WeRead Powered by ReaderPub
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen cover

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 293: D
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The collection retells the principal Norse myths and sagas, presenting cosmogony, the deeds and personalities of key deities such as Odin, Thor, Frey, and Freya, and the roles of figures like Loki, the Valkyries, and the Norns. It explores supernatural races—giants, dwarfs, elves—and recounts heroic narratives including the Sigurd and Frithiof legends, concluding with the gods' twilight and comparative remarks on classical myth. Chapters are organized around deities, beings, and episodes, combining narrative summary with thematic commentary and many illustrative plates that accompany the ancient poems and prose traditions.

C

Cacus. Hrungnir vergeleken met, 346

Caduceus. Gambantein vergeleken met, 352

Caïn’s Jacht. De Wilde Jacht, 25

Calais. Mannigfual passeert, 233

Calypso. Vergeleken met Holda, 345

Capitolijnsche heuvel. Vitellius gedood bij den, 87

Carthago. Vergeleken met Zeeland, 344

Castor. Vergeleken met Erp, Sörli, en Hamdir, 360

Caucasus. Loki’s straf vergeleken met die van Prometheus, 356

Celtische taal. Taalfamilie waartoe behoort de, 336

Cephalus. Verpersoonlijking van de zon, 339

Cerberus. Vergeleken met Garm, 354, 355

Ceres. Vergeleken met Rinda, 340;
vergeleken met Frigga, 343;
vergeleken met Groa, 346

Cerynaeïsch Hert. Geschiedenis van het, 338, 339

Chaos. Wereld ontstond uit, 2;
overeenkomst der Grieksche en Noorsche conceptie betreffende, 338, 339

Charon. Vergeleken met Mödgud, 354

Charybdis. Noorsch parallel van, 347

Cheru = Tyr, 86;
zwaard van, 86–89;
= Heimdall, 148

Cheruski. God der, 86

Chiron. Vergeleken met Gripir, 358

Christendom. Invoering van het, 54, 88, 135, 231

Christenen. Paaschfeest, 54;
Noormannen beïnvloed door de, 335

Christenheid. Romeinsche en Byzantijnsche, 246

Christiansoë. Het ontstaan van, 234

Christus. Frodi regeert in Denemarken tijdens de geboorte van, 127

Clio = Saga, 343

Colchis. Argo zeilt naar, 346

Coronis. Ratatosk gelijkwaardig met de kraai in de geschiedenis van, 341

Creta. Odin’s grafheuvel te Upsala vergeleken met die van Jupiter op, 343

Cretenser Labyrinth. Vergeleken met Völundarhuis, 353

Crimer. Hal waar de reuzen zich vermaken, 334

Cyclopen. Vergeleken met Loki, 349;
vergeleken met Noorsche dwergen, 358

Cynthia. Mani vergeleken met, 339

D

Daedalus. Vergeleken met Völund, 353

Dag. Zoon van Nott, 7;
verdeeling van den, 9;
een verraderlijke Hunding, 260

Dain. Hert, hetwelk Yggdrasil als weide dient, 12

Danae. Vergeleken met Rinda, 352

Daphne. Noorsch equivalent, 339

December. Uller’s maand, 139

Deensche Ballade. Aager en Else een, 182

Deianeira. Loki’s jaloezie vergeleken bij die van, 355

Dellinger. Derde echtgenoot van Nott, 7

Delphi. Vergeleken met Gimli, 357

Denemarken. Odin verovert, 37; Frey in, 127;
Freya in, 129;
Konur koning van, 151;
Nornen bezoeken, 167;
drinkbeker in de verzameling van den koning van, 232;
Goedroen verlaat, 286

Denen. Offerplaats der, 49;
Frey regeert over de, 127;
Mysinger verslaat de, 128;
Ragnar Lodbrog, koning der, 276

Deucalion en Pyrrha, vergeleken met Lif en Lifthrasir, 357

Diana. Mani komt overeen met, 339;
Skadi gelijkt op, 349

Dido. Vergeleken met Gefjon, 344

Dinsdag. Gewijd aan Tyr, 84

Dises = Nornen, 169

Dodona. Vergeleken met Upsala, 343

Dolmens. Steenen altaren, genaamd, 85

Donar = Thor, 58

Donau. Cheru’s zwaard begraven aan de oevers van den, 87

Donderaar = Odin, 340

Donderdag. Gewijd aan Thor, 81, 346

Doren van den Slaap. Brunhild aangeraakt met den, 275

Dover. Mannigfual passeert, 233, 358

Draupnir. Odins ring, 15;
Sudri en Brock maken, 65;
Odin ontvangt, 66;
wordt Gerda door Skirnir aangeboden, 119;
gelegd op brandstapel, 204;
Balder zendt Draupnir aan Odin, 209;
symbool der vruchtbaarheid, 212;
dwergen maken, 239;
Grieksch equivalent, 346

Driekoningen. Wilde jacht tusschen Kerstmis en, 24;
Bertha tusschen Kerstmis en, 56

Droma. Ketting voor Fenris, 90;
spreekwoord betreffende, 347

Druids. Menschenoffer der, 85

Drusus. Gewaarschuwd door Veleda, 169

Dryaden. Noorsch equivalent, 340

Duitsch. Longobarden de naam voor Lombarden in het, 45;
Eckhardt, vriend van Tannhäuser, 53

Duitschland. De Wilde jacht in, 24;
Odin verovert, 37;
Abundantia vereerd in, 46;
Frigga vereerd in, 50;
Easter-steenen in, 54;
Gouden eeuw in, 55;
geloof aan de Witte Vrouw in, 56;
Thor de wagenman in, 61;
stormen in, 67;
Nerthus in, 111;
Frey heet Fro in, 116, 125;
Yle in, 123;
Freya vereerd in, 129;
tempel te Maagdenburg in, 134;
Freya nu een heks in, 135;
Uller in, 138;
de Elbe in, 192;
zandheuvels in, 233;
offers aan de elven in, 245

Duneyr. Hert, hetwelk Yggdrasil als weide dient, 12

Dunmow. Stuk spek, 125

Durathor. Hert, hetwelk Yggdrasil als weide dient, 12

Dvalin. Hert, hetwelk Yggdrasil als weide dient, 12;
door Loki bezochte dwerg, 63

Dwergen. Zwarte elfen genaamd, 10;
Aegir niet gerekend tot de, 183;
verbranden van een der, 206;
hoofdstuk betreffende de, 236–243;
woning der, 346;
nachtmerries zijn vrouwelijke, 358

E

Eagor = Ægir, 185

Easter = Ostara, 54;
aan Ostara gewijde steenen altaren, 54, 55

Eástre = Ostara, 54

Echo. Dwerggesprek, 236, 237

Eckhardt. Tracht Tannhäuser te doen blijven, 53;
vergeleken met Mentor, 344, 345

Eclipsen. Noorsche opvatting omtrent, 8

Edda. Verzameling van Noorsche mythen, 2, 39, 144, 249, 333;
zwaard-runen in de, 85;
het dingen om Gerda’s hand in de, 117, 118;
Heimdall’s nederdalen op de aarde en bezoek aan, 149;
Saemund verzamelaar der oudere, 246;
godenbeschrijving in de, 247;
Jongere, 38

Eed. Gezworen bij de punt van Gungnir, 15, 342;
op zwaardspitsen, 85;
bij Frey, 122;
bij het zwijn, 124;
op Uller, 139;
op Leipter, 180;
ten gerieve van Balder, 197

Egia. Golfmeisje, 144

Egil. Huwt een Valkyre, 173;
blaas van, 176;
vader van Thialfi, 187

Eglimi. Vader van Hiordis, 266

Eilanden. Eglimi, Koning der, 262

Eindige natuur. Der Goden, 8

Einheriar. Door Odin begunstigd, 17;
hun spijs, 19;
hun dagelijksche gevechten, 19;
Valkyren onthalen de, 173;
Helgi, aanvoerder van de, 260;
Giallar-hoorn wekt de, 326;
kalme gezichten der, 328;
alle gesneuveld in de vlakte van Vigrid, 330

Einmyria. Dochter van Loki, 216

Eira. Handige dokteres, 49

Eisa. Dochter van Loki, 216

Eitel. Zoon van Atli en Goedroen, 286

Elb. Watergeest, 192

Elbe. Drusus gewaarschuwd niet te gaan over de, 169;
genaamd naar Elb, 192;
riviergoden van de, 354

Elbegast. Koning der dwergen, 239

Elde. Dienaar van Aegir, 186

Eldhrimnir. Ketel in Valhalla, 19

Elf. Watergeest, 192;
elvenlichten, 244;
elvendans, 244;
de viking Elf laat Sigmund’s overblijfselen begraven, 263;
vraagt Hiordis ten huwelijk, 264;
tweede huwelijk van, 285

Elfen, 10;
Aegir niet gerekend tot de, 182

Elfenland = Alf-heim, 116

Elivagar. IJsstroomen van Hvergelmir, 2;
Thor steekt over den, 75;
gletschers in de, 180;
Thor reist oostelijk van, 186, 187

Elli. Thor worstelt met, 71

Ellida. Magisch drakenschip, 297, 301, 307, 313, 314

Else. Ballade van Aager en, 182

Elvenkringen, 243

Elvidner. Hal van Hel, 180

Embla. De olm of eerste vrouw, 11

Enceladus. Vergeleken met Loki, 356

Engeland. De Wilde Jacht in, 24;
Mei dag in, 36;
Yule in, 123;
zij spek in, 125;
mijnwerkers in, 242;
= Albion, 243;
feeën in, 243, 245;
Oberon, koning der feeën in, 245

Engelsch Kanaal. Mannigfual in het, 233

Epimetheus. Vergeleken met Noorsche scheppende goden, 341

Er = Tyr, 86;
= Heimdall, 148

Erda = Jörd, 58

Ermenrich. Swanhild huwt, 290;
aangevallen door de zoons van Goedroen, 290

Erna. Jarl huwt, 151

Erp. Zoon van Atli en Goedroen, 286;
zoon van Jonakur en Goedroen, 289;
vermoord door zijn broeders, 290;
wreekt Swanhilds dood, 360

Esbern Snare. Legende van, 237, 238

Eskimo. Hond van Skadi, 114

Etna. Noorsch equivalent, 355;
het smeden der dwergen vergeleken met dat van Vulcanus onder den, 358

Euboea. Aegir’s paleis gelijkt op dat van Neptunus te, 354

Euhemerus. Geschiedkundige theorie van, 343

Europa. Aesir verhuizen naar, 37;
ontdekking van, 336;
Noorsch equivalent voor de geschiedenis van, 357

Eurydice. Vergeleken met Idoen, 348

F

Fadir. Heimdall bezoekt, 150

Faerie Queene”. Gordel in, 239

Fafnir. Zoon van Hreidmar, 266;
neemt den schat van den dwergkoning, 269;
Sigurd trekt uit om Fafnir te verslaan, 271, 272;
Goedroen eet iets van het hart van, 278;
verpersoonlijking van koude en duisternis, 291, 358;
vergeleken met Python, 358, 359

Farbauti = Bergelmir, 215

Faroe Eilanden. Thors naam op de, 81

Februari. Vali’s maand, 163

Feng = Odin, 270

Fenia. Frodi’s reuzenslavin, 127

Fenris. Geboorte van, 89;
geschiedenis van, 89–94;
Vidar’s schoen om zich te verdedigen tegen, 159;
voorspelling betreffende, 159;
Hel komt ter wereld te gelijk met, 178;
geboorte van, 216;
Loki vader van, 230;
rukt ketenen van elkander, 325;
in het gevolg van Loki, 328;
dood van, 330;
alleen Tyr durft te trotseeren, 347;
vergeleken met den Nemeïschen leeuw, 352;
vergeleken met Pyrrhus, 356

Fensalir. Frigga’s paleis, 42;
Frigga spinnend in, 201

Fialar. I. Kvasir verslaat, 94;
II. Roode haan die boven Valhalla zweeft, 325

Fimbul-winter. Gedachte aan den, 207;
verschrikkingen van den, 324;
Grieksch equivalent, 356

Finnen. Hermod bezoekt de, 153

Finsche bergen. Helgé op een tocht door de, 321

Fiöllnir = Odin, 270

Fiolnir. Geboorte van, 121

Fiorgyn. Moeder van Erda, 36;
Frigga, dochter van, 41

Flora. Nanna vergeleken met, 355

Folkvang. Freya’s woning, 76, 129;
krijgslieden en vrouwen in, 130;
Loki komt binnen in, 147

Fornjotnr = Ymir, 215;
goden stammen af van, 230

Forseti. God van de waarheid, 140–144;
Grieksch equivalent, voor, 351;
land van, 142

Fraananger. Loki vlucht naar, 224

Framnaïs. Ingeborg en Thorsten wonen te, 297;
verblijf van Frithiof, 301, 311

Franconia. Door Odin veroverd, 38

Franken. Vereering van Tyr onder de, 85;
behandeling der krijgsgevangenen door de, 85

Frankenland. Hindarfiall in, 273

Frankische koningen, dynastie der, 230;
vrijage van waterreus met Koningin, 357

Frankrijk. De Gouden Eeuw in, 55;
Oberon feeënkoning in, 245

Fransche Revolutie. Aangekondigd door de Wilde Jacht, 25

Frau Gode = Frigga, 56

Frau Holle = Frigga, 50

Frau Venus = Holda, 52

Frederik Barbarossa. De Wilde Jacht aangevoerd door, 25

Freki. Odin’s wolf, 16, 341

Frey. Komt wonen in Asgard, 14, 110;
geschenk voor, 63;
Gullin-bursti en Skidbladnir voor, 66;
toast ter eere van, 115;
god van den zomer, 116–128;
Freya, zuster van, 129;
rijdt met Freya, 133;
heeft naar men zegt Freya gehuwd, 135;
zwaard van, 239;
regeert de elven, 243;
toovermacht ontweldigd aan, 245;
hertshoorn, waarmede Frey zich verdedigt, 327;
vecht met Surtr, 329;
dood van, 329;
wild zwijn van, 346;
Grieksch equivalent, 349

Freya. Komt wonen in Asgard, 14, 110;
Hrungnir verlangt, 72;
Loki leent de valkenveeren van, 76, 105;
Thor leent de kleeren van, 77;
Thor speelt de rol van, 77;
de godin der schoonheid, 77, 129–137;
Vrijdag genoemd naar, 133;
Loki steelt de halsketen van, 147, 215;
de aarde is, 148;
voert de Valkyren aan, 129, 172;
aan reus beloofd, 219;
de goden vreezen haar te verliezen, 220;
dwergen geven halsketting aan, 132, 239;
Grieksch equivalent, 343, 347, 350

Freygerda. Vrouw van Fridleef, 127

Fridleef = Frey, 127

Friezen. Verlangen nieuwe wetten, 141;
overlevering der, 233

Frigga. Zit op den troon Hlidskialf, 15;
Odin vermomt zich op aanraden van, 30;
Agnar vertroeteld door, 33;
Odin verschalkt door, 36, 44;
huwt met Vili en Ve, 36;
vrouw van Odin, 36;
zeven zonen van, 38;
hoofdstuk betreffende, 41–58;
godin van de atmosfeer, 41;
aan het spinrokken, 42;
aangebeden in verbinding met Odin, 49;
Thor, zoon van, 58;
Nerthus, in Duitschland vereenzelvigd met, 111;
vereenzelvigd met Frey, 129;
Uller huwt, 137;
Balder en Hodur zoons van, 195;
merkt gedruktheid van Balder op, 196;
de heele schepping doet belofte aan, 197;
uitgehoord door Loki, 201;
Hermod brengt de boodschap over van, 203;
de hoop van, 207;
zinnebeeld der aarde, 212;
willigt Rerir’s verlangen in, 248;
Grieksch equivalent, 343, 344, 347, 356

Frithiof. Geschiedenis van, 292–323;
Bisschop Fegnèr bezingt de sage van, 292;
geboorte van, 298;
zoon van Thorsten, 298;
Angurvadel, zwaard van, 301;
de Völundring in het bezit van, 301;
zijn liefde voor Ingeborg, 299;
verblijf van, 301;
zijn vrijage, 301;
afgewezen, 302;
Hilding vraagt de hulp van, 303;
ontmoet Ingeborg in den tempel, 304;
tracht tot een schikking met de Koningin te komen, 305;
trekt naar de Orkney-eilanden, 306;
in den storm, 307;
gevecht met Atlé, 309;
bezoekt Angantyr, 310;
keert terug naar Framnäs, 311;
als balling, 313;
als roover, 313;
bezoekt Sigurd Ring, 314;
herkend door Ingeborg, 315;
zijn trouw, 317;
herbouwt tempel, 320;
verloving met Ingeborg, 318;
vergelijking, 358

Fro = Frey, 116, 125, 349

Frodi. Molensteenen van, 127;
dood van, 128

Fulla. Gunstelinge van Frigga, 43, 46;
Nanna zendt ring aan, 209

Funfeng. Dienaar van Aegir, 186;
Loki naijverig op, 223

Fylgie. Beschermgeest, 170