- aaien 92.
- aandoenlijk 112.
- aanvankelijk 98.
- aanzienlijk 112.
- aar (korenaar) 91.
- aard (natuur) 101.
- aardebaan, blz. .
- aardewerk, blz. .
- aardig 101.
- abrikozeboom 196.
- abstract 250.
- academie, blz. .
- achtereen 149.
- Achter-Indië 157.
- acht geven 142.
- achthonderd 159.
- acht slaan 142.
- acustiek 255, 246.
- adellijk 113.
- adjunct-commies 156, a.
- admiraal 104.
- admiraal-generaal 156, a.
- adspirant-ingenieur 156, a.
- advocaat 250.
- aequatoriaalcirkel, verwerpelijk germanisme, blz. .
- aëroliet 246, aërolieten 82.
- afhankelijk 98.
- Algoede 144.
- alhoewel 151.
- allenthalve 120.
- allerwegen 153.
- alleszins 125.
- aloud 144.
- alsmede 151.
- alsof 151.
- althans 122.
- alwijs 144.
- Amazonenrivier 157, aanm.
- ambassadeur-plenipotentiaris 156.
- ambt 130.
- anderszins 125.
- ankersmid 209.
- Antonius 255.
- Antwerpen 103.
- antwoord 103.
- apengezicht 194.
- apenkuur 194.
- apenliefde 194.
- apocrief, apocriefe 246.
- aquarel 250.
- asem 105.
- astronoom, astronomen 77, aanm.
- auditeur-militair 156.
- autoriteit of auctoriteit 255.
- baaien 92.
- baaierd 92.
- Baai-tabak 155 a.
- bagage 243.
- bajonet 92.
- bakkersschotel 208.
- balie 86, mv. baliën 83.
- basilisk 246.
- bastaard 100.
- bedsteetje, blz. .
- beeltenis 102.
- beer (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren, blz. .
- beer (verscheurend dier), mv. beren, blz. .
- begeeren 80, a.
- behalve 120.
- bei, mv. beien 92.
- Beiersch 92.
- Beiersch-bierbrouwerij 158.
- belangeloos 112, belangelooze 79.
- beminlijk en beminnelijk 112.
- Beneden-Egypte 157.
- berenjong 194.
- berenklauw 194.
- Bergumer 106.
- berkeboom 181.
- berkenhout 205.
- Berlijnsch-blauw 155, b.
- besseboom 196.
- bessensap 188.
- beukeboom 181.
- beukenhout 205.
- bezijden 121.
- biggenkruid 195.
- bij 89.
- bijaldien 151.
- bijderhandsch 140.
- bijeen 149, c.
- bijeenzamelen 108.
- bijgeval 149, a.
- bijleman 190.
- bijtijds 140.
- biljart 250.
- biljet 250.
- binnenshuis 153.
- binnenskamers 153.
- binnenslands 153.
- binnensmonds 153.
- binnenstijds 153.
- bint 102.
- biograaf 246.
- biographie 246.
- biographisch 248.
- bistouri 250.
- bits 123.
- blauw 74.
- blindeman, des blindemans 139.
- bloemetje 119.
- bloem-pje 119, 267.
- blommetje 119.
- blootshoofds 153.
- blootsvoets 153.
- bochel 95.
- bodenloon 193.
- boeien, boeier 92.
- boekenkast 188.
- boekenrek 188.
- boekenstalletje 188.
- boerenbedrijf 193.
- boerenboonen 193.
- boerendochter 193.
- boerenhofstede 193.
- boerenwoning 193.
- boerinnenjak 193.
- boerinnenmuts 193.
- bokkesprong 194.
- bolvormige-driehoeksmeting 158.
- boom-pje 119, 267.
- boonenbrood, blz. .
- boos, overtreffende trap booste 124.
- botterik, botteriken 106.
- bovenal 149, c.
- bovenop en boven op 147.
- brasem 105.
- breien 92.
- brengen, ik bracht, gebracht 94.
- brievenbesteller 188.
- brievenpost 188.
- brilleglas 190.
- brillenhuisje 204.
- brillenslijper 188.
- broekenstof of broekstof 188.
- bruggegeld 190.
- bruggenhoofd 205.
- bruinkolen 139.
- buien 92.
- buitendijks 140.
- buitenshuis 153.
- buitenslands 153.
- buitentijds 140 en buitenstijds 153.
- burgerstand 209.
- buskruit 127.
- Cayenne-peper 155, a.
- canaille en kanalje 239.
- canapé, canapé’s 250, 90.
- candelaber of candelabre 250.
- canoniek 253.
- categorie, 233, 255.
- catholiek, catholieken of katholiek enz. 86.
- cedel, ceêl 222.
- ceder 222.
- cel 220.
- cent 220.
- chemie 255.
- chijl 239.
- chrysoliet, chrysolieten 246, 82.
- Cicero, Cicero’s 90.
- cichorei 239.
- cijfer 219.
- cijferschrift 209.
- cijns 222.
- cirkel 220.
- classicaal 253.
- classis 253.
- clericaal 253.
- cliniek 246.
- cochenille 239.
- comedie (blijspel), verschillend van komedie (schouwburg) 252.
- commies (ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen), verschillend van kommies (ambtenaar bij de belastingen) 252.
- compascuum 230.
- compleet, complete, blz. .
- concreet, concrete, blz. en § 250.
- conservatief 253.
- courant en krant 239.
- crayon 250.
- credit (term in het Italiaansch boekhouden), verschillend van krediet (vertrouwen) 253.
- critiek (oordeelkunde), verschillend van kritiek (hachelijk) 252.
- critisch (oordeelkundig) 252.
- daaraan, daarbij, daardoor 148.
- daarenboven 151.
- daarentegen 151.
- daarin, daarmede enz. 148.
- dadelijk 112.
- dagelijks 112.
- dassenhaar 205.
- dassenhol 205.
- dassenhuid 204.
- dauw 74.
- deel (gedeelte), mv. deelen, blz. .
- deel (plank en dorschvloer), mv. delen, blz. .
- deemoedig, blz. .
- deesem, 105 en blz. .
- degelijk 112.
- degene, blz. .
- dejeuneeren 250.
- denneboom 181.
- dennenwoud 188.
- derhalve 120, 153.
- dermate 153.
- dertienhonderd enz. 159.
- deskundige 153.
- desniettegenstaande 151.
- desniettemin 151.
- desnoods 140.
- desolate-boedelkamer 158.
- destijds 153.
- deugdelijk 112.
- deugniet 202, aanm.
- dezelfde, blz. .
- dezelve, blz. .
- dezulke, blz. .
- diaconie, blz. .
- diaken 246.
- diegene, blz. .
- diemit, diemiten 106.
- dievegge 107.
- dievenbende 188.
- Dinsdag 128.
- diptiek 246.
- discretie 250.
- dochterken en dochterke, blz. .
- doctor (titel), verschillend van dokter (geneesheer) 252.
- Dokkumer 106.
- dokter (geneesheer), verschillend van doctor (titel) 252.
- dolle-hondsbeet 158.
- dollekervel 139.
- dolleman 139.
- donkerblauw, donkerrood enz., verschillend van donker blauw, donker rood 145.
- dooier (van een ei) 92.
- door, dooren (van een ei) 91.
- doordien 151.
- doordroog 139.
- dooreen 149, c.
- dooreerlijk 139.
- doorgaans 122.
- doorgoed, doorkoud enz. 139.
- door middel van 150.
- dorpsschool 208.
- dorpsschout 208.
- dozijn 88.
- draadje, blz. .
- draaier 92.
- dragonderstal 209.
- drakenbloed, blz. .
- drieërhande 93.
- drieërlei 93.
- driehonderd 159.
- droog, droge, droger, drogen, blz. .
- droogvoets of droogsvoets 153.
- druiveboom 196.
- druivennat 188.
- druiventros 188.
- druivepit 190.
- duitendief 188.
- duivenei 205.
- duivenkervel 195.
- duivenslag 197.
- duiventil 188.
- dukaat 250.
- dwepen, blz. .
- dwingelandij 89.
- echel 95.
- echo 95, mv. echo’s 90.
- economie en oeconomie 254.
- Edelachtbaar 144, 139.
- edelgesteente 139.
- Edelgrootachtbaar 144, 139.
- eega, blz. , mv. eegaas 90, aanm.
- een, eene, een zelfde, blz. .
- eendenei 205.
- eendenkooi 188.
- eendenkroos 195.
- eenigszins 125.
- eereprijs 187.
- ei, mv. eieren 92.
- eigenlijk 112, 115.
- eikeboom 181.
- eikenbosch 188.
- eikenhout 205.
- eilieve 152.
- elfhonderd 159.
- elzeboom 181.
- engelenkoor 188.
- Engelsch-Russisch 155, c.
- Engelsch-zout 155, b.
- er aan, er bij, er door enz. 148.
- ergens aan, ergens bij, ergens door enz. 148.
- erwtensoep, blz. .
- ethnographie 246.
- ethnographisch 248.
- evenals 151.
- evenzeer 147.
- executoir 242.
- fabriek, fabrieken 82, 86.
- fabrikant 82.
- falie, mv. faliën 86, 83.
- familie en famielje 254.
- fatsoen 99.
- fatsoenlijk 112.
- Februari 87.
- felicitatie 250.
- feniks en phoenix 254.
- flauw 74.
- flesch, mv. flesschen 96.
- flesschebakje 192.
- flesschenrek 188, 192.
- flits 99.
- foelie 86.
- fondement en fundament 254.
- fonkelen, in overdrachtelijken zin, 111.
- frambozenkoekje 188.
- Franco-Gallisch 155, c.
- Fransch-Engelsch 155, c.
- Friesch-groen 155, b.
- frisch, overtreff. trap frischte 124.
- fundament en fondement 254.
- gadeslaan 142.
- galgebrok 190.
- galgenaas 205.
- gansch 115, 123.
- ganzenei 205.
- ganzenhagel 205.
- ganzetong (plant) 195.
- ganzevoet (plant) 195.
- Garibaldi’s 90.
- gauw 74.
- gebindten, zie gebint.
- gebint, gebinten 102.
- geenszins 125.
- geesel 105.
- geheschen 96.
- geiteleer en geitenleer of -leder 197.
- geitenblad 195.
- geitenoog 190, 205.
- geitevleesch en geitenvleesch 197.
- gekkenpraat 193.
- gekreschen 96.
- gelijke (mijns, uws enz.) 146, aanm.
- gelukkigerwijze 153.
- gemeenlijk 112.
- genie, mv. genieën 83.
- genius, mv. geniën 83.
- genoeglijk 112.
- geograaf 246.
- geographie 245.
- geographisch 248.
- gerstebrood, blz. .
- gevangennemen 142.
- gevoeglijk 112.
- gewapenderhand 153.
- gewicht 94.
- gewoonlijk 112.
- gezamenlijk 108, 112, 115.
- gezeglijk 112.
- gezicht 94.
- gids 99.
- gijl 239.
- gindsch 99.
- gitaar 244.
- goddelijk 112.
- goeddoen 142.
- goedendag (wapentuig) 199.
- goedendagzeggen enz. 201.
- goedmaken 142.
- goedschiks 210.
- goedsmoeds 153.
- goedvinden 142.
- Gorkumer 106.
- gortenteller 188.
- gouverneur 228.
- gouverneur-generaal 156, a.
- grappenmaker 188.
- grauw 74.
- ’s-Gravendeel, ’s-Gravenhage, ’s-Gravenland 158.
- grenen 181, aanm.
- grijnzaard 265.
- grijsaard 100, 265.
- groenling 112.
- Groot-Britannië 157.
- Grootedelachtbaar 144.
- grootmeester-nationaal 156, b.
- grootschrift, verschillend van groot schrift 139.
- grootspreken 142.
- groot-zegelbewaarder 158.
- gruttenbrij, blz. .
- guds, zie guts.
- guts 99.
- gutsen 99.
- gymnasiaalonderwijs, verwerpelijk germanisme, blz. .
- haar (hoofdhaar) 91.
- haars gelijke, zie gelijke.
- halverwegen 153.
- handhaven 142.
- handje 119.
- hanebalk 194.
- hanekam 194.
- hanengekraai 194.
- hanengevecht 188.
- hanepoot 194.
- haneschree 194.
- hanespoor 194.
- hanetred 194.
- haneveer 194.
- harddraven, hardrijden, verschillend van hard draven, hard rijden 142.
- harenthalve 120.
- harmonie, bij dichters ook
- harmonij 86.
- hartediefje, harteleed, hartelust, hartewensch 186.
- hartenaas, hartenboer, hartenheer enz. 186, 188.
- Hartsgebergte 157, aanm.
- hazendistel 195.
- hazenlip 194.
- hazenmond 194.
- hazenslaap 194.
- hebbelijkheid 112.
- Hebe’s 90.
- heelshuids 153.
- heep, hepen, blz. .
- ’s-Heerenberg 158.
- heerenboonen 193.
- heerendienst 193.
- heerenhuis 193.
- heerenknecht 193.
- heesch 123.
- Heilige-Geestgasthuis 158.
- heir (legermacht), mv. heiren 91.
- helaas 152.
- heldenarm 193.
- heldendaad 193.
- heldenmoed 193.
- heldenschaar 188.
- heliotroop, heliotropen 77, aanm.
- hemdenlinnen 188.
- hemeling 113.
- hertebeest 190.
- hertenkamp 188.
- ’s-Hertogenbosch 158.
- hetwelk, blz. .
- heuglijk 112.
- hieraan, hieraf, hierbij, hierdoor enz. 148.
- hij 89.
- hoededoos 192.
- hoedenmaker 188.
- hoeverre, verschillend van hoe ver 147.
- hoewel (voegw.), verschillend van hoe wel 151.
- hoezeer (voegw.), verschillend van hoe zeer 151.
- hondeketting 192.
- hondenhok 205.
- hondje 119.
- hoogachten, verschillend van hoog achten 142.
- hoogaltaar 139.
- Hoogeerwaard 139, 144.
- hoogepriester, des hoogepriesters 139.
- hoogeschool 139.
- Hooggeboren 139, 144.
- hooggeel 145.[**.verwijderd]
- Hooggeleerd 139, 144.
- hoogte 94.
- Hoogwelgeboren 139, 144.
- hooien 92.
- hoonen, blz. .
- horoscoop, horoscopen 77, aanm.
- huishouden 142.
- hunnenthalve 120.
- huns gelijke, zie gelijke.
- hypotenusa, hypotenusa’s 255, 90.
- iemand 116.
- ijpeboom 181.
- ijpenlaan 188.
- IJsel 105.
- ijselijk 88.
- ijzen 88.
- ijzeren-spoorweg 158.
- in aller ijl 153, aanm.
- incommodeeren 250.
- Indisch-Europeesch 155, c.
- Indo-Germaansch 155, c.
- indroog 139.
- ingeval (voegw.) 151.
- in geval van (uitdrukking met de waarde van een voorzetsel) 150.
- ingevolge 150.
- ingierig, ingoed, ingoor, inlui enz. 139.
- integendeel 149 a.
- intijds 140.
- inzonderheid 149 a.
- Israëliet, Israëlieten 82.
- Januari 87.
- Java-koffie 155, a.
- jezuïet, jezuïeten, jezuïtisme 82.
- Jodenbuurt 188.
- jongsken en jongske, blz. .
- jonkheer 98.
- jonkheid 98.
- jonkvrouw 98.
- juffer 110.
- juffrouw 110.
- Juli 87.
- Juni 87.
- kaatsen 99.
- kachel 95.
- kachelsmid 209.
- kamfer 250.
- kamperfoelie 250.
- kanalje en canaille 239.
- kanenbrood, blz. .
- kanonnierskazerne 209.
- kanunnik 253.
- kapel 250.
- kapelaan 250.
- kapitaal 239, 250.
- kapitein-geweldiger 156, b.
- kapitein-kwartiermeester 156, b.
- karaf en kraf 239.
- karakter 250.
- karkas 250.
- karonje 239.
- karwats 250.
- karwei (werk) 88.
- karwij (zaad) 88.
- kastanjeboom 196.
- kasteel, kasteelen 250.
- kastelein 250.
- kastrol 250.
- katholiek, katholieken en catholiek, catholieken 86.
- kattendoorn of -doren 195.
- kattengeslacht 194.
- kattestaart 195.
- kauw 74.
- kavalje 239.
- kazerne 239.
- keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde woord als keel (lichaamsdeel), blz. .
- keren (vegen), blz. .
- kerkenorde of kerkorde 206.
- kerkeraad 206.
- kerseboom 196.
- kettinkje 98.
- kevie 86.
- kievit, kieviten 106.
- kindeken en kindeke, blz. .
- kindsch 99.
- kippenloop 197.
- klaaglijk 112.
- klacht 94.
|
- klasse, maar classis, classicaal 253.
- klauw 74.
- kleerenmaker en kleermaker 188.
- Klein-Azië 157.
- klein-kinderschooltje 158.
- kleinschrift, verschillend van klein schrift 139.
- klerk, maar clericaal 253.
- kloot (wereldkloot), mv. klooten of kloten 80, c.
- klooven (doen splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof, en van wij kloven, onvolm: verl. tijd van kluiven, blz. .
- klotsen,[** , weg?] 99.
- knaster 250.
- knauwen 74.
- knie, knieën 83.
- knods, zie knots.[**formatting gecorrigeerd]
- knoeien, knoeier 92.
- knoop, knoopen 80, b.
- knots 99.
- koeiekop 194.
- koeienhaar 205.
- koekeloeren 203.
- koekenbakker 188.
- koerier 253.
- koets 99.
- koffie 86.
- koliek 86.
- komedie (schouwburg), verschillend van comedie (soort van tooneelspel) 252.
- komeet, kometen 77, aanm.
- kommies (ambtenaar bij de belastingen), verschillend van commies (ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen) 252.
- kompas 239.
- konijnenblad 195.
- koninginnenkroon, -mantel enz. 193.
- koninkje 98.
- koninklijk 112.
- koninkrijk 98.
- konserf, maar conservatief 253.
- konzenielje, maar cochenille 239.
- kooien 92.
- koozen (liefkoozen), blz. .
- koudeschaal 139.
- koudvuur 139.
- kousenwever 188.
- krant en courant 239.
- krauwen 74.
- krediet (vertrouwen), verschillend van credit (term in het boekhouden) 255.
- krenteboom 196.
- krijgsmansstand 208.
- krijt 88.
- kritiek (hachelijk), verschillend van critiek (oordeelkunde) 252.
- kroon, kronen, blz. .
- kruid (plant), onderscheiden van kruit (poeder) 127.
- kruien, kruier 92.
- kruisen 105.
- kruisigen 105.
- kruit (poeder), onderscheiden van kruid (plant) 127.
- kuchen 95.
- kurassiersstal 209.
- kurkenmandje 192.
- kurketang 192.
- kurketrekker 192.
- kwartier 239, 250.
- kwee (soort van vrucht), mv. kweeën, blz. .
- kwijtraken 142.
- kwijtschelden 142.
- laagte 94.
- laatje, blz. .
- lakei 242.
- lampeglas 190.
- lancet 250.
- landschapschilder 208.
- landschapsschrijver 208.
- langzamerhand 153.
- lankmoedig 98.
- lauw 74.
- leeperd 100.
- leeuwenbek 194.
- leeuwenkop 194.
- leeuwenwelp 194.
- leidstar, leidstèr 212.[**leidster?]
- lekkage 243.
- letterspecie 209.
- lichaam 95.
- licht (daglicht) 94.
- licht (niet zwaar) 94.
- lichtblauw, lichtbruin, lichtgeel enz., verschillend van licht blauw, licht bruin, licht geel enz. 145.
- liefhebben 142.
- liefkoozen 142.
- Lieve-Vrouwen-bedstroo, 193, c.
- Lieve-Vrouwenkerk 158, 193, c.
- lijdelijk 112.
- likeur 250.
- likkebaard 202.
- likteeken, zie litteeken.
- lindeboom 181.
- lindenhout 205.
- linie, mv. liniën 83.
- lithographeeren 249.
- litteeken 131.
- livrei 242.
- locaal (bijv. naamw.), verschillend van lokaal (vertrek, zaal) 252.
- loge 250.
- logica 250.
- lokaal (vertrek, zaal), verschillend van locaal (bijv. naamw.) 252.
- lomperd 100.
- loods (man) 99.
- loods (houten gebouw) 99, 250.
- loos, loozer, looste 124.
- lorgnet 250.
- los (lynx) 123.
- loslaten, verschillend van los laten 142.
- luidskeels en luidkeels 153.
- luitenant-generaal 156, a.
- luitjes, blz. .
- maagdelijk 112.
- maagdenhart 193.
- maagdenpalm 193.
- maagdenschenner 193.
- maagdenwas 193.
- maaier 92.
- macaroni 250.
- macht 94 [*94?].
- maçonnerie 250.
- malie, mv. maliën 83.
- malvezei 88.
- mandenmaker 188.
- Manilla-sigaren 155.
- mannelijk en manlijk 112.
- mannenmoed 193.
- Margareta 255.
- Maria’s 90.
- matrozenhoed 193.
- matrozenlied 193.
- matrozenpak 193.
- medearbeider 205.
- medeërfgenaam 205.
- medeoorzaak 205.
- meer (waterplas) 91.
- meidendienst 193.
- meidendracht 193.
- melodie, melodieën, bij dichters ook melodij 86, 83.
- menigte 94.
- Mennoniet, Mennonieten 82.
- menschenbloed 193.
- merrie, mv. merries en merriën 86.
- messenmaker 188.
- messenmandje 192.
- messescheede 190.
- metgezel 102.
- metterdaad 153.
- mettertijd 153.
- metterwoon 153.
- middeleeuwen 114.
- middelevenredig 114.
- middellijk 113.
- Middelnederlandsch 114.
- middelpunt 114.
- middelrif 114.
- middenin, verschillend van midden in 147.
- mij 89.
- mijnenthalve 120.
- Mijnheer, mv. Mijne heeren, blz. .
- mijns gelijke, zie gelijke.
- Mijns-Heerenland 158.
- militair 242.
- minister-resident 156, a.
- misanthroop, misanthropen 77, aanm.
- moeilijk 112.
- mogelijk 112.
- mogen, moogt, mocht, 94.
- mollepoot 190, 194.
- mollevel 190, 194.
- monnik, monniken 106.
- mooi, mooier 92.
- morille 250.
- mosch, mosschen of musch, musschen 96.
- motief, mv. motieven, doch motiveeren 82.
- muggenzifter 188.
- muizengerst 195.
- murw 126.
- musch, musschen of mosch, mosschen 96.
- mutsebol 192.
- muziek 86, doch muzikaal, muzikant 82.
- naaldenkoker 192.
- naar gelang van, naar luid van, naar mate van 150, doch naarmate (voegw.) 151.
- nademaal 151.
- nauw 74.
- negenhonderd 159.
- nergens aan, nergens bij, nergens door enz. 148.
- niemand 116.
- nieskruid 127.
- niettegenstaande 150.
- Nieuw-Holland 157.
- nieuwjaar, verschillend van een nieuw jaar 139.
- Nieuw-York 157.
- nimf 251.
- noch (ook niet) 132.
- nochtans 97.
- nog (tot hiertoe, daarenboven) 132.
- nommer en nummer 254.
- Noord-Brabant 157.
- Noord-Holland 157.
- Noordzee 157, aanm.
- nopens 122.
- noteboom 196.
- notedop 190.
- nummer en nommer 254.
- och of 152.
- oeconomie en economie 254,[** .?]
- oeconoom, oeconomen 77.[*,?] aanm.
- officierstafel 209.
- officiersvereeniging 209.
- oir (erfgenaam) 91.
- olie, oliën 83.
- omtrent 118.
- ondershands 153.
- onderuit, verschillend van onder uit 147.
- onhebbelijk 112.
- onkruid 127.
- ons (gewicht) 250.
- ons gelijke, zie gelijke.
- ontstentenis 102.
- ontvangen 109.
- ontvonken 109.
- ontzaglijk 112.
- onverrichter zake 153, aanm.
- onzenthalve 120.
- ooievaar 92.
- oorsprong 91.
- oorzaak 91.
- Oostergoo 157, aanm.
- Oostzee 157, aanm.
- ootmoed 117.
- opeen 149, c.
- openlijk 112, 115.
- opnieuw 149.
- opruien, opruier, opruiing 92.
- Opsterland 157, aanm.
- opzamelen 108.
- oranjeboom 196.
- ordelijk 112.
- ordentelijk 112.
- orthographie 245, 246.
- oudejaar, verschillend van het oude jaar 139.
- oude-kleerkoop 158.
- oude-mannenhuis 158.
- ouder gewoonte 153, aanm.
- overal aan, overal bij, overal door enz. 148.
- overdwars, overlang enz. 149.
- overgroot, overklein, overoud, overvet enz. 139.
- Overijsel 105.
- paardekop 191.
- paardenbloem 195.
- paardenkooper 191.
- paardenmarkt 191.
- paardenras 194.
- paardenstal 197.
- paardestaart 191.
- paardevoet 194.
- paddenstoel 195.
- page 243.
- paleis 242.
- Paschen 96.
- passage 243.
- pauw 74.
- pelgrimage 243.
- pennemes 192.
- pennenkoker 192.
- penseel 250.
- pereboom 196.
- perzik, perziken 106.
- perzikeboom 196.
- philanthroop, philanthropen 246 en blz. .
- philoloog, philologen, blz. .
- philosoof, philosofen 246.
- philosophie 246.
- phoenix en feniks 254.
- photograaf 246.
- photographeeren 249.
- photographie 246.
- photographisch 248.
- physica 245.
- pijnlijk 112.
- pijpedop 192.
- pijpenlade 192.
- pijpenmandje 192.
- pijpewroeter 192.
- pincet 250.
- plaats 99.
- plaats grijpen, plaats hebben, plaats nemen 142.
- planeet, planeten 77, aanm.
- platte-driehoeksmeting 158.
- plechtig 94.
- plegen, ik placht 94.
- pleizier of plezier 244.
- poëet, poëten 77, aanm.
- poëzie, bij dichters ook poëzij, 86, 251.
- politie-commissaris 156, a.
- pontonnierscompagnie 209.
- porfier 251.
- pose 250.
- postiljon 250.
- pottenbakker 188.
- pottenkast 188.
- praeparaat 254.
- praesens, doch present 254.
- praeses, doch president 254.
- preparatieven 254.
- present, doch praesens 254.
- president, doch praeses 254.
- priesterschaar 209.
- prinsessenbier 193.
- prinsessenboonen 193.
- procurator 254.
- procureur 250.
- procureur-crimineel 156, a.
- profeet, profeten 77, aanm.
- profijt 242.
- proseliet, proselieten 246.
- pruikebol 192.
- pruikenmaker 188.
- pruimesteen 190.
- Pruisen 105.
- Pruisisch-zuur 155 b.
- ra, raas 90, aanm.
- raad-pensionaris 156 b.
- raadplegen 142.
- raam-pje 119, 267.
- rantsoen 99.
- rattenkruit 127.
- rattestaart (ronde vijl) 194.
- rauw 74.
- razernij 89.
- receptie 250.
- recht 94.
- rechter 94.
- rechtspreken 142.
- redelijk 112.
- reliquie, reliquieën 83.
- republiek, republieken 82.
- republikein 82.
- Reuzengebergte 157, aanm.
- richel 95.
- ridderstand 209.
- ridselen, zie ritselen.
- Riga-balsem 155, a.
- rijnsche-wijnflesch 158.
- rijstebrij, blz. .
- rit 102.
- ritmeester 102.
- ritselen 99.
- roggebrood, blz. .
- rondom 150.
- roodaarde 139.
- roodbont 145.
- roodekool 139.
- Rood-Rusland 157.
- rots 99.
- rozeboom 196.
- rozenkrans 188.
- ruggemerg 190.
- ruilebuiten 203.
- ruiterstal 209.
- sacristein 88.
- sacristij 88.
- saffier 251.
- sajet 92.
- Salland 157.
- samen (te zamen) 108.
- samenhangen, -hang 108.
- samenkomen, -komst 108.
- samenspreken, -spraak 108.
- samenvloeiing 92.
- scaphander 246.
- schaats 99.
- schadeloos 112.
- schadeloosstellen 142.
- schapeleer en schapenleer 197.
- schapevleesch en schapenvleesch 197.
- schendekeuken 202.
- schepter 129.
- scherts 99.
- schoonmaken 142.
- schroot 127.
- scrupel 250.
- seconde en secunde 254.
- securiteit, doch sekuur 253.
- seizoen 244.
- sekuur, doch securiteit 253.
- sergeant-majoor 156, a.
- sergeantsstrepen 208.
- sieraad 221.
- sieren 221.
- sigaar 250.
- sigarenfabriek 188.
- silhouet 250.
- sinaasappel 155.
- sinds 99.
- singel 221.
- slaatje, blz. .
- slakkenhuisje 205.
- slangekop 195.
- slangenbloem, -wortel 195.
- slavenaard, -arbeid, -dienst, -werk 193.
- sleepen (voorttrekken), verschillend van slepen (gesleept of voortgetrokken worden), blz. .
- sleetje, blz. .
- slijtage 243.
- slippedrager 190.
- sloof (voorschoot), mv. slooven, verschillend van sloof (sukkelaarster), mv. sloven, blz. .
- smaldeel 139.
- smidse 99.
- Smyrna-vijgen 155, a.
- snarenspeeltuig 188.
- snelschrijven, verschillend van snel schrijven 142.
- soldatenkind, -lied, -vrouw 193.
- soupeeren 250.
- souverein 228, no. 2.
- Spanjaard 100.
- sparreboom 181.
- specerij 250.
- spectator 252.
- spektakel 252.
- speldenkussen 192.
- spelemeien 203.
- spelevaren 203.
- spie, spieën 83.
- spillebeen 190.
- spits, zelfst. en bijvoegl. nw. 123.
- sprinkhaan 98.
- stadsschout 208.
- staten-generaal 156, b.
- stationnair 242.
- St.-Catharinagasthuis 158.
- steeds 99.
- steedsch 99.
- stellage 243.
- stenographisch 248.
- sterrenkunde 189.
- stierenkop 194.
- St.-Janskerk 158.
- stoelendraaier 188.
- stoffage 243.
- stokebrand 202.
- stokkenknecht 188.
- studentenlied 193.
- stukadoor 250.
- subject en sujet 254.
- substantief, substantieven 82, 86.
- substituut-griffier 156, a.
- suikerij en cichorei 239.
- sujet en subject 254.
- synoniem, synoniemen 246.
- syringeboom 196.
- tachygraaf 245, 246.
- tapijt 88.
- tarwebrood, blz. .
- te gelijker tijd 153, aanm.
- tegenover 150.
- tegoeds of te goed 140.
- Teisterbant 157, aanm.
- te land, te voet, te paard enz. 149.
- telegraaf 246.
- telegrafist 247.
- telegraphisch 248.
- telescoop 246, mv. telescopen 77, aanm.
- teleurstellen 149[**.]
- telkens 140.
- Teloorgaan 149. [*hoofdletter?]
- ten hove, ten onrechte enz. 149, aanm.
- tenware 151.
- tenzelfden 149, aanm.
- tenzij 151.
- terdege, terdeeg 149.
- ter leen, ter zee enz. 149.
- terloops 140.
- tersluiks of ter sluik 140.
- terstond 149.
- terug 149.
- terugbrengen, -deinzen enz. 149.
- terzelfder 149, aanm.
- tevergeefs of vergeefs 140.
- thans 122.
- theocratie 245.
- theoloog, theologen 77, aanm.
- tichel 95.
- tinnegieter 190.
- tocht 94.
- toets 99.
- toevalligerwijze 153, no. 5.
- toon (muziektoon), mv. tonen, verschillend van toonen (wijzen) en toon (teen), mv. toonen, blz. .
- toonloos 112.
- toorts 99.
- topographie 246.
- topographisch 248.
- torsen 123.
- traktaatje 250.
traktement 250.
- tralie, mv. tralies en traliën 83.
- transitoir 242.
- triomf en triumf 246, 251.
- troon, tronen 221 en blz. .
- trots (zelfst. nw.) 99.
- trotsch (bijv. nw.) 124.
- tucht 94.
- tuigage 243.
- tulpeboom 196.
- tusschen 96.
- tusschenin 147.
- twaalfhonderd 159.
- twee, tweeën 83.
- tweeërhande 93.
- tweeërlei 93.
- tweehonderd 159.
- uiteen 149.
- uitermate 153, no. 3.
- uit hoofde van 150.
- uws gelijke, zie gelijke.
- vandaar, vanhier 149, b.
- vanderhandsch 140.
- vannieuws 140.
- varkensstal 208.
- varkensziekte 208.
- veeleer en veel eer 147.
- veelszins 125.
- veinzaard 100, 265.
- venijn 88.
- verbintenis 102.
- verf, verfpot, verfwinkel 126.
- vergeefs of tevergeefs 140.
- vermicelli 250.
- vermiljoen 250.
- vermurwen 126.
- vers 81.
- verstandelijk 112.
- verven, verver 126.
- verzamelen, verzameling 108.
- vierhonderd 159.
- vijfhonderd 159.
- vijgeboom 196.
- visch, visschen 96.
- vla, vlaas 90, aanm.
- volgens 122.
- volzalig 144.
- vonkelen (in eigenlijken zin) 111.
- vooraan, voorin, vooronder, voorover, vooruit 147.
- vooral, voorgoed, voorwaar, voorzeker 149 b.
- Voor-Indië 157.
- voorshands 153, no. 2.
- vorstenkroon, -telg, -zoon 193.
- vrijlaten, verschillend van vrij laten 142.
- vroolijk, blz. .
- vrouwenhand, -hemd, -kleed, -rok 193.
- vuren(hout) 181, aanm.
- waarheidszucht 208.
- was (van bijen) 123.
- wasch, wasschen 96.
- welbespraakt, weldoend 144.
- Weledel, Weledelgeboren,
|