Q

Quickborn. Tooverfontein, 54

R

Ragnar Lodbrog. Aslaug huwt, 276

Ragnarok. Heimdall moet diens komst aankondigen, 14;
komst van, 221;
recruten voor het leger tegen, 261;
de verschrikking van, 324, 331;
verklaring der mythe, 335, 357;
Fenris sterft te, 352

Raki. Odin’s boor, 97

Ran. Vrouw van Aegir, 184, 191;
zuster van Loki, 215;
Loki maakt een net als dat van, 224;
Loki leent het net van, 268;
Frithiof denkt aan de schatting van, 308;
vergeleken met Amphitrite, 354

Randwer. Dood van, 290

Ratatosk. Eekhoorntje, takboorder, 13;
equivalent, 134

Rattentoren. In den Rijn, 28

Razende Menigte. Wilde Jacht, 22, 24

Regin. Sigurd opgevoed door, 264;
geschiedenis van, 265–270;
smeedt wapen, 270;
keert met Sigurd terug om Fafnir te verslaan, 271;
verlangt voldoening, 271;
dood van, 272

Reine Pédauque = Frigga, 55

Rerir. Zoon van Odin, ontvangt appel, 47, 248;
equivalent van de geschiedenis van, 291

Reuzen. Geboorte der vorstreuzen, 4;
de goden verslaan de, 4;
Aegir behoort niet tot de, 183;
Hyrrokin een reuzin, 205;
hoofdstuk betreffende de, 228–236;
Crimer, hal der, 334

Reuzengebergte. Bergketen, 230, 357

Riger. Heimdall bezoekt de aarde en noemt zich, 149

Rinda. Vrouw van Odin, 37, 211;
voorspelling betreffende, 154, 199;
Odin maakt het hof aan, 160, 211;
Grieksch equivalent, 340, 352

Ring. Zoon van Viking, 294

Ringhorn. Balders schip, 204, 205;
Grieksch equivalent, 355

Ringric. Sigurd Ring, onderkoning van, 303;
Frithiof blijft in, 319

Rodenstein. Wilde Jacht aangevoerd door, 24, 25

Roem. Vergeleken met Heimdall, 351

Rome. Tannhäuser bezoekt, 53;
Vitellius keizer van, 86

Romeinen. Verdrijven de Aesir uit Klein-Azië, 37;
Vitellius heerscher over de, 86

Roskva. Dienares van Thor, 68

Rossthiof. Toovenaar, 153, 154, 160, 162, 199;
vergelijking, 352

Rosterus. Odin als smid, 161

Rügen. Nerthus geëerd op, 58

Runen. Odin god en bekend met de, 32, 95, 195, 198

Rusland. De Aesir verhuizen naar, 37;
naam voor, 154

Ruthenen. Odin in het land der, 154, 160

Rijn. Toren in den, 28;
godheid, 192, 354;
Lorelei, dochter van Vader, 193, 196;
Brunhild en Goedroen baden in den, 281;
Nevelingenschat begraven in den, 286

Rijngoud, 175, 247

S

Saehrimnir. Everzwijn in Valhalla, 19

Saeming. Koning van Noorwegen, 38, 114

Saemund. Verzamelaar der Oudere Edda’s, 246

Saga. I. Vrouw van Odin, 37, 343;
II. verzameling zangen, 2, 247, 333

Sagittarius. Noorsch equivalent, 138

St. Gertruida. Gezondheid drinken op, 135

St. Goar. Lorelei te, 192

St. Hubert. Uller is, 138

St. Johannesdag. Feest op, 213

St. Michael. Draagt Cheru’s zwaard, 88

St. Valentijn. Vervangt Vali, 163

Saksen. Odins zonen Koningen van, 38

Saksers. Hengist en Horso, 38

Saksisch. Irmin een Saksisch God, 28;
Eástre, godin, 54

Sarpedon. Noorsch equivalent, 357

Sataere. God van den landbouw, 227

Satan = Loki, 227

Saturday. Aan Loki gewijd, 227

Saturnus. Noorsch equivalent, 227, 350

Saxnot. Saksische God, 88;
Frey verwisseld met, 116

Scandinavia. Godenvereering in, 57, 111, 126, 245, 246;
elven in, 243

Scandinaviërs. Geloof der, 138, 156, 230, 231;
epos der, 247;
geloof omtrent het uitzien der aarde, 229, 230

Schikgodinnen. Yggdrasil besprenkeld door, 13;
Nornen, 164

Schitterende Heuvel = Gnîtaheid, 269

Schoone Slaapster. Het verhaal van de, 168

Schwartze See. Nerthus’ kar gebaad in de, 57

Scylla. Noorsch equivalent, 347

Seeland. Gefjon geeft den naam aan, 48

Senjemand. Geschiedenis van den reus, 231, 232

Senjen. Het eiland, 231, 232

Sessrymnir. Freya’s hal, 129

Shakespeare. De Nornen in een treurspel van, 168

Sibich. De verrader, 290

Siegfried”. Opera van Wagner, 285

Sif. Vrouw van Thor, 62;
haar haar gestolen, 63, 215;
Uller, zoon van, 137;
Loki lastert, 224;
dwergen maken het haar van Sif in orde, 63, 239;
vergelijkingen 345, 346

Siggeir. Huwelijk van, 249–251;
verraad van, 251, 252, 258

Sigi. Zoon van Odin, 38, 247;
equivalent, 291

Sigmund. Völund’s zwaard voor, 176;
broeder van Signy, 249;
trekt het zwaard uit den stam, 250, 251;
ter dood veroordeeld, 252;
eed van, 253;
stelt Signy’s zoon op de proef, 254;
vermomd als wolf, 256;
door Siggeir gevangen genomen, 257;
ontvluchting van, 258;
wraak van, 258;
de zoon van, 261;
Hiordis, vrouw van, 262;
doodelijk gewond, 262;
Sigurd, zoon van, 264;
het zwaard van, 176, 262;
equivalent, 291, 358

Signy. Dochter van Volsung, 249–255;
wraak van, 254–258

Sigtuna. Odin sticht de stad, 38

Sigurd. Geschiedenis van, 247;
geboorte van, 264;
Grane gekozen door, 266;
Regin spreekt met, 266;
zwaard van, 270;
verslaat Fafnir, 271;
rijdt door vlammen, 273;
verloving van, 275;
huwelijk van, 276;
Goedroen geeft tooverdrank aan, 277;
huwt Goedroen, 278;
neemt de gestalte van Gunnar aan, 279;
dood van, 282–285;
brandstapel, 284;
Goedroen ontroostbaar, 285;
Atli vermoord met het zwaard van, 289;
zonnemythe, 291;
Grieksche equivalenten, 353, 358

Sigyn. Loki’s trouwe gade, 216, 226

Sindri. Broeder van Brock, 64;
dwergkoning, 334

Sindur. Golfmeisje, 144

Sinfiotli. Geboorte van, 255;
opvoeding van, 255;
Signy helpt, 257;
wraak van, 258;
levensloop en dood van, 261

Sir Olaf. In den kring der elven, 243

Sirenen. Vergeleken met Lorelei, 354

Sirius. Noorsch equivalent, 349

Skadi. Vrouw van Odin, 37;
in Asgard, 111, 113;
vrouw van Niörd, 113, 129;
vrouw van Uller, 138, 139;
bestraft Loki, 226;
vergelijking, 349

Skalden. Edda het werk van, 2

Skialf = Freya, 131

Skidbladnir. Dvalin maakt, 63;
eigenschappen van, 64;
gegeven aan Frey, 66, 117;
dwergen maken, 239;
vergelijking, 346

Skin-faxi. Ros van Dag, 8

Skiold. Koning van Denemarken, 38, 49

Skioldungs. Afstammelingen van, 49, 342

Skirnir. Knecht van Frey, 91, 118–119;
tocht van, 119–121;
appels van, 350

Sköll. Wolf, die Zon en Maan vervolgt, 8, 325, 356

Skrymir. Thor en, 69

Skrymsli. Geschiedenis van den reus, 217–220

Skuld. Eene der Nornen genaamd, 164, 166, 167, 170, 172

Slagfinn. Huwt een Valkyre, 173

Sleipnir. Paard van Odin, 21, 32, 72, 74, 197, 203, 328, 352;
Hermod berijdt, 153, 179, 208;
Loki vader van, 221, 356;
Grane stamt af van, 266

Slid. Stroom in Niflheim, 180

Snor. Vrouw van Karl, 150

Snorro-Sturleson. Schrijver der Heimskringla, 122

Snotra. Godin der deugd, 49

Sogn. Johul, Koning van, 297;
de Koningen van, 303

Sokvabek. Hal van Saga, 37;
vergelijking, 343

Sol. Zonnemaagd, 7, 324;
dood van, 325, 331;
vergelijking, 339

Somnus. Noorsch equivalent voor het hol, 358

Son. De beker boete, 94

Sörli. Zoon van Goedroen, 289, 290;
vergelijking, 360

Soté. Beroemd roover, steelt den door Völund vervaardigden ring, 298

Spartaansch Koning. Equivalent, 359

Steropes. Noorsch equivalent, 349

Stromkarls. Watergoden, 191, 192

Strooie dood. Het van ouderdom of aan een ziekte sterven, 180

Suaven. Tyr god der, 84

Sudri. Steunt het hemelgewelf, 6

Surtr. Vlammenreus, 2;
afstammeling van, 7;
verwoest de wereld, 14;
verschijnen van, 327;
de troep van, 328;
doodt Frey, 329;
werpt vurige donders over de aarde, 330

Sutting. Geschiedenis van den reus, 95, 96, 98

Svadilfare. Paard van den architect, 220, 221

Svalin. Schild van den zonnewagen, 6

Svanhvit. Huwt op aarde, 173

Svart-alfa-heim. Woning der dwergen, 10, 63, 91, 116, 132, 242

Svart-alfar, 236

Svasud. Vader van Zomer, 9

Swanhild. Dochter van Goedroen, 285, 286, 289, 290;
vergelijking, 360

Syn. Godin der waarheid, 48

Syr = Freya, 131