleken met Freya, 347
Jupiter. Odin vergeleken met,
338, 340, 341, 342;
Amalthea, voedster van, 341;
geschil met Neptunus, 342;
verschalkt door Juno, 344;
Thor vergeleken met, 345;
verschaft zich Ganymedes, 347;
vergeleken met Fro, 349;
wenscht Thetis te huwen, 357
Juterna-jesta. Senjemand bemint, 231
K
Kallundborg. Legende van, 237, 238
Kamille. Balders voorhoofd, 195
Karel de Groote. Aanvoerder van de
Wilde Jacht, 24, 25;
Bertha, de moeder van, 55;
Freya’s tempel verwoest door, 134;
zwaard van, 176
Karel de Vijfde. Alva, Generaal van, 88
Karels wagen = Groote Beer, 29
Kari. Broeder van Aegir, 183;
broeder van Loki, 215;
zoon van Fornjotnr, 230
Karl. Geboorte van, 150
Kattegat. Aegir woont in, 183, 354
Keisteen. In Thor’s voorhoofd, 75
Kerlaug. Thor waadt door, 59
Kerstmis. De Wilde Jacht tijdens,
24;
Bertha’s bezoek met, 56;
Yule nu genaamd, 126;
de heksen op Kerstavond, 232
Keulen. Vreemdeling bezoekt, 86
Knefrud. Noodigt de Niblungvorsten
uit tot bezoek aan Atli’s hof, 286;
dood van, 287
Kobolden = dwergen, 11, 236;
dwergkoning regeert de elven, 245
Konur. Geboorte van, 151
Koppelberg. Kinderen in den, 27
Kormt. Thor waadt door, 59
Kvasir. I. Moord op, 94;
Odin ontdekt de drie vaten bloed van, 95;
II. Loki ontdekt door, 224,
225
L
Laeding. Spreekwoord betreffende, 347
Laga = Saga, 37
Lampetia. Noorsch equivalent voor de kudden van, 339
Landvidi. Paleis van Vidar, 156, 158
Langbaarden. Sage der, 45
Laufeia. Moeder van Loki, 216
Laugurdag = Zaterdag, 227
Laurin. Koning der dwergen, 239
Leiding. Ketting voor Fenris, 90
Leipter. Stroom in Niflheim, 180
Lemnos. Noorsch equivalent voor, 358
Lerad. Opperste tak van Yggdrasil,
12, 18;
de dieren op, 12
Lessoe. Eiland waar Aegir verblijf houdt, 183
Lethra. Offerplaats, 49
Licht elfen. Alf-heim, het verblijf der, 116
Lif. Overleeft de wereldbrand,
331;
Grieksch equivalent, 357
Lifthrasir. Overleeft de wereldbrand,
331;
Grieksch equivalent, 357
Liod = Gna, 248
Lios-alfan. Elven, 243
Lios-beri. Vali’s maand, 163
Lit. Dwerg door Thor verbrand, 206
Lodur. Verleent den mensch bloed, 12
Loeder = Loki, 215
Lofn. Dienares van Frigga, 47
Logi. Kok van Utgard-Loki, 70;
wild vuur, 71
Logrum. De zee, 49
Loki. Vuurgod, 11;
Sif’s haar geroofd door, 63;
verandert van gedaante, 63;
Thor valt hem aan, 63;
weddenschap met Brock, 64;
vlucht van, 66;
Brock naait de lippen samen van, 66;
weddenschap in het eten, 70;
brengt hamer terug, 78;
huwt reuzin, 89;
geschiedenis met den adelaar, 103;
verzekert den goden Idoen te bevrijden, 105;
zuidenwind is, 107;
Skadi lacht over de potsierlijkheden van, 112;
de bliksem is, 115;
begeert Brisingamen, 133, 147;
leent valkenveeren, 76,
79, 133;
Freya beschuldigd door, 135;
Hel, dochter van, 178;
Aegir, broeder van, 183;
Frigga ondervraagd door, 201;
Hodurs hand geleid door, 202;
Thok synoniem met, 210;
jaloerschheid van, 211;
personifieert den verzoeker, 213;
vuurgod, 211–228;
zoon van Fornjotnr, 230;
bezoekt de aarde, 266;
vermoordt Otter, 266, 267;
neemt den schat, 268;
de Aesir dulden, 323;
rukt ketenen van elkaar, 325;
bestuurt Nagilfar, 326;
aan het hoofd der vijanden, 327,
328;
dood van, 329;
Grieksch equivalent voor de diefstal van, 346;
vergelijkingen, 348, 349, 355, 356
Lombarden. Geschiedenis der, 45
Lombardije. Het bezit van, 46
Longobarden. Geschiedenis der,
45;
Grieksch equivalent, 344
Lorelei. Legende van de, 193, 194;
Grieksch equivalent, 354
Lorride. Dochter van Thor, 62
Lucifer. Loki, evenbeeld van den middeleeuwschen, 214
Lydische koningin. Noorsch equivalent, 345
Lygni. Trekt op tegen Sigmund, 262
Lymdale. Brunhild’s verblijf, 275
Lyngvi. Eiland waar Feris, gebonden werd, 91
M
Maagd. Hand der,
115;
dronk op de gezondheid der, 135
Maagdenburg. Freya’s tempel te, 134
“Macbeth.” De Nornen in, 168
Maelstroom. Draaikolk, 128
Magni. Thor’s zoon, 61, 74;
verpersoonlijking van moed, 332;
Grieksch equivalent, 346, 347
Maid Marian. Op den eersten Meidag, 36
Mälar-meer. Legende omtrent het ontstaan van het, 49
Managarm. Gevoed in het IJzerbosch,
325;
Grieksch equivalent, 357
Mana-heim = Midgard, 11;
Grieksch equivalent, 338
Mani. De maan, 7;
metgezellen van, 9;
dood van, 324, 325;
equivalent, 339
Mannigfual. Kolossaal schip, 233; Grieksch equivalent, 357
Mara’s. Troll-vrouwen, 241
Mardel = Freya, 131
Maretak. Legt den eed niet af, 197
Mars = Ares. Noorsch equivalent, 347
Marsyas. Vergeleken met Vafthrudnir, 342
Mecklenburg. Frigga bekend in, 56
Mee. Heidrun verschaft, 12
Meerminnen. Bij Aegirs paleis, 354
Megin-giörd. Thors toovergordel,
60;
Thor maakt hem vast, 70
Mei-dag feesten, 36
Meleager. Nornagesta vergeleken met, 353
Melkweg. In Duitschland en Holland, 29, 56
Memor = Mimir, 29
Menelaus. Noorsch equivalent, 359
Menia. Frodi’s reuzenslavin, 127
Mentor. Eckhardt vergeleken met, 345
Mercurius. Noorsche equivalenten, 342, 344, 345, 347, 352
Meroveus. Geboorte van, 230;
Grieksch equivalent, 357
Merovingers. Voorvader der, 230
Mesnée d’Hellequin. De Wilde Jacht in Frankrijk, 24
Middag. Deel van den Dag, 9
Middernacht. Deel van de Nacht, 9
Midgard. De aarde genaamd, 5;
de wensch woont in, 12;
wortel van Yggdrasil in, 12;
Bifröst overspant, 13;
oogstlanden van, 117;
Uller voert heerschappij over, 137;
huishaan in, 325
Midgardslang. Thor bijna uit de zee
getrokken, 71;
Hymir vreest de, 188;
Thor hengelt de, 189, 190;
geboorte van de, 216;
aangevallen door Thor, 329;
Thor doodt de, 330;
equivalent, 338;
stormen verwekt door, 354
Midzomeravond. Feesten op, 213
Midzomernacht. Feesten op aarde in, 245
Miming. Een zwaard, 176
Mimir. Bron van, 12, 29, 93, 95,
144, 146, 229;
oceaangod, 183;
zoon van Hler, 230;
Odin spreekt voor de laatste maal met, 328
Minerva. Noorsche equivalenten, 341, 342, 350, 359
Minos. Noorsch equivalent, 353
Miölnir. Thors hamer, 60;
Thor ontvangt, 66;
dwergen maken, 239;
Thor schept geiten door middel van, 68;
Thor werpt met, 190;
reus gedood door, 221, 229;
Midgardslang verslagen met, 330;
Grieksch equivalent, 345
Misletoe. Zie maretak
Mödgud. Geraamte dat Giöll
bewaakt, 179, 207, 208;
Grieksch equivalent, 354
Modi. Zoon van Thor, 61;
verpersoonlijking van sterkte, 332
Modir. Heimdall bezoekt, 150
Moeder Nacht. Langste nacht van het jaar, 123, 213
Moerae. Vergeleken met Nornen, 341
Moeri. Thor’s tempel te, 82
Moezel. Gewoonten aan de oevers der, 123
Mokerkialfi. Nevelwader, met wien Thialfi zal vechten, 73
Morgen. Deel van den dag, 9
Mors. Noorsch equivalent, 355
Mosmeisjes. Stellen herfstbladen
voor, 23;
equivalent 245, 246
Mühlberg. Overwinning bij, 88
Muizentoren. In den Rijn, 28
Mundilfari. Vader der paardenbestuurders, 7
Munin. Raaf van Odin, 16;
Od-hroerir ontdekt door, 95;
Grieksch equivalent, 341
Muspells-Heim. Woonplaats van het
vuur, 2;
vonken afkomstig uit, 6;
de vurige bende van, 326
Mysinger. Frodi verslagen door den Viking, 128