WeRead Powered by ReaderPub
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen cover

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 310: U
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The collection retells the principal Norse myths and sagas, presenting cosmogony, the deeds and personalities of key deities such as Odin, Thor, Frey, and Freya, and the roles of figures like Loki, the Valkyries, and the Norns. It explores supernatural races—giants, dwarfs, elves—and recounts heroic narratives including the Sigurd and Frithiof legends, concluding with the gods' twilight and comparative remarks on classical myth. Chapters are organized around deities, beings, and episodes, combining narrative summary with thematic commentary and many illustrative plates that accompany the ancient poems and prose traditions.

T

Tanngniostr. Thors geit, 61

Tanngrisnr. Thors geit, 61

Tannhäuser. Geschiedenis van, 52–54;
equivalent, 344, 345

Tarnkap. Onzichtbare kap, 237, 239

Tartarus. Noorsche equivalenten, 338, 347, 355

Telemachus. Noorsch equivalent, 345

Teutonen. Ostara, godin geliefd bij de, 54;
geloof aan Lorelei, 194;
geloof omtrent feeën, 243

Teutonische goden, 227, 229

Thanatos = Hel, 355

Theseus. Noorsch equivalent, 358, 360

Thetis. Noorsch equivalent, 352

Thialfi. Dienaar van Thor, 68, 69, 70, 80;
gevecht van, 73, 74;
Egil’s zoon, 187

Thiassi. Geschiedenis van, 103;
Idoen gevangen genomen door, 104, 105, 106, 107, 215, 348;
Loki vervolgd door, 103, 106;
Gerda bloedverwante van, 118;
de oogen van, 107, 349

Thing. Noorsche volksvergadering, 134, 135, 299, 318

Thok. Loki als, 210, 212, 222;
vergelijking, 356

Thor. Gaat nooit over Bifröst, 14;
Jörd, moeder van, 36;
gedronken op, 41;
de donderaar, 58–84;
jeugd van, 58;
toorn van, 58, 63;
beschrijving van, 59;
kamer van, 60;
Alvis op de proef gesteld door, 62;
Miölnir in het bezit van, 66;
weddenschap betreffende drinken, 70;
duel met Hrungnir, 74;
Geirrod en, 79;
tempels voor, 82;
Tyr staat naast, 84;
haat de reuzen, 116, 229;
Yule gewijd aan, 123;
Brisinga-men gedragen door, 133;
Uller, stiefzoon van, 137;
Grid’s ijzeren handschoen beschermt, 157;
Thor en de ketel, 186;
gaat visschen, 188, 189;
wijdt brandstapel, 206;
bezoekt Utgard Loki, 214;
vermoordt den architect, 221;
grijpt Loki, 225;
doodt Midgardslang, 330;
zoons van, 332;
Grieksche equivalenten, 345, 346, 347, 356

Thora. Dochter van Hakon, vrouw van Elf, 285

Thorburn. Oorsprong van den naam, 81

Thorer. Zoon van Viking, in kelder gebracht, 296

Thorsten. I. Sage, 292;
II. Zoon van Viking, die Angurvadel ontvangt, 296;
schipbreuk van, 297;
huwelijk van, 297;
te Framnäs, 297;
vader van Frithiof, 298;
laatste ontmoeting met Belé, 299;
grafheuvel van, 300

Thorwaldsen. Oorsprong van den naam, 81

Thrall. Geboorte van, 149

Thridi. Een der drie godheden, 38

Throndhjeim. Tempel van Frey te, 122

Thrud. Dochter van Thor, 62

Thrudgelmir. Geboorte van, 4

Thrud-heim. Thors rijk, 58

Thrud-vang = Thrud-heim, 58, 71, 75, 76

Thrung = Freya, 131

Thrym. Thor bezoekt, 76, 77, 345, 347;
Freya weigert, 77, 135;
zoon van Kari, 230

Thrym-heim. Verblijf van Thiassi, 104;
Loki bezoekt, 106;
geboorteplaats van Skadi, 113, 114

Thunderhill. Naar Thor genaamd, 81

Thuringia. Horselberg in, 52;
reuzen in, 234

Thurses. Reuzen genaamd, 228

Thvera. Tempel van Frey te, 123

Thviti. Steen waaraan Fenris werd gebonden, 92

Thyr. Vrouw van Thrall, 149

Titanen. Noorsch equivalent voor, 338, 347, 357

Titania. Koningin in feeënland, 245

Tityus. Noorsch equivalent, 356

Tiu = Tyr, 84, 347

Toasten. Op Odin, 39;
op Frigga, 41;
op Bragi, 101;
op Niörd en Frey, 115;
op Freya, 135

Torge. Geschiedenis van den reus, 231

Torghatten. De berg, 231

Trentschippers. Bijgeloof der, 186

Trollpieken, 241

Trolls. Dwergen, 10, 238, 241, 358

Troye. Noorsch equivalent voor de belegering van, 344, 356, 359

Tübingen. Dienst van Tyr te, 93

Tyr. Zoon van Frigga, 37;
god van den oorlog, 84–94;
verminkte arm, 92, 327;
geeft Fenris voedsel, 90;
verwisseld met Frey, 116;
vereenzelvigd met Irmin, 148;
ketent Fenris, 92, 178;
vergezelt Thor, 186–191;
vecht met Garm, 329;
dood van, 330

Tyrfing. Mythisch zwaard, 239

Tyrol. Geschiedenis van het vlas in, 50

Tyr’s Helm. Monnikskap genaamd, 93

U

Ulfrun. Golfmeisje, 144

Uller. Skadi huwt, 114;
god van den winter, 137–140;
equivalent, 351

Ulyssus. Vergeleken met Tannhäuser, 344, 345

Undinen. Watergodinnen, 191, 192, 354

Uplands. Njorfe, koning van, 294

Upsala. Heiligdom te, 39, 82, 343;
Ingvi-Frey in, 122;
berg bij, 350

Urd. Een der Nornen, 165, 166

Urdar. Fontein, 12, 13, 59, 157, 164, 166, 328

Utgard. Rijk van, 69

Utgard-Loki. Kasteel van, 69, 70, 71;
verpersoonlijking van het kwaad, 214;
Thor bezoekt, 215

V

Vader-Fine. Zal terugkeeren, 238

Vafthrudnir. Odins bezoek aan, 30, 229, 342;
zijn voorspelling komt uit, 326

Vak. Odin als, 162

Vala. Nornen genaamd, 86, 169;
Odin raadpleegt de, 198;
het graf van, 199

Valaskialf. Hal in Asgard, 17;
Vali in, 163

Valentijn St. Vali als, 163

Valfreya = Freya, 129

Valhalla. Beschrijving van, 18–21;
meesters in het, 58;
Hrungnir in, 72;
Tyr welkom in, 84;
Tyr’s krijgslieden in, 89;
Bragi minstreel in, 100;
helden in, 31, 148, 152, 259;
Vidar bezoekt, 157;
Valkyren kiezen helden voor het, 171, 173;
Ran’s spelonken vergeleken met het, 184;
maretak aan de poort van, 197, 201;
Helgi’s onthaal in, 259;
Goedroen terug in, 260;
Fialnar boven, 325;
de schare van, 329

Vali. Zinnebeeld van den plantengroei, 37;
I. geboorte van, 162, 199;
verslaat Hodur, 211;
onvergankelijk, 332, 352;
II. zoon van Loki, 216, 225

Valkyren. Dienaressen van Odin, 17, 171;
dienaressen der krijgslieden, 18, 20;
dienaressen van Tyr, 88;
Freya koningin der, 129;
vergezellen Hermod, 152;
Skuld eene der, 170;
hoofdstuk betreffende de, 171–178;
Helgi huwt een, 260;
Goedroen een, 264;
Brunhild een, 171;
Freya een Valkyr, 350;
Hebe vergeleken met de, 353

Valpurgisnacht. Heksen dansen in den, 135, 169

Valtam. Vegtam, zoon van, 198

Valvader = Odin, 18, 171

Van. Niörd een, 14, 348

Vanabruid = Freya, 129

Vanadis = Freya, 129

Vana-heim. Huis der Vana’s, 14, 110, 116, 129

Vana’s. Zee- en windgoden, 14, 111, 129, 146, 183;
strijd tusschen Aesir en, 94, 110;
vergelijking, 332, 342

Vandalen. Geschiedenis der Winilers en, 44, 344

Vara. Straft meineedigen, 49

Vasud. Vader van Vindsual, 9

Ve. Geboorte van, 4;
bij de schepping van den mensch, 11, 341;
verpersoonlijkt Odin, 36, 137;
equivalent, 338

Vecha. Odin als, 162

Vedfolnir. Die valk die verslag doet, 12

Vegtam = Odin, 198

Veimer. Thor doorwaadt, 80, 347

Veleda. Waarschuwt Drusus, 169

Veneur de Fontainebleau. De Wilde Jager, 25

Venus. Noorsche equivalenten voor, 343, 347, 350, 359

Verdandi. Eene der Nornen, 165;
welwillendheid van, 165

Vespasianus. Tot Keizer uitgeroepen, 87

Vidar. Ouders van, 37;
geschiedenis van, 156–160;
verscheurt Fenris, 330;
onvergankelijk, 159, 332;
vergelijking, 352, 356

Vigrid. Het laatste gevecht op het veld, 30, 227, 328, 332

Viking. Kleinzoon van Harloge, 292;
geboorte en huwelijk van, 293;
tweede huwelijk van, 294;
geschiedenis zijner zoons, 295, 296;
Aegir geeft Ellida aan, 297

Vikings. Opgenomen door Valkyren, 172

Vili. Geboorte van, 4;
bij de schepping van den mensch, 11, 341;
verpersoonlijkt Odin, 36, 137;
vergelijking, 338

Vindsual. Vader van Winter, 9

Vingnir. Thor toevertrouwd aan, 58

Vingolf. Tyr welkom te, 84

Vingthor = Thor, 58

Vinland. Noormannen vestigen zich in, 246

Vitellius. Heeft Cheru’s zwaard, 86, 87

Vjofn. Godin der vrede en eendracht, 48

Vlas. Ontdekking van het, 50–52

Volla = Fulla, 46

Volsung. Saga, 247, 359;
geboorte van, 47, 248;
geschiedenis en dood van, 247–252;
afstammelingen van, 254, 258, 291

Völund. De smid, 173–178, 353;
armband, 298, 305

Völund’s huis. Doolhof, 175;
vergeleken met het Cretenser labyrinth, 353

Von. Rivier uit Fenris’ mond, 93

Voormiddag. Deel van den Dag, 9

Voorteekenen. Wolven zijn goede, 16

Vor = geloof, 49

Vrede-Frodi. Geschiedenis van, 127

Vrou-elde = Frigga, 56

Vrou-eldenstraat. Melkweg in Holland, 56

Vrijdag. Naar Freya genaamd, 133

Vulcanus. Noorsche equivalenten, 340, 353, 358

Vulder = Uller, 138