onzijdig,
35.
oord,
73.
oorzaak,
29.
ootmoedig,
78.
opbeuren,
189.
openbaar,
9.
openlijk,
9.
oplettend,
102.
oploopend,
118.
opmerkzaam,
102.
opmerken,
27.
oponthoud,
190.
oprichten,
103.
opslaan,
103.
opvliegend,
118.
opzettelijk
, 68.
op zich nemen,
120.
oud,
217.
overal,
110.
overbodig,
82.
overdrijven,
42.
overeenkomen,
39.
overeenkomst,
130.
overeenstemmen,
39.
overhalen,
62.
overhangen,
123.
overhellen,
123.
overlaten,
61.
overlijden,
107.
overreden,
62.
overrompelen,
81.
overschrijven,
146.
overtollig,
82.
overtuigen,
62.
overvallen,
81.
overwinning,
80.
overzetten,
236.
P.
pad,
222.
plaats,
73.
plagen,
38.
plat,
122.
plechtig,
74.
plek,
73.
post,
143.
praal,
96.
pracht,
96.
prat,
182.
praten,
106.
prijs,
171.
prijzen,
211.
pronk,
96.
prooi,
171.
R.
raken,
210.
razernij,
186.
redden,
212.
reden,
29.
regeeren,
101.
reikhalzen,
229.
reis,
43.
ridderlijk,
14.
rillen,
163.
roem,
197.
roeren,
153.
roof,
171.
ruim,
50.
ruiterlijk,
14.
rust,
204.
rusteloos,
31.
rustig,
140.
ruw,
122.
rijk,
228.
rijzen,
152.
S.
schaarsch,
40.
schade,
87.
scheef,
79.
schenken,
225.
scheur,
141.
schokken,
153.
schraapzuchtig,
157.
schrik,
52, 166.
schromen,
184.
schroom,
166.
schuin,
79.
schuldeloos,
206.
sidderen,
163.
slaven,
72.
slim,
159.
slordig,
137.
slot,
54.
sloven,
72.
sluw,
159.
smachten,
229.
smaden,
188.
smalen,
188.
smart,
133.
smeeken,
114.
smijten,
99.
snappen,
106.
somber,
86.
spaarzaam,
16.
speelsch,
150.
speelziek,
150.
spijt,
174.
spleet,
141.
spoed,
58.
spoedig,
148.
sprakeloos,
44.
spreken,
51.
standvastig,
170.
staren,
164.
statig,
74.
steeds,
135.
sterkte,
160.
sterven,
107.
stichten,
103.
stilte,
204.
stom,
44.
stomp,
18.
storten,
181.
stout,
173.
straat,
222.
straffen,
132.
stroomen,
127.
stug,
97.
stuk (deel),
218.
sturen,
205.
stuursch,
97.
stijfhoofdig,
175.
stijgen,
152.
T.
talmen,
36.
tegenhouden,
169.
tegenkomen,
147.
tegenwoordig,
25.
tegenzin,
158.
terstond,
148.
terughouden,
169.
tevreden,
66.
tocht,
43.
toonen,
20.
toorn,
186.
treffen,
153.
treurig,
119.
trillen,
163.
troosten,
189.
trotsch,
182.
trouweloos,
10.
tuchtigen,
132.
turen,
164.
twijfel (in — staan),
184.
U.
uitdeelen,
193.
uitdenken,
131.
uiteenzetten,
221.
uitgelaten,
150.
uitheemsch,
112.
uitleggen,
221.
uitschrijven,
146.
uitstaan,
224.
uitvoeren,
220.
uitvoerig,
187.
uitvinden,
37.
uitweg,
232.
V.
vallen,
181.
vangst,
171.
vaststellen,
70.
vatbaar,
45.
veranderen,
46.
verantwoordelijk,
26.
verbazen,
154.
verbeiden,
144.
verbond,
130.
verdeelen,
193.
verdenken,
92.
verdichten,
131.
verdorren,
47.
verdraagzaam,
207.
verdragen,
224.
verduidelijken,
221.
verdrag,
130.
verdriet,
133.
vereeren,
225.
vergaderen,
48.
vergelden,
53.
vergen,
183.
vergenoegd,
66.
vergrooten,
42.
verguizen,
188.
verhinderen,
169.
verklaren,
221.
verkleefd,
33.
verknocht,
33.
verlagen,
22.
verlangen,
183, 229.
verleenen,
225.
verlichten,
191.
verlies,
87.
verlossen,
212.
vermaard,
104.
vermeesteren,
194.
vermeten (zich),
124.
verminderen,
223.
vermoeden (kwaad),
93.
vermoeden (gissen),
75.
vermoeid,
151.
vermogen,
160.
vermogend,
228.
vernederen,
22.
vernielen,
129.
vernietigen,
129.
veronderstellen,
75.
verplichting,
77.
verrassen,
81, 154.
verruilen,
59.
verrukkelijk,
89.
verrukking,
185.
versagen,
216.
versch,
56.
verschalken,
105.
verstaan,
117.
verstouten,
124.
vertalen,
236.
verte,
115.
vertolken,
236.
vertraging,
190.
vertwijfelen,
216.
vervallen,
223.
vervoeren,
89.
vervolgen,
203.
verwaarloozen,
57.
verwachten,
144.
verwelken,
47.
verwerven,
161.
verwijdering,
115.
verwisselen,
59.
verwoesten,
129.
verwonderen,
154.
verzamelen,
48.
verzinnen,
131.
verzuimen,
57.
vinden,
147.
vitten,
139.
vlerk,
128.
vleugel,
128.
vlieden,
200.
vlieten,
127.
vloeien,
127.
vlijtig,
108.
vluchten,
200.
volbrengen,
220.
voleindigen,
220.
volharden,
76.
volhouden,
76.
volkomen,
126.
volledig,
126.
volmaakt,
126.
volvoeren,
220.
voorbedachtelijk,
68.
voorbode,
208.
voorgeven,
100.
voorlooper,
208.
voorspellen,
111.
voorwenden,
100.
voorzeggen,
111.
voorzichtig,
134.
vorderen,
183.
vreedzaam,
207.
vreemd,
112.
vrees,
166.
vrekkig,
157.
vreugde,
185.
vroolijkheid,
185.
W.
waardeeren,
192.
waardigheid,
143.
wachten,
144.
wagen,
124.
wakker worden,
199.
walg,
158.
wangunst,
138.
wanhopen, 216.
wantrouwen,
92.
warm,
215.
week,
49.
weerhouden,
169.
weerzin,
158.
weetgierig,
60.
weg,
222.
weifelen,
184.
weinig,
227.
weldra,
148.
welgesteld,
228.
wellicht,
83.
wenden,
178.
wenschen,
229.
wentelen,
178.
werk,
219.
werkzaamheid,
219.
werpen,
99.
wettelijk,
12.
wettig,
12.
wettisch,
12.
wiek,
128.
wild,
235.
wildernis,
214.
woede,
186.
woestenij,
214.
woestijn,
214.
wroeging,
174.
wijd,
50.
wijdloopig,
187.
wijten,
23.
wijzen,
20.
wijzigen,
46.
IJ.
ijdel,
182.
ijl (spoed),
58.
ijverig,
108.
Z.
zacht,
49.
zakken,
181.
zege,
80.
zegepraal,
80.
zeggen,
51.
zegsman,
209.
zelden,
40.
zeldzaam,
40.
zenden,
205.
zien,
164.
zinken,
181.
zorgeloos,
4.
zorgelijk,
172.
zuinig,
16.
zwerven,
121.
zwoegen,
72.
zwoel,
215.
zijweg,
232.