Zaakregister.

De alleenstaande nommers verwijzen naar de paragrafen van den tekst.

  1. A, is een der drie oorspronkelijke klinkers, blz. 37,
    1. heeft een aantal zachte e’s opgeleverd, blz. 38,
    2. wordt in geslotene lettergrepen door verdubbeling verlengd 73.
  2. Aaneen te schrijven of te verbinden zijn:
    1. eigenlijke samenstellingen, waarbij, indien men ze oploste, invoeging, omzetting of vormverandering zou moeten plaats hebben, 138,
    2. eigenlijke samenstellingen, uit koppelingen ontstaan 139,
    3. woorden, door middel van een achtervoegsel afgeleid 140,
    4. werkw., verbonden met zelfst. nw., bijv. nw. en bijw.,
      1. wanneer, wanneer niet 142,
      2. met zoogenaamde scheidbare en onscheidbare voorzetsels en bijw. van richting 143,
    5. bijv. nw. met de bijw. wel, vol en al 144,
      1. benamingen van kleuren 145,
    6. voornaamw., welke 146,
    7. telw., welke 138, aanm.
    8. bijw., welke 147–149,
    9. voorzets., welke 150,
    10. voegw., welke 151,
    11. tusschenw., welke 152,
    12. titels, welke 139, 144.
  3. aau, zie au.
  4. Achtervoegsel of suffix heet elke achter een woord gevoegde letter of lettergreep, die geen op zich zelf bestaand woord is, en niet dient om te verbuigen of te vervoegen, maar om een nieuw woord te vormen. Ook woorden, die ter vorming van nieuwe woorden achtergevoegd worden, en òf in het geheel niet meer, òf niet meer zóó geschreven, op zich zelve staande in gebruik zijn, worden tot de achtervoegsels gerekend; b.v. -schap, -zaam, -aard, -erd; zie 100, 265;
    1. waarin verschillend van een uitgang 242, aanm.;
    2. welke bij het afbreken der woorden in hun geheel worden afgescheiden 265–267, welke niet 268;
    3. -aadje, zie hier -age,
    4. -aard en -erd, niet -aart, -ert 100,
    5. -age, niet -aadje 243,
    6. -eel, -eele, -eelen 77, 79; wanneer -el- blz. 44,
    7. -eeren, niet -eren 77, 79,
    8. -ees, -eezen, niet -ezen 77, 79,
    9. -el, in bijv. nw. en in samenstellingen 166, 167,
    10. -eet, -ete, -eten, geen achtervoegsel 77, aanm.,
    11. -er, soms een blijk van samenstelling 140,
    12. -erd, zie hier -aard,
    13. -heid, mv. -heden 77–79,
    14. -ie, wanneer in het mv. i-en (iën), wanneer ie-en (ieën) 83,
    15. -ief, -ieve, -ieven, wordt soms -iv-, 82,
    16. -iek, -ieke, -ieken niet -ijk 86; wordt soms -ik- 82,
    17. -iet, -iete, -ieten, wordt soms -it- 82,
    18. -ig, soms een blijk van samenstelling 140,
    19. -ijk, wanneer te verwerpen en in -iek te veranderen 86,
    20. -ing, soms een blijk van samenstelling 140,
      1. wanneer -ing te bezigen en niet -ling 113,
    21. -isch, waarom niet -iesch 84,
    22. -je, niet -jen 119,
    23. -ken en -ke 119,
    24. -lijk, neemt soms eene toonlooze e vóór zich; wanneer 112,
    25. -ling, een samengesteld achtervoegsel 113,
    26. -loos, -looze, niet -loze 77, 79; neemt soms eene toonlooze e vóór zich; wanneer 112,
    27. -pje 119,
    28. -s, achter bijw. een blijk van samenstelling 140,
    29. -sch, hoe te schrijven achter woorden op s 124; is soms een blijk van samenstelling 140,
    30. -ster, soms een blijk van samenstelling 109,
    31. -tje, niet te bezigen achter woorden op d 119.
  5. ae, waarom niet gebezigd in de plaats van aa 73,
    1. waarom niet als voorstelling van den klank tusschen a en e in wereld en vers 81.
  6. Aesthetica of Schoonheidsleer, hare eischen aan de Spelling 36,
    1. vordert vooral waarheid, d.i. overeenstemming tusschen uiterlijk en innerlijk 234.
  7. Affix (aanvoegsel) heet elke letter of lettergreep, welke ter vorming van een nieuw woord vóór of achter een bestaand woord gevoegd wordt, wanneer die op zich zelve geen woord is, òf, zóó geschreven, niet meer als zoodanig gebruikt wordt. Affix is dus de algemeene benaming, die voorvoegsel of praefix en achtervoegsel of suffix omvat; zie deze woorden.
  8. Afleiding,
    1. Regel der Afleiding, hoe hij luidt 54; staat gewoonlijk beneden dien der Beschaafde Uitspraak 57; in welke bijzondere gevallen niet 58; zijn rang en waarde 72;
    2. afleiding
      1. der woorden op -hande en -lei 93,
      2. op -halve 120,
      3. der achtervoegsels -aard en -erd 100,
      4. van admiraal 104,
      5. van Dinsdag 128,
      6. van kruit 127,
      7. van litteeken 131,
      8. van nochtans 97,
      9. van omtrent 118,
      10. van ootmoed 117,
      11. van samen 108.
  9. ai, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe e’s zijn ontstaan, blz. 39.
  10. Apperceptie en appercipieeren, wat 20; kan door de spelling worden bevorderd 21.
  11. au, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe o’s zijn ontstaan, blz. 39,
    1. de schrijfwijze au is geschikter ter voorstelling van den thans bedoelden tweeklank dan aau 74.
  12. Bastaarduitgangen, welke en hoe te spellen 242, 246,
    1. -age, niet -aadje 243,
    2. -eet, -ete, -eten, 77, aanm.,
    3. -loog, -loge, -logen 77, aanm.,
    4. -noom, -nomen 77, aanm.,
    5. -oop, -open 77, aanm.,
    6. -scoop, -scopen 77, aanm.
  13. Bastaardwoorden, wat 214, 217,
    1. hoe ontstaan 218,
    2. waaraan te onderkennen 219, 220,
    3. hoe te spellen 242–250.
  14. Beginletters, wat 257, a.
  15. Beschaafde Uitspraak, wat 11; moet door het schrift vertegenwoordigd worden 39, doch kan nooit volkomen juist worden voorgesteld 42.
    1. Regel der Beschaafde Uitspraak, hoe hij luidt 40; zijne
    2. verhouding tot de dialecten 41; is de grondregel der spelling 40, c en 69; overheerscht alle andere regels 46, 70, doch moet door andere regels aangevuld worden 47.
  16. Boekentaal, zie Schrijftaal.
  17. C, te bezigen in Grieksche woorden ter vervanging der κ 245.
    1. waarom te behouden in cijfer 219, in cel, cent en cirkel 220, in cedel, ceder, cijns 222.
  18. ch, wordt niet verdubbeld 95,
    1. de stomme ch achter s, in welke woorden te behouden, uit welke weg te laten 123.
  19. cht, wanneer te bezigen, wanneer gt 94.
  20. D, niet in te lasschen in drieërhande, drieërlei, tweeërhande, tweeërlei 93.
    1. niet t, te bezigen als sluitletter van de achtervoegsels -aard en -erd 100, en van het znw. aard 101,
    2. te behouden in admiraal 104,
      1. in iemand en niemand 116,
    3. te vervangen door t in buskruit en rattenkruit 127,
    4. is in t overgegaan in sommige woorden, die daarom met t, niet met dt moeten geschreven worden 102,
    5. niet te herstellen in thans, althans, doorgaans, nopens, volgens enz. 122.
  21. Dialecten, wat zij zijn en hoe zij ontstaan 10; hebben in de spelling slechts eene raadgevende stem 41; zijn ontoereikend om de spelling met e en o of ee en oo te bepalen 75.
  22. ds, wanneer te bezigen, wanneer ts 99.
  23. E, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37: de zachte uit a of i, de scherpe uit ai, blz. 38 en 39,
    1. als verbindingsletter in samenstellingen, hoe ontstaan 164–166,
    2. wanneer de toonlooze e in te voegen in de woorden op -lijk, -ling en -loos 112.
  24. F, gaat over in v in dievegge 107,
    1. vervangt ph in de bastaarduitgangen -aaf, -ief, -oof 246; doch niet in het lichaam der Grieksche woorden 245.
  25. G, te behouden in nog (tot hiertoe, bovendien) 132.
  26. Gaping, zie Hiatus.
  27. Gebruik (het), in samenstellingen 177.
    1. Regel van het Gebruik, hoe hij luidt 65; beperking van den regel 66; is geen eigenlijke spelregel 66, b.
  28. Gelijkvormigheid in de spelling, wat 48; strekt ter bevordering der apperceptie 49, f.
    1. Regel der Gelijkvormigheid, hoe hij luidt 49; is grootendeels dezelfde als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding noemde 49, e; zijne strekking 49, f; is in rang de tweede algemeene spelregel 71.
  29. Genitief (zwakke), wat 182,
    1. komt in samenstellingen slechts zelden voor 185–187; in welke 185, 194.
  30. gt, wanneer te bezigen, wanneer cht 94.
  31. H, niet te bezigen in nochtans 97, noch in troon 221, noch in Antonius, Margareta, hypotenusa 255.
  32. Hiatus, of gaping, wat 172,
    1. wordt in samenstellingen vermeden door het invoegen van eene n 204, 205.
  33. I, is een der oorspronkelijke klinkers, blz. 37.
    1. heeft een aantal zachte e’s opgeleverd, blz. 38.
    2. vervangt soms ie in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82.
  34. ie, stelt een te langen klank voor om in het achtervoegsel -isch gebezigd te kunnen worden 84,
    1. gaat soms over in i in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82.
  35. IJ, oorsprong en waarde 85,
    1. te veranderen in ie in het achtervoegsel -iek (-ijk) en in koffie, melodie, poëzie 86;
      1. in i in Januari, Juni enz. 87;
      2. in ei in sacristein en karwei (werk) 88;
    2. moet ei vervangen in malvezij en karwij (zaad) 88;
    3. moet blijven in dozijn, ijzen, ijselijk 88, in bij, hij, wij, zij, razernij enz. 89;
    4. niet te bezigen in de plaats van y in de tweeklanken ay, ey, oey, uy 86, aanm.
  36. Indeclinabilia, zie Woorden (onveranderlijke).
  37. J, hare waarde in het samengestelde letterteeken ij 85,
    1. niet meer te bezigen achter de tweeklanken aai, ei, ooi, ui, oei 92.
  38. K, niet te verdubbelen achter de toonlooze i 106,
    1. te vervangen door t in litteeken voor likteeken 131.
  39. Klemtoon, als kenmerk van bastaardwoorden 219;
    1. verandering van den klemtoon, een blijk van samenstelling 134, 139.
  40. Koppelingen, wat 136, 1372 en 163,
    1. hoe zij in eigenlijke samenstellingen kunnen overgaan 139.
  41. Koppelteeken, (gebruik van het)
    1. in woorden van eigennamen gevormd 155 en 157,
    2. in titels 156,
    3. achter bijvoeglijke woorden 158,
    4. wordt niet gebezigd in hoofd- en ranggetallen 159, 160.
  42. L, niet te bezigen vóór het gewaande achtervoegsel -ling 113.
  43. Letterschrift, wat 2, 3;
    1. ons letterschrift beantwoordt niet aan alle eischen 47, a-d.
  44. M, niet te verdubbelen achter de toonlooze u 106.
  45. Meervoudsvorm der woorden op -ie 83,
    1. der vreemde eigennamen op heldere of lange klinkers 90,
    2. der Nederl. woorden op a 90, aanm.
  46. Middelwoorden, wat 257, b.
  47. N, niet te schrijven achter de verkleinwoorden op -je, -pje, -tje 119, blz. 98,
    1. noch in ordelijk, voor ordenlijk, blz. 93.
    2. wanneer achter -ke 119, blz. 99,
    3. in de uitspraak onderdrukt in sommige samenstellingen 168, 203,
    4. als verbindingsletter, zie Verbindings-n.
  48. ng, geen enkelvoudige medeklinker, en daarom bij het afbreken der woorden te scheiden 262,
    1. niet te bezigen in Dinsdag 128.
  49. O, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37: de zachte uit den oorspronkelijken klinker u (oe), de scherpe meestal uit au, blz. 38 en 39.
  50. Onverbuigbaarheid van een op zich zelf verbuigbaar woord, een kenmerk van samenstelling 139.
  51. Oorsprong der e’s en o’s 75; waarom dezen aan te nemen tot grondslag voor het spellen 76,
    1. der toonlooze e in sommige samenstellingen 164–166,
    2. der ij 85,
    3. der lettergrepen -el- en -er- in sommige samenstellingen 166.
  52. Overtreffende trap der woorden op -s en -sch, hoe te schrijven 124.
  53. P, ingelascht in verkleinwoorden, gevormd van woorden op m 119, blz. 101.
  54. ph, te bezigen in bastaardwoorden uit het Grieksch ontleend 245, behalve in de uitgangen -aaf, -ief, -oof 246.
  55. Praefix, zie Voorvoegsel.
  56. Psychologie, wat zij van het schrift eischt 38.
  57. Regels voor het verdeelen der woorden in lettergrepen.
    1. regels voor de niet samengestelde woorden
      1. met ééne tusschenletter 259,
      2. met twee opeenvolgende tusschenletters 261;
    2. voor de samengestelde woorden 263;
    3. voor de woorden met voorvoegsels 264,
      1. met de onechte achtervoegsels -aard, -achtig, -haft, -haftig, -schap en -zaam, 265,
      2. met de ware achtervoegsels, die met een medeklinker beginnen 266,
      3. met de ware achtervoegsels, die met een klinker beginnen 268;
    4. voor de woorden met meer dan twee tusschenletters, die niet onder de vorige regels vallen 269;
    5. voor de vreemde woorden 270;
    6. voor het aaneenschrijven der woorden, zie Aaneen;
    7. voor het gebruik van het koppelteeken, zie Koppelteeken.
  58. Reproductie der gedachten en woorden, hoe teweeg te brengen 1, 3, 4;
    1. is het doel van het schrift 7.
  59. S, achter een langen klinker of tweeklank niet te verdubbelen 105;
    1. in te lasschen in de woorden, samengesteld met zins 125;
    2. als verbindingsletter, zie Verbindings-s.
  60. Samenstelling, wat 134;
    1. het Nederlandsch maakt een verstandig gebruik van het vermogen om samen te stellen 180;
    2. oudere en nieuwere samenstelling 161,
    3. oudere, hoedanig 162,
    4. nieuwere, hoedanig 167, 170,
    5. eigenlijke samenstellingen, wat 135,
      1. moeten aaneen geschreven worden 138;
    6. overzicht der regels voor de samenstelling 213;
    7. van welke samenstellingen de vorm onzeker 178, 179;
    8. lange samenst. welluidendheidshalve vermeden 193, b;
    9. met middel, niet midden 114;
    10. spelling der samengestelde woorden op -boom 181, 196,
      1. van andere kruidkundige benamingen 195.
  61. sch, verdubbeld door het voorvoegen eener s 96;
    1. wanneer gebezigd 123.
  62. Schrift, zijn doel 1,
    1. onmisbaar voor de rechte kennis eener taal 19.
  63. Schrijf- of Boekentaal, wat 11;
    1. waarom hooger geacht dan andere dialecten 12.
  64. Sluitletters, wat 257, a.
  65. Spelling (de), wat 23;
    1. nut eener eenparige spelling 16;
    2. hoe de spelling te beschouwen 26–28;
    3. eene volmaakte spelling niet bestaanbaar 28;
    4. van welke soort van woorden eene verandering der spelling mogelijk 30;
    5. drieërlei spelling: volgens de uitspraak, vereenigbaar met de uitspraak, strijdig met de uitspraak 68;
    6. spelling der onveranderlijke woorden (indeclinabilia) 50,
      1. der verkleinwoorden 119 en blz. 227,
      2. der vreemde woorden, die geheel Nederlandsch zijn geworden 221,
      3. der eigenlijke vreemde woorden 223,
      4. der vreemde woorden, bij dichters in gebruik 251,
      5. der bastaardwoorden 224–256;
    7. tweeërlei richting in de spelling der bastaardwoorden 224,
    8. oudere richting, hoedanig 225, welke hare voordeelen 228,
    9. nieuwe richting, hoedanig 226, welke hare voordeelen 229,
    10. vergelijking der beide richtingen 230–237,
    11. waarom de oudere richting te verkiezen 238.
  66. Spelregels, wanneer niet te veranderen 26.
    1. algemeene spelregels, wat 24, 25,
      1. waarom onmisbaar 31, 32,
      2. hunne natuurlijke volgorde en onderlinge verhouding 69–72;
    2. regel der beschaafde uitspraak 40, zie nader bij Beschaafde uitspraak:
      1. der gelijkvormigheid 49, zie nader bij Gelijkvormigheid;
      2. der onderscheiding, wat hij eischt 51;
      3. der afleiding 54, zie nader bij Afleiding;
      4. der analogie 59;
      5. der welluidendheid 62, zie nader bij Welluidendheid;
      6. van het gebruik 55, zie nader bij Gebruik,
    3. bijzondere spelregels, wat 24, 25, 65.
    4. regel voor het spellen der achtervoegsels met den vollen klemtoon, als -eeren, -eel, -ees, -loos 77;
      1. voor het gebruik van cht en gt 94,
        1. van ds en ts 99,
        2. van samen en zamen 108,
        3. van de toonlooze e in woorden op -lijk, -ling en -loos 112.
      2. der verbindings-n, zie Verbindings-n,
      3. der verbindings-s, zie Verbindings-s;
    5. regel voor het aaneenschrijven der samengestelde woorden, zie Aaneen;
      1. voor de keus tusschen den enkel- en den meervoudsvorm van het eerste lid eener samenstelling 188–197;
      2. voor de keus tusschen den Latijnschen en den Franschen vorm van een bastaardwoord 254;
      3. voor de samenstellingen, wier eerste lid is
        1. een persoonsnaam, die een geheelen stand vertegenwoordigt 193,
        2. de naam van een dier 194, 195, 197,
        3. de naam van een boom 181,
        4. de naam van eene vrucht of eene bloem 196;
      4. voor het spellen der Grieksche woorden, blz. 207 vlgg.
        1. der bastaardwoorden 241, 242,
        2. der bastaarduitgangen 242, 246.
  67. Stoffelijke bijvoegl. naamw., komen niet voor als eerste lid eener samenstelling 180, 181.
  68. T, te bezigen in kruit (poeder), buskruit en rattenkruit 127;
    1. bij voorkeur niet in te lasschen in woorden op -lijk, noch in gansch 115,
    2. niet in verkleinw., gevormd van woorden op d, blz. 99;
    3. moet in sommige woorden, als rit, gebint, beeltenis enz., de d vervangen 102; zoo ook in antwoord 103, en ootmoed 117;
    4. niet te verdubbelen achter een toonloozen klinker 106.
  69. Titels, welke aaneen te schrijven 139, 144.
  70. Tongvallen, zie Dialecten.
  71. Toonlooze klinkers en lettergrepen, wat 84, aanm.
  72. ts, wanneer te bezigen, wanneer ds 99.
  73. Tusschenletters, wat 257, a.
  74. Uitgangen, wat, en waarin verschillend van achtervoegsels 242, aanm.,
    1. -eet, -loog, -noom, -scoop, -throop, -troop zijn, zoo men wil, uitgangen, maar geene achtervoegsels 77, aanm.,
    2. -aat, -iet, [**aal, iel?] soms achtervoegsels, soms niet 242, aanm.
  75. Uitlatingsteeken (ecthlipsis), zijn gebruik bij vreemde woorden 90.
  76. V, tot f verscherpt in fonkelen e.a. 114, maar niet in ontvangen en ontvonken 109;
    1. vervangt de w in verf, verven enz. 126.
  77. Verbindingsklanken of -letters, in samenstellingen, welke 167,
    1. bestonden oorspronkelijk niet 162, 163,
    2. hoe ontstaan 164–167,
    3. van welke het gebruik onzeker 178.
  78. Verbindings-n, als teeken van den zwakken genitief thans slechts in weinige gevallen in gebruik 185–187,
    1. in welke 185, 194;
    2. als teeken van het meervoud, in welke gevallen 188, 189, 191–195, 197;
    3. als teeken van een verbogen naamval 198–201;
    4. als invoegsel voor de welluidendheid 204, 205;
    5. komt niet voor in samenstellingen, wier eerste lid is
      1. een onverbuigbaar woord 178,
      2. een werkwoord 202, 203.
  79. Verbindings-s, als teeken van den 2den naamval,
    1. achter zelfst. naamw. 208,
    2. achter bijvoegl. woorden 210, 125;
    3. als teeken van het meervoud 209;
    4. als invoegsel voor de welluidendheid 212.
  80. Verdubbeling der a en u 73,
    1. der e en o 75–80,
    2. der k 106,
    3. der m 1O6,
    4. der sch 96,
    5. der t 106;
    6. de ch wordt niet verdubbeld 95.
  81. Verkleinwoorden, hoe te spellen 119 en blz. 227.
  82. Verlenging der a en u door verdubbeling 73,
    1. der woorden op aai, ei, ooi, ui, oei 92.
  83. Voorvoegsel of praefix heet elke vóór een woord gevoegde letter of lettergreep, die onder dien vorm niet meer als woord op zich zelf in gebruik is; b.v. de g in g-lijden van lijden, be, voor bij, in bezitten; zie ook 264, aanm.;
    1. wordt bij het afbreken der woorden, indien het eene lettergreep uitmaakt, in zijn geheel afgescheiden 264.
  84. W, in verf, verven enz. door de v te vervangen, doch niet in murw 126.
  85. Welluidendheid, wat in ’t algemeen in de taal 62;
    1. wordt in samenstellingen in acht genomen 172, 204, 205;
    2. regel der welluidendheid 62, zijn rang en waarde 72.
  86. Wetten, in de wetenschappen, wat 23, aanm.
  87. Woorden, genaturaliseerde, wat, en waarin nog steeds verschillend van echt Nederlandsche 215;
    1. onverbuigbare of onveranderlijke, wat en hoe te spellen 50;
    2. samengestelde, zie Samenstelling;
    3. vreemde, worden bastaardwoorden door het aannemen van de Nederl. verbuiging of van een Nederl. affix 217,
    4. door het afwerpen van den vreemden uitgang 218.
  88. Zwakke genitief, wat 182, 183,
    1. wordt in samenstellingen niet meer verstaan, en is dientengevolge zeldzaam geworden 185;
    2. in welke samenstellingen volstrekt te behouden 187,
    3. in welke te dulden 194.