The Project Gutenberg eBook of Blank en Bruin
Title: Blank en Bruin
Author: Hilbrandt Boschma
Illustrator: A. Rünckel
Release date: September 10, 2025 [eBook #76853]
Language: Dutch
Original publication: 's-Gravenhage: D. A. Daamen, 1912
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
BLANK EN BRUIN
’s-Gravenhage
D. A. DAAMEN
[III]
VOORAF EEN WOORD AAN DE „GROOTE MENSCHEN”,
.…..allereerst, om te zeggen, dat dit nu geen boek voor hen, maar voor hun zoontjes en neefjes is. Of ze het daarom zelf óók niet mogen lezen?—Als ze er maar plezier in hebben! En een volwassene, die er geen plezier in heeft af en toe eens een boek voor het jonge volkje te lezen, die is zelf nooit recht jong geweest.
Vervolgens, om heeren recensenten onder hen te waarschuwen, dat ze den schrijver nu niet gaan indeelen bij het corps „auteurs voor de jeugd”. Want hijzelf erkent, dat hij zich hier op vreemd jachtveld bevindt, en kan eerlijk verzekeren, er slechts bij ongeluk op verdwaald te zijn.
Dit neemt natuurlijk niet weg, dat men zoo’n ongeluk niet begaat, zonder zich vooraf eenige regels te stellen.
In dit geval dienden er wel vier:
1o. Ik zou, dacht me, een Nederlandsch boek schrijven, dat niet, zooals de meeste vertaalde boeken doen, de jongelui een droomenleven liet leven ergens vèr over de grenzen, zoodat zij voor het leven in hun eigen land en zijn te veel miskende koloniën geen oog krijgen.
2o. Niettemin mocht ik geen voedsel geven aan dien rampzaligen geest, welke de eigen nationaliteit tracht te verheffen door het antichristelijk „Raka!” uit te spreken over wie van een ander ras of gelaatstype is.
3o. Het moest een boek van onzen tijd zijn, en waar ik een stukje Geschiedenis gaf, daar mocht dit niet te ver achter onzen leeftijd liggen. De grijsheid moge leven in het verleden,—het heden behoort aan de jeugd.
4o. Ik zou schrijven voor jongelui, die al zoo ver zijn, dat ze hun oogen beginnen open te doen voor hun bestemming, en die [IV]al bij zichzelven gaan vragen: Waartoe dient het leven en waartoe zal ik het mijne besteden?
Ik heb hun den raad willen geven, het niet toe te wijden aan zichzelf en aan de wereld, maar aan Hem, wiens dienst ons alleen waarlijk gelukkig kan maken. Daartoe heb ik geen gebruik gemaakt van lange, stichtelijke redeneeringen, maar getracht hun het onderscheid tusschen wie God dient en wie Hem niet dient te laten zien.
Dit boek geeft de heele ontwikkelingsgeschiedenis weer van den knaap tot den volwassen jongeling en kàn, dunkt mij, tot allen, die zich in dit levensstadium bevinden, iets te zeggen hebben.
Ik heb mij echter voorgesteld het woord te richten tot een ontwikkelden leerling, die van school ging en die nu een avondje bij mij kwam, om afscheid te nemen. O, dat is een geduchte overgang, als men een laatsten blik werpt door de poort der school en, nieuwsgierig, voor de eerste maal tuurt door de poort van ’t werkelijke leven! Ik zag, dacht mij, hoe mijn lieve, jonge bezoeker zijn heele jongelingsleven vóór zich zag liggen in wonderschoonen, doch geheimzinnigen nevel; en met schitterende oogen mat hij, meende ik, den afstand die daar ligt tusschen de schoolfrak en het bruigomsgewaad! En zoo zaten wij dan tegenover elkaar: hij vol hoop en ik vol vrees. Want ik dacht aan de talrijke gevaren, die hem op zijn lange reis konden bejegenen. En toen nam ik de pen op en teekende hem de twee wegen, waarlangs hij zou kunnen gaan, nu voor de laatste maal nog eens liefderijk en duidelijk en ten einde toe voor.
Moge onder Gods zegen deze teekening er een weinig toe bijdragen om vele jongelui, die op ’s levens tweesprong staan, te brengen tot een vroege, vaste en—vroede keuze!
HILBRANDT BOSCHMA. [V]
INHOUD.
[VII]
Wat men leest, kan nu allemaal geen „gesneden koek” zijn.
’t Kan dus best gebeuren, dat er in dit boekje hier en daar een gedeelte voorkomt, waarvan de jonge lezer zegt: „Kijk, dat begrijp ik niet goed!” ’t Best is om het dan nòg eens te lezen. Zelfs hebben wij hier en daar wel eens een vreemd woord gebruikt.—Luiaards slaan zoo iets natuurlijk maar over, doch flinke jongelui vragen: „Wat beteekent dat?” Nu, de meeste dezer woorden—’t zijn er niet veel—hebben wij met een * gemerkt en achter in ’t boek kortelijk verklaard. [1]