C
Cacus. Hrungnir vergeleken met, 346
Caduceus. Gambantein vergeleken met, 352
Caïn’s Jacht. De Wilde Jacht, 25
Calais. Mannigfual passeert, 233
Calypso. Vergeleken met Holda, 345
Capitolijnsche heuvel. Vitellius gedood bij den, 87
Carthago. Vergeleken met Zeeland, 344
Castor. Vergeleken met Erp, Sörli, en Hamdir, 360
Caucasus. Loki’s straf vergeleken met die van Prometheus, 356
Celtische taal. Taalfamilie waartoe behoort de, 336
Cephalus. Verpersoonlijking van de zon, 339
Cerberus. Vergeleken met Garm, 354, 355
Ceres. Vergeleken met Rinda, 340;
vergeleken met Frigga, 343;
vergeleken met Groa, 346
Cerynaeïsch Hert. Geschiedenis van het, 338, 339
Chaos. Wereld ontstond uit, 2;
overeenkomst der Grieksche en Noorsche conceptie betreffende, 338, 339
Charon. Vergeleken met Mödgud, 354
Charybdis. Noorsch parallel van, 347
Cheru = Tyr, 86;
zwaard van, 86–89;
= Heimdall, 148
Cheruski. God der, 86
Chiron. Vergeleken met Gripir, 358
Christendom. Invoering van het, 54, 88, 135, 231
Christenen. Paaschfeest, 54;
Noormannen beïnvloed door de, 335
Christenheid. Romeinsche en Byzantijnsche, 246
Christiansoë. Het ontstaan van, 234
Christus. Frodi regeert in Denemarken tijdens de geboorte van, 127
Clio = Saga, 343
Colchis. Argo zeilt naar, 346
Coronis. Ratatosk gelijkwaardig met de kraai in de geschiedenis van, 341
Creta. Odin’s grafheuvel te Upsala vergeleken met die van Jupiter op, 343
Cretenser Labyrinth. Vergeleken met Völundarhuis, 353
Crimer. Hal waar de reuzen zich vermaken, 334
Cyclopen. Vergeleken met Loki,
349;
vergeleken met Noorsche dwergen, 358
Cynthia. Mani vergeleken met, 339
D
Daedalus. Vergeleken met Völund, 353
Dag. Zoon van Nott, 7;
verdeeling van den, 9;
een verraderlijke Hunding, 260
Dain. Hert, hetwelk Yggdrasil als weide dient, 12
Danae. Vergeleken met Rinda, 352
Daphne. Noorsch equivalent, 339
December. Uller’s maand, 139
Deensche Ballade. Aager en Else een, 182
Deianeira. Loki’s jaloezie vergeleken bij die van, 355
Dellinger. Derde echtgenoot van Nott, 7
Delphi. Vergeleken met Gimli, 357
Denemarken. Odin verovert, 37; Frey in, 127;
Freya in, 129;
Konur koning van, 151;
Nornen bezoeken, 167;
drinkbeker in de verzameling van den koning van, 232;
Goedroen verlaat, 286
Denen. Offerplaats der, 49;
Frey regeert over de, 127;
Mysinger verslaat de, 128;
Ragnar Lodbrog, koning der, 276
Deucalion en Pyrrha, vergeleken met Lif en Lifthrasir, 357
Diana. Mani komt overeen met,
339;
Skadi gelijkt op, 349
Dido. Vergeleken met Gefjon, 344
Dinsdag. Gewijd aan Tyr, 84
Dises = Nornen, 169
Dodona. Vergeleken met Upsala, 343
Dolmens. Steenen altaren, genaamd, 85
Donar = Thor, 58
Donau. Cheru’s zwaard begraven aan de oevers van den, 87
Donderaar = Odin, 340
Donderdag. Gewijd aan Thor, 81, 346
Doren van den Slaap. Brunhild aangeraakt met den, 275
Dover. Mannigfual passeert, 233, 358
Draupnir. Odins ring, 15;
Sudri en Brock maken, 65;
Odin ontvangt, 66;
wordt Gerda door Skirnir aangeboden, 119;
gelegd op brandstapel, 204;
Balder zendt Draupnir aan Odin, 209;
symbool der vruchtbaarheid, 212;
dwergen maken, 239;
Grieksch equivalent, 346
Driekoningen. Wilde jacht tusschen
Kerstmis en, 24;
Bertha tusschen Kerstmis en, 56
Droma. Ketting voor Fenris, 90;
spreekwoord betreffende, 347
Druids. Menschenoffer der, 85
Drusus. Gewaarschuwd door Veleda, 169
Dryaden. Noorsch equivalent, 340
Duitsch. Longobarden de naam voor
Lombarden in het, 45;
Eckhardt, vriend van Tannhäuser, 53
Duitschland. De Wilde jacht in,
24;
Odin verovert, 37;
Abundantia vereerd in, 46;
Frigga vereerd in, 50;
Easter-steenen in, 54;
Gouden eeuw in, 55;
geloof aan de Witte Vrouw in, 56;
Thor de wagenman in, 61;
stormen in, 67;
Nerthus in, 111;
Frey heet Fro in, 116, 125;
Yle in, 123;
Freya vereerd in, 129;
tempel te Maagdenburg in, 134;
Freya nu een heks in, 135;
Uller in, 138;
de Elbe in, 192;
zandheuvels in, 233;
offers aan de elven in, 245
Duneyr. Hert, hetwelk Yggdrasil als weide dient, 12
Dunmow. Stuk spek, 125
Durathor. Hert, hetwelk Yggdrasil als weide dient, 12
Dvalin. Hert, hetwelk Yggdrasil als
weide dient, 12;
door Loki bezochte dwerg, 63
Dwergen. Zwarte elfen genaamd,
10;
Aegir niet gerekend tot de, 183;
verbranden van een der, 206;
hoofdstuk betreffende de, 236–243;
woning der, 346;
nachtmerries zijn vrouwelijke, 358
E
Eagor = Ægir, 185
Easter = Ostara, 54;
aan Ostara gewijde steenen altaren, 54, 55
Eástre = Ostara, 54
Eckhardt. Tracht Tannhäuser te
doen blijven, 53;
vergeleken met Mentor, 344,
345
Eclipsen. Noorsche opvatting omtrent, 8
Edda. Verzameling van Noorsche
mythen, 2, 39, 144, 249, 333;
zwaard-runen in de, 85;
het dingen om Gerda’s hand in de, 117, 118;
Heimdall’s nederdalen op de aarde en bezoek aan,
149;
Saemund
verzamelaar der oudere, 246;
godenbeschrijving in de, 247;
Jongere, 38
Eed. Gezworen bij de punt van
Gungnir, 15, 342;
op zwaardspitsen, 85;
bij Frey, 122;
bij het zwijn, 124;
op Uller, 139;
op Leipter, 180;
ten gerieve van Balder, 197
Egia. Golfmeisje, 144
Egil. Huwt een Valkyre, 173;
blaas van,
176;
vader van Thialfi, 187
Eglimi. Vader van Hiordis, 266
Eilanden. Eglimi, Koning der, 262
Eindige natuur. Der Goden, 8
Einheriar. Door Odin begunstigd,
17;
hun spijs, 19;
hun dagelijksche gevechten, 19;
Valkyren onthalen de, 173;
Helgi, aanvoerder van de, 260;
Giallar-hoorn wekt de, 326;
kalme gezichten der, 328;
alle gesneuveld in de vlakte van Vigrid, 330
Einmyria. Dochter van Loki, 216
Eira. Handige dokteres, 49
Eisa. Dochter van Loki, 216
Eitel. Zoon van Atli en Goedroen, 286
Elb. Watergeest, 192
Elbe. Drusus gewaarschuwd niet te
gaan over de, 169;
genaamd naar Elb, 192;
riviergoden van de, 354
Elbegast. Koning der dwergen, 239
Elde. Dienaar van Aegir, 186
Eldhrimnir. Ketel in Valhalla, 19
Elf. Watergeest, 192;
elvenlichten, 244;
elvendans, 244;
de viking Elf laat Sigmund’s overblijfselen begraven, 263;
vraagt Hiordis ten huwelijk, 264;
tweede huwelijk van, 285
Elfen, 10;
Aegir niet gerekend tot de, 182
Elfenland = Alf-heim, 116
Elivagar. IJsstroomen van Hvergelmir,
2;
Thor steekt over den, 75;
gletschers in de, 180;
Thor reist oostelijk van, 186,
187
Elli. Thor worstelt met, 71
Ellida. Magisch drakenschip, 297, 301, 307, 313, 314
Else. Ballade van Aager en, 182
Elvenkringen, 243
Elvidner. Hal van Hel, 180
Embla. De olm of eerste vrouw, 11
Enceladus. Vergeleken met Loki, 356
Engeland. De Wilde Jacht in, 24;
Mei dag in, 36;
Yule in, 123;
zij spek in, 125;
mijnwerkers in, 242;
= Albion, 243;
feeën in, 243, 245;
Oberon, koning der feeën in, 245
Engelsch Kanaal. Mannigfual in het, 233
Epimetheus. Vergeleken met Noorsche scheppende goden, 341
Erda = Jörd, 58
Ermenrich. Swanhild huwt, 290;
aangevallen door de zoons van Goedroen, 290
Erna. Jarl huwt, 151
Erp. Zoon van Atli en Goedroen,
286;
zoon van Jonakur en Goedroen, 289;
vermoord door zijn broeders, 290;
wreekt Swanhilds dood, 360
Esbern Snare. Legende van, 237, 238
Eskimo. Hond van Skadi, 114
Etna. Noorsch equivalent, 355;
het smeden der dwergen vergeleken met dat van Vulcanus onder den,
358
Euboea. Aegir’s paleis gelijkt op dat van Neptunus te, 354
Euhemerus. Geschiedkundige theorie van, 343
Europa. Aesir verhuizen naar,
37;
ontdekking van, 336;
Noorsch equivalent voor de geschiedenis van, 357
Eurydice. Vergeleken met Idoen, 348
F
Fadir. Heimdall bezoekt, 150
“Faerie Queene”. Gordel in, 239
Fafnir. Zoon van Hreidmar, 266;
neemt den schat van den dwergkoning, 269;
Sigurd trekt uit om Fafnir te verslaan, 271, 272;
Goedroen eet iets van het hart van, 278;
verpersoonlijking van koude en duisternis, 291, 358;
vergeleken met Python, 358,
359
Farbauti = Bergelmir, 215
Faroe Eilanden. Thors naam op de, 81
Februari. Vali’s maand, 163
Feng = Odin, 270
Fenia. Frodi’s reuzenslavin, 127
Fenris. Geboorte van, 89;
geschiedenis van, 89–94;
Vidar’s schoen om zich te verdedigen tegen, 159;
voorspelling betreffende, 159;
Hel komt ter wereld te gelijk met, 178;
geboorte van, 216;
Loki vader van, 230;
rukt ketenen van elkander, 325;
in het gevolg van Loki, 328;
dood van, 330;
alleen Tyr durft te trotseeren, 347;
vergeleken met den Nemeïschen leeuw, 352;
vergeleken met Pyrrhus, 356
Fensalir. Frigga’s paleis,
42;
Frigga spinnend in, 201
Fialar. I. Kvasir verslaat, 94;
II. Roode haan die boven Valhalla zweeft, 325
Fimbul-winter. Gedachte aan den,
207;
verschrikkingen van den, 324;
Grieksch equivalent, 356
Finnen. Hermod bezoekt de, 153
Finsche bergen. Helgé op een tocht door de, 321
Fiöllnir = Odin, 270
Fiolnir. Geboorte van, 121
Fiorgyn. Moeder van Erda, 36;
Frigga, dochter van, 41
Flora. Nanna vergeleken met, 355
Folkvang. Freya’s woning,
76, 129;
krijgslieden en vrouwen in, 130;
Loki komt binnen in, 147
Fornjotnr = Ymir, 215;
goden stammen af van, 230
Forseti. God van de waarheid,
140–144;
Grieksch equivalent, voor, 351;
land van, 142
Fraananger. Loki vlucht naar, 224
Framnaïs. Ingeborg en Thorsten
wonen te, 297;
verblijf van Frithiof, 301,
311
Franconia. Door Odin veroverd, 38
Franken. Vereering van Tyr onder de,
85;
behandeling der krijgsgevangenen door de, 85
Frankenland. Hindarfiall in, 273
Frankische koningen, dynastie der,
230;
vrijage van waterreus met Koningin, 357
Frankrijk. De Gouden Eeuw in,
55;
Oberon feeënkoning in, 245
Fransche Revolutie. Aangekondigd door de Wilde Jacht, 25
Frau Gode = Frigga, 56
Frau Holle = Frigga, 50
Frau Venus = Holda, 52
Frederik Barbarossa. De Wilde Jacht aangevoerd door, 25
Frey. Komt wonen in Asgard, 14, 110;
geschenk voor, 63;
Gullin-bursti en Skidbladnir voor, 66;
toast ter eere van, 115;
god van den zomer, 116–128;
Freya, zuster van, 129;
rijdt met Freya, 133;
heeft naar men zegt Freya gehuwd, 135;
zwaard van, 239;
regeert de elven, 243;
toovermacht ontweldigd aan, 245;
hertshoorn, waarmede Frey zich verdedigt, 327;
vecht met Surtr, 329;
dood van, 329;
wild zwijn van, 346;
Grieksch equivalent, 349
Freya. Komt wonen in Asgard, 14, 110;
Hrungnir verlangt, 72;
Loki leent de valkenveeren van, 76,
105;
Thor leent de kleeren van, 77;
Thor speelt de rol van, 77;
de godin der schoonheid, 77,
129–137;
Vrijdag genoemd naar, 133;
Loki steelt de halsketen van, 147,
215;
de aarde is, 148;
voert de Valkyren aan, 129,
172;
aan reus beloofd, 219;
de goden vreezen haar te verliezen, 220;
dwergen geven halsketting aan, 132, 239;
Grieksch equivalent, 343, 347, 350
Freygerda. Vrouw van Fridleef, 127
Fridleef = Frey, 127
Friezen. Verlangen nieuwe wetten,
141;
overlevering der, 233
Frigga. Zit op den troon Hlidskialf,
15;
Odin vermomt zich op aanraden van, 30;
Agnar vertroeteld door, 33;
Odin verschalkt door, 36, 44;
huwt met Vili en Ve, 36;
vrouw van Odin, 36;
zeven zonen van, 38;
hoofdstuk betreffende, 41–58;
godin van de atmosfeer, 41;
aan het spinrokken, 42;
aangebeden in verbinding met Odin, 49;
Thor, zoon van, 58;
Nerthus, in Duitschland vereenzelvigd met, 111;
vereenzelvigd met Frey, 129;
Uller huwt, 137;
Balder en Hodur zoons van, 195;
merkt gedruktheid van Balder op, 196;
de heele schepping doet belofte aan, 197;
uitgehoord door Loki, 201;
Hermod brengt de boodschap over van, 203;
de hoop van, 207;
zinnebeeld der aarde, 212;
willigt Rerir’s verlangen in, 248;
Grieksch equivalent, 343, 344, 347, 356
Frithiof. Geschiedenis van, 292–323;
Bisschop Fegnèr bezingt de sage van, 292;
geboorte van, 298;
zoon van Thorsten, 298;
Angurvadel, zwaard van, 301;
de Völundring in het bezit van, 301;
zijn liefde voor Ingeborg, 299;
verblijf van, 301;
zijn vrijage, 301;
afgewezen, 302;
Hilding vraagt de hulp van, 303;
ontmoet Ingeborg in den tempel, 304;
tracht tot een schikking met de Koningin te komen, 305;
trekt naar de Orkney-eilanden, 306;
in den storm, 307;
gevecht met Atlé, 309;
bezoekt Angantyr, 310;
keert terug naar Framnäs, 311;
als balling, 313;
als roover, 313;
bezoekt Sigurd Ring, 314;
herkend door Ingeborg, 315;
zijn trouw, 317;
herbouwt tempel, 320;
verloving met Ingeborg, 318;
vergelijking, 358
Frodi. Molensteenen van, 127;
dood van, 128
Fulla. Gunstelinge van Frigga,
43, 46;
Nanna zendt ring aan, 209
Funfeng. Dienaar van Aegir, 186;
Loki naijverig op, 223
Fylgie. Beschermgeest, 170