Kort overzicht van den inhoud.
Een dier in Symbiose met den mensch Blz. 1–11.
Het paard in het boek Job. Dieren, die niet konden worden getemd. Wat is een huisdier? Zijn huisdieren slaven? Het begrip Symbiose. Huisdier en dierenbescherming. Ouderdom der fokkerij van huisdieren. Het paard bestond reeds lang, toen deze begon. Overgang naar de geschiedenis van het wilde paard.
Het skelet van het paard als getuigenis van zijn verleden Blz. 11–32.
Skelet van het paard en van den mensch. De opvatting van Goethe omtrent de beteekenis van het skelet. De paardevoet van den duivel anatomisch verklaard. Een botje te veel aan het been. Hoe de voet het been verovert. En hoe de voet daarbij de gedaante van het been aanneemt. Het paard als technisch probleem. Het overwinnen der zwaartekracht. Het paard werkt met overmaat. Gevolgen voor de cultuursymbiose. Het verstand van het paard. Vóór en tegen het verstand. De zintuigen van het paard. De „Slimme Hans”. Het paard leert door middel van de pooten. De leer van Goethe omtrent het type. Darwins verbetering. De classieke plek voor de ontwikkelingsdenkbeelden van den paardepoot. Wat de griffelbeenderen leeren. Rudimentaire organen. Het paard moet vroeger eens drie teenen gehad hebben. Levende paarden met meerdere teenen. Een dwaling over de zwilwratten. De paardeteen van tegenwoordig is een middenteen. Zijn er werkelijke historische documenten over den paardepoot?
De stamboom van het paard geologisch gestaafd Blz. 32–67.
De plaats van het paard in het stelsel. Er bestaat geen orde van dikhuidige dieren. Cuvier beschrijft de eerste versteende beenderen van paardachtige dieren. Catacomben van paarden in Amerika. Amerikaansche werkzaamheid en overdrijving. Het uitsterven der diluviale wilde paarden in Amerika. De tertiaire periode. Paarden en paardachtige dieren. Equiden met een overblijfsel van den pink. Een stuk huid van een fossiel paard. Paardachtige dieren met kwasthoeven. Driehoevige equiden van de grootte van schapen. Equiden van de grootte van een vos. De pink wordt kwasthoef. Het te voorschijn komen van den kleinen teen. Vospaardjes met het begin van een duim. Het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus. Vijf vingers aan de hand, vijf teenen aan den voet. De hoef krijgt den vorm van een klauw. Wij zijn in de wereld der dieren van Cernays. Waarom de paardepoot ten slotte op den menschenvoet gaat gelijken. Het oorspronkelijke hoefdier Euprotogonia. De zoolgang begint. De grootte daalt af tot die van konijnen. Verklaring dier geologische feiten uit de ontwikkelingsleer. De beteekenis van het geheele proces. Waartoe men niemand kan dwingen. Wat daarbij echter vaststaat. Een tweede schakel voor het bewijs in de beenderen van benedenarm en onderbeen. Een derde in de tanden. Het „berglandschap” der paardenkiezen en zijn trapsgewijze ontstaan. [215]
Is het paard twee maal ontstaan? Blz. 67–90.
De stamboom eerst in Europa opgesteld. Tegenstrijdigheden in den Amerikaanschen stamboom. Zijn er onafhankelijke ontwikkelingen met hetzelfde resultaat? „Gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen” als wereldwet. Een zelfde milieu schept dezelfde aanpassingen. Bestaat er een vooruit vaststaande ontwikkelingswet? Tegenargumenten tegen de dubbele ontwikkeling. De Amerikaansche stamboom had een reeks bijloopers. Het Anchitherium. Het Hipparion. De Europeesche stamboom bestaat alleen uit dergelijke bijloopers van den Amerikaanschen. Mogelijkheid van Amerikaansche invallen. Een stuk oude aardrijkskunde. Eerst met het echte wilde paard komt de Amerikaansche hoofdstam ook in de oude wereld.
De tapir Blz. 90–104.
De sage van het Amerikaansche nijlpaard. De Amerikaansche en de Indische tapir. Waartoe behoort de tapir? Paarden met slurven. De tapirs en de oude vospaardjes. De tapir als overoud dier. Hij is een uitlooper van de voorouders der paarden in de eocene periode. Zijn physionomie als moerasdier in tegenstelling met het paard op de steppe. De kleur van den Schabrak-tapir. De tapir is tropendier gebleven. Verschillende soorten van tapirs.
De neushoorn Blz. 104–143.
Is er nog een dier in leven gebleven uit de groep der driehoevige oorspronkelijke paarden? De uitgestorven Palaeotheriën als uitloopers van dat station. De neushoorn als overlevende afgedwaalde driehoevige equide der voorwereld. De neushoorn als verpantserd paard. Wat is de hoorn van den neushoorn? De eelthuid. Uitgestorven waterneushoorns. Onze neushoorn in de steppe. De slijkbedekking. Vogels als waarschuwers. De pantoffelgang van den neushoorn. Sociale zin bij neushoorns. Met pels voorziene neushoorns der ijsperiode. Speciale stamboom van den neushoorn. Een neushoorn, die op weg was paard te worden. Neushoorns, die met hun slagtanden wortels uitgroeven. Neushoorns, die geen horens hadden. De mythische eenhoorn steekt misschien in den reuzenneushoorn Elasmotherium. Elasmotheriumjagers onder de Toengoezen? Levende dubbele neushoorns in Azië. De ruwoor-neushoorn in den dierentuin te Londen. De groote Indische neushoorn. Merkwaardige stand van het oog van den rhinoceros. Het pantser van den Javaanschen neushoorn. De Afrikaansche dubbelhoornige neushoorns. De Oost-Afrikaansche steppe. Een beeld der tertiaire periode. Aesthetica der neushoorns. Is de neushoorn intelligent? Een zijblik op de voorwereldlijke Titanotheriën. Neushefboom om takken af te breken. De roman van een potsierlijk vervormd voorwereldlijk dier. Overgang naar de overlevende echte wilde paarden.
De ezel als wild dier en als cultuurdier Blz. 143–155.
De Sivapaarden der tertiaire periode. Paard en ezel in één dier? De verbreidingsgordel der tegenwoordige wilde paarden volgt de steppe. De steppen in Somaliland als de woonplaats der wilde ezels. Uiterlijk der Afrikaansche wilde ezels. De verovering van die wilde ezels door de oud-Egyptische beschaving. Lof van den oosterschen ezel. Hoe de ezel tam werd. De Aziatische wilde ezels in mythe en in geschiedenis. De ezel op zijn hoogtepunt in den Aziatischen vorm als wilde ezel. Zijn verschillende geografische afzonderlijke soorten daar. Die Aziatische dieren physionomisch een afzonderlijke groep der paardachtige dieren. Aziatisch bloed in tamme ezels. [216]
De zebra Blz. 155–170.
Het ongetemde Afrikaansche paard. De zebra’s geen ezels. Het raadsel der zebrateekening. Van de kleuren der zoogdieren. Aesthetica van den zebra. Het beginsel der „doorschijnendheid” in de teekening. Mimicry in de strepen van den zebra. Onmogelijkheid, alleen met die verklaring klaar te komen. De strijd om de verschillende zebratypen. Onmogelijkheid, reeds nu een beslissing te nemen. De Quagga. De tragedie van zijn ondergang. Kan nog maar alleen in het museum bestudeerd worden. Geheimzinnige kruisingen. De „tijgerpaarden”. Het uitgestorven Burschell’s tijgerpaard. Schoonheid van den Grevy-zebra. De berg-zebra. Hoe het met de tembaarheid van den zebra staat. De zebra steekt niet in onze cultuurrassen.
Het Aziatische wilde paard als eenig overlevend overblijfsel van den oorspronkelijken vorm van onze cultuurpaarden Blz. 170–213.
Is Azië de oorspronkelijke woonplaats van onze cultuurpaarden? Viktor Hehns standpunt. Het geheim van den Tarpan. De Tarpan geen echt wild paard. Brehms hypothese van den Koelan als voorvader van het cultuurpaard. Verandering van het beeld door de ontdekking van overblijfselen van diluviale wilde paarden in Europa. Paardenteekeningen uit de holenperiode. Hoe lang hebben wilde paarden in Europa geleefd? Vleesch van wilde paarden op de tafel in een klooster. Hoe de beteekenis duidelijk wordt van den „grimme Schelch” in het Nibelungenlied. Wilde stoeterijen in het oerwoud. De ontdekking van het Przewalskipaard als meest beslissend feit. De eerste Aziatische wilde paarden in onze dierentuinen. Kleur der Przewalskipaarden. Het winterkleed. Het begrip van het „oorspronkelijke wilde paard”. Aziatische wilde paarden op een Assyrische voorstelling van een jacht. Het Przewalskipaard en het Europeesche diluviale paard. Verschillende temmingscentra. Verschillende gebruikte wilde rassen. De fundamenteele tegenstelling van het westersche en het oostersche cultuurras. Het zware en het lichte paard. Karrepaard en Arabisch paard. Het ridderpaard. Ouderdom van het edele Arabische paard. Het oud-oostersche luxepaard. De afschuw van paardevleesch. Babylonische Przewalskipaarden met Arabischen kop. Het oostersche ras gaat niet uit van één enkel temmingsmiddelpunt. Het cultuurpaard in Afrika. Oostersche paarden in de paalwoningen van het bronzen tijdperk. Een noordelijke en een zuidelijke vorm van wilde paarden. De paarden der zuid-Russische steppe. Het Chineesche cultuurpaard. Paardenmelkers. Rendier- en paardentemming. De oorsprong van het paardrijden. De invallen van Aziatische ruitervolken in het westen. De mythe der Centauren. Waarom de oud-oostersche koningen geen ruiters waren. De oorsprong van het muildier. De verovering van het gebergte door het muildier. Het muildier als edel dier van Zuid-Amerika. Geleidelijke vermenging van alle rassen van het cultuurpaard. De toenemende overheersching van het oostersche ras. Begin der uitbreiding ook van het oud-oostersche edele ros naar het westen. De Berber-paarden. De oude Spaansche paarden. Het ingrijpen der Engelsche paarden. Het Arabische paard in verband met het Engelsche volbloedpaard. Het „aesthetische” paard. Het Trakehner paard. Het uitsterven der Europeesche wilde paarden. Het raadsel in den pony. De mensch als noodlot van het paard. Het op den achtergrond treden van het werkpaard. Duur van het sportpaard. Toekomstige beteekenis van de sport.
Colofon
Codering
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
Documentgeschiedenis
- 2025-08-26 Begonnen.
Verbeteringen
De volgende 21 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| 39 | Cordellira’s | Cordillera’s | 3 |
| 57 | ontwikkelings-idee | ontwikkelingsidee | 1 |
| 59 | onwikkelingsreeks | ontwikkelingsreeks | 1 |
| 60, 148, 187 | fantaisie | fantasie | 1 |
| 65 | Phenecodus | Phenacodus | 1 |
| 77 | [Niet in bron] | ( | 1 |
| 86 | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 94 | [Niet in bron] | „ | 1 |
| 121 | nirwal | narwal | 1 |
| 128 | mozaiekpanters | mozaiekpantsers | 1 |
| 156, 165 | zwartwit | zwart-wit | 1 |
| 161 | zwartwitte | zwart-witte | 1 |
| 161 | ” | [Verwijderd] | 1 |
| 175 | Nibelungengebied | Nibelungenlied | 3 |
| 205 | noorwestelijken | noordwestelijken | 1 |
| 207 | oudoostersche | oud-oostersche | 1 |
| 209 | Przewalski-paarden | Przewalskipaarden | 1 |
| 211 | parellel | parallel | 1 |