T
Tanngniostr. Thors geit, 61
Tanngrisnr. Thors geit, 61
Tannhäuser. Geschiedenis van,
52–54;
equivalent, 344, 345
Tarnkap. Onzichtbare kap, 237, 239
Tartarus. Noorsche equivalenten, 338, 347, 355
Telemachus. Noorsch equivalent, 345
Teutonen. Ostara, godin geliefd bij
de, 54;
geloof aan Lorelei, 194;
geloof omtrent feeën, 243
Thanatos = Hel, 355
Theseus. Noorsch equivalent, 358, 360
Thetis. Noorsch equivalent, 352
Thialfi. Dienaar van Thor, 68, 69,
70, 80;
gevecht van, 73, 74;
Egil’s zoon, 187
Thiassi. Geschiedenis van, 103;
Idoen gevangen genomen door, 104,
105, 106, 107, 215, 348;
Loki vervolgd door, 103, 106;
Gerda bloedverwante van, 118;
de oogen van, 107, 349
Thing. Noorsche volksvergadering, 134, 135, 299, 318
Thok. Loki als, 210, 212,
222;
vergelijking, 356
Thor. Gaat nooit over Bifröst,
14;
Jörd, moeder van, 36;
gedronken op, 41;
de donderaar, 58–84;
jeugd van, 58;
toorn van, 58, 63;
beschrijving van, 59;
kamer van, 60;
Alvis op de proef gesteld door, 62;
Miölnir in het bezit van, 66;
weddenschap betreffende drinken, 70;
duel met Hrungnir, 74;
Geirrod en, 79;
tempels voor, 82;
Tyr staat naast, 84;
haat de reuzen, 116, 229;
Yule gewijd aan, 123;
Brisinga-men gedragen door, 133;
Uller, stiefzoon van, 137;
Grid’s ijzeren handschoen beschermt, 157;
Thor en de ketel, 186;
gaat visschen, 188, 189;
wijdt brandstapel, 206;
bezoekt Utgard Loki, 214;
vermoordt den architect, 221;
grijpt Loki, 225;
doodt Midgardslang, 330;
zoons van, 332;
Grieksche equivalenten, 345,
346, 347, 356
Thora. Dochter van Hakon, vrouw van Elf, 285
Thorburn. Oorsprong van den naam, 81
Thorer. Zoon van Viking, in kelder gebracht, 296
Thorsten. I. Sage, 292;
II. Zoon van Viking, die Angurvadel ontvangt, 296;
schipbreuk van, 297;
huwelijk van, 297;
te Framnäs, 297;
vader van Frithiof, 298;
laatste ontmoeting met Belé, 299;
grafheuvel van, 300
Thorwaldsen. Oorsprong van den naam, 81
Thrall. Geboorte van, 149
Thridi. Een der drie godheden, 38
Throndhjeim. Tempel van Frey te, 122
Thrud. Dochter van Thor, 62
Thrudgelmir. Geboorte van, 4
Thrud-heim. Thors rijk, 58
Thrud-vang = Thrud-heim, 58, 71, 75, 76
Thrung = Freya, 131
Thrym. Thor bezoekt, 76, 77,
345, 347;
Freya weigert, 77, 135;
zoon van Kari, 230
Thrym-heim. Verblijf van Thiassi,
104;
Loki bezoekt, 106;
geboorteplaats van Skadi, 113,
114
Thunderhill. Naar Thor genaamd, 81
Thuringia. Horselberg in, 52;
reuzen in, 234
Thurses. Reuzen genaamd, 228
Thvera. Tempel van Frey te, 123
Thviti. Steen waaraan Fenris werd gebonden, 92
Thyr. Vrouw van Thrall, 149
Titanen. Noorsch equivalent voor, 338, 347, 357
Titania. Koningin in feeënland, 245
Tityus. Noorsch equivalent, 356
Toasten. Op Odin, 39;
op Frigga, 41;
op Bragi, 101;
op Niörd en Frey, 115;
op Freya, 135
Torge. Geschiedenis van den reus, 231
Torghatten. De berg, 231
Trentschippers. Bijgeloof der, 186
Trollpieken, 241
Trolls. Dwergen, 10, 238, 241, 358
Troye. Noorsch equivalent voor de belegering van, 344, 356, 359
Tübingen. Dienst van Tyr te, 93
Tyr. Zoon van Frigga, 37;
god van den oorlog, 84–94;
verminkte arm, 92, 327;
geeft Fenris voedsel, 90;
verwisseld met Frey, 116;
vereenzelvigd met Irmin, 148;
ketent Fenris, 92, 178;
vergezelt Thor, 186–191;
vecht met Garm, 329;
dood van, 330
Tyrfing. Mythisch zwaard, 239
Tyrol. Geschiedenis van het vlas in, 50
Tyr’s Helm. Monnikskap genaamd, 93
U
Ulfrun. Golfmeisje, 144
Uller. Skadi huwt, 114;
god van den winter, 137–140;
equivalent, 351
Ulyssus. Vergeleken met Tannhäuser, 344, 345
Undinen. Watergodinnen, 191, 192, 354
Uplands. Njorfe, koning van, 294
Upsala. Heiligdom te, 39, 82,
343;
Ingvi-Frey in, 122;
berg bij, 350
Urdar. Fontein, 12, 13, 59, 157, 164, 166, 328
Utgard. Rijk van, 69
Utgard-Loki. Kasteel van, 69, 70,
71;
verpersoonlijking van het kwaad, 214;
Thor bezoekt, 215
V
Vader-Fine. Zal terugkeeren, 238
Vafthrudnir. Odins bezoek aan,
30, 229, 342;
zijn voorspelling komt uit, 326
Vak. Odin als, 162
Vala. Nornen genaamd, 86, 169;
Odin raadpleegt de, 198;
het graf van, 199
Valaskialf. Hal in Asgard, 17;
Vali in, 163
Valentijn St. Vali als, 163
Valfreya = Freya, 129
Valhalla. Beschrijving van, 18–21;
meesters in het, 58;
Hrungnir in, 72;
Tyr welkom in, 84;
Tyr’s krijgslieden in, 89;
Bragi minstreel in, 100;
helden in, 31, 148, 152,
259;
Vidar bezoekt, 157;
Valkyren kiezen helden voor het, 171, 173;
Ran’s spelonken vergeleken met het, 184;
maretak aan de poort van, 197,
201;
Helgi’s onthaal in, 259;
Goedroen terug in, 260;
Fialnar boven, 325;
de schare van, 329
Vali. Zinnebeeld van den
plantengroei, 37;
I. geboorte van, 162, 199;
verslaat Hodur, 211;
onvergankelijk, 332, 352;
II. zoon van Loki, 216, 225
Valkyren. Dienaressen van Odin,
17, 171;
dienaressen der krijgslieden, 18,
20;
dienaressen van Tyr, 88;
Freya koningin der, 129;
vergezellen Hermod, 152;
Skuld eene der, 170;
hoofdstuk betreffende de, 171–178;
Helgi huwt een, 260;
Goedroen een, 264;
Brunhild een, 171;
Freya een Valkyr, 350;
Hebe vergeleken met de, 353
Valpurgisnacht. Heksen dansen in den, 135, 169
Valtam. Vegtam, zoon van, 198
Vanabruid = Freya, 129
Vanadis = Freya, 129
Vana-heim. Huis der Vana’s, 14, 110, 116, 129
Vana’s. Zee- en windgoden,
14, 111, 129, 146, 183;
strijd tusschen Aesir en, 94,
110;
vergelijking, 332, 342
Vandalen. Geschiedenis der Winilers en, 44, 344
Vara. Straft meineedigen, 49
Vasud. Vader van Vindsual, 9
Ve. Geboorte van, 4;
bij de schepping van den mensch, 11, 341;
verpersoonlijkt Odin, 36, 137;
equivalent, 338
Vecha. Odin als, 162
Vedfolnir. Die valk die verslag doet, 12
Vegtam = Odin, 198
Veimer. Thor doorwaadt, 80, 347
Veleda. Waarschuwt Drusus, 169
Veneur de Fontainebleau. De Wilde Jager, 25
Venus. Noorsche equivalenten voor, 343, 347, 350, 359
Verdandi. Eene der Nornen, 165;
welwillendheid van, 165
Vespasianus. Tot Keizer uitgeroepen, 87
Vidar. Ouders van, 37;
geschiedenis van, 156–160;
verscheurt Fenris, 330;
onvergankelijk, 159, 332;
vergelijking, 352, 356
Vigrid. Het laatste gevecht op het veld, 30, 227, 328, 332
Viking. Kleinzoon van Harloge,
292;
geboorte en huwelijk van, 293;
tweede huwelijk van, 294;
geschiedenis zijner zoons, 295,
296;
Aegir geeft Ellida aan, 297
Vikings. Opgenomen door Valkyren, 172
Vili. Geboorte van, 4;
bij de schepping van den mensch, 11, 341;
verpersoonlijkt Odin, 36, 137;
vergelijking, 338
Vindsual. Vader van Winter, 9
Vingnir. Thor toevertrouwd aan, 58
Vingolf. Tyr welkom te, 84
Vingthor = Thor, 58
Vinland. Noormannen vestigen zich in, 246
Vitellius. Heeft Cheru’s zwaard, 86, 87
Vjofn. Godin der vrede en eendracht, 48
Vlas. Ontdekking van het, 50–52
Volla = Fulla, 46
Volsung. Saga, 247, 359;
geboorte van, 47, 248;
geschiedenis en dood van, 247–252;
afstammelingen van, 254, 258, 291
Völund. De smid, 173–178, 353;
armband, 298, 305
Völund’s huis. Doolhof,
175;
vergeleken met het Cretenser labyrinth, 353
Von. Rivier uit Fenris’ mond, 93
Voormiddag. Deel van den Dag, 9
Voorteekenen. Wolven zijn goede, 16
Vor = geloof, 49
Vrede-Frodi. Geschiedenis van, 127
Vrou-elde = Frigga, 56
Vrou-eldenstraat. Melkweg in Holland, 56
Vrijdag. Naar Freya genaamd, 133
Vulcanus. Noorsche equivalenten, 340, 353, 358
Vulder = Uller, 138