Gabriels honden. De
Wilde Jacht in Engeland, 22;
aanvoerder van de Wilde Jacht, 25
Galar. Kvasir verslagen door, 94
Gambantein. Staf van Hermod, 153;
vergeleken met Caduceus, 352
Gamla Upsala. Odin’s, Frey’s en Thor’s bergen nabij, 122
Gangler. Misleidt Gylfi, 38
Gangrad. Odin als, 30
Ganymedes. Noorsch equivalent voor de geschiedenis van, 347
Garm. Helhond, 179;
Odin gaat langs, 197;
Hel gevolgd door, 327;
door Loki aangevoerd, 327;
dood van, 330;
vergeleken met Cerberus, 354
Geesel gods. Attila, de, 88, 291
Gefjon. Bezoekt Gylfi, 48;
vergeleken met Dido, 344
Gefn = Freya, 131
Geirrod. I. Geschiedenis
van,
32–36;
II. Loki bezoekt, 79;
Thor bezoekt, 80, 157;
Loki en Thor naar het huis van, 215;
Grieksch equivalent, 342
Geir-wonden. Het kerven van, 38
Gelgia. Het eind van Fenris’ koord, 92
Gerda. Frey’s dingen naar haar
hand, 117–122;
vergeleken met Venus, 350
Gerechtigheid. Vergeleken met Forseti, 35
Germaansch. Legende omtrent oorsprong
der bergen, 229;
epos, het Nibelungenlied, 247
Gersemi. Freya’s dochter, 130
Gertruida St. Vervangt Freya in Duitschland, 135
Giallar. Brug in Niflheim, 179;
Odin rijdt over, 197;
het sidderen van, 207;
Grieksch equivalent, 354
Giallar-hoorn. Trompet van Heimdall,
14, 145;
het blazen op den, 325, 326;
Grieksch equivalent, 351
Gialp. Veroorzaakt storm, 80;
verpletterd door Thor, 80, 81;
golfmeisje genaamd, 144
Gilling. Door dwergen vermoorde reus,
94;
dood van zijn vrouw, 94
Gimli. Met gouden dak, 333;
vergeleken met Delphi, 357
Ginnunga-gap. De kloof der kloven, 2; reuzen leven in den afgrond van, 228
Gioll. Rots waaraan Fenris gebonden wordt, 92
Giöll. Grensrivier van
Niflheim, 179;
Hermod passeert, 207;
gelijkt den Acheron, 354
Giuki. Koning in het land van de
Niblungen, 277;
Sigurd vermengt zijn bloed met dat van de zonen van, 278
Giukings. Zoons van Giuki, 278;
Sigurd gedood door, 283
Gladsheim. Twaalf zetels in de hal,
17;
Tyr in de vergaderzaal van, 84;
Vali’s zetel in, 163;
Odin terug in, 200
Glasir. Het bosch met gouden bladeren, 17
Glaumvor. Tweede vrouw van Gunnar, 286
Glaur. Echtgenoot van Sol, 7
Gleipnir. Het maken van, 91
Glitnir. Paleis van Forseti, 140
Glut. Loki’s eerste vrouw, 216
Gna. Bodin van Frigga, 46;
brengt Rerir den wonderkrachtigen appel, 248;
vergeleken met Iris, 343
Gnipa. Spelonk in Niflheim, 179;
Garm in, 354
Gnîtaheid. Fafnir’s verblijf, 269
Gnomen = dwergen, 10
Gode = Frigga, 56
Godenschemering, 176, 261,
324;
Wagner’s, 247
Godey. Thor’s tempel te, 82
Godi. Menschenoffers der, 85
Goedroen. I. Een Valkyre die Helgi
huwt, 259, 260;
zelfopoffering van, 260;
II. brouwt tooverdrank voor Sigurd, 277;
huwt Sigurd, 278;
Sigurd geeft ring aan, 280;
Sigurd biedt aan, haar te laten loopen, 282;
treurt over hare dooden, 283;
zoekt schuilplaats bij Elf, 285;
huwt Atli, 286;
wil de Niblungen helpen, 286;
wreekt zich, 289;
beveelt haar zonen om Swanhild te wreken, 290; = Ildico, 291;
Grieksch equivalent, 359
Golven. Dochters van Aegir, 185, 354
Gondemar. Koning der dwergen, 239
Gothen. Siggeir, Koning der, 249;
Sigmund en Sinfiotli, gevangenen van de, 257
Gothland. Thor’s tempel in,
82;
Sinfiotli verlaat, 258;
Ermenrich, koning van, 290
Goud. Freya’s tranen zijn van,
131;
“de vlam van de zee”, 184
Gouden eeuw, 11;
Nornen verschijnen na de, 164;
Grieksch equivalent, 341;
Fro’s regeering heet, 350
Grane. Sigurd kiest, 266
Greip. Thor verplettert, 80, 81;
golfmeisje genaamd, 144
Grendel. Zoon van Hler, 230
Greyfell = Grane, 266;
door Sigurd beladen met goud, 272;
Gunnar leent, 279;
Gunnar rijdt door de vlammen op, 279;
verbrand met Sigurd, 284
Grid. Vrouw van Odin, 37, 79,
156;
geeft Vidar een lederen schoen, 157;
met Vidar en Odin, 158
Grimhild. Koningin der Niblungen,
277;
besluit Sigurd voor haar dochter als man te nemen, 277;
bezweert Gunnar zich een vrouw te nemen, 278;
geeft Gunnar een tooverdrank, 278;
geeft tooverdrank aan Guttorm, 282;
aan Goedroen, 286
Grimnir. Odin geeft als zijn naam op, 34
Griottunagard. Het duel in, 73
Gripir. Stalmeester van Elf, 265;
voorspellingen van, 270;
vergeleken met Chiron, 358
Groa. Toovenares, 75;
vergeleken met Ceres, 346
Groenland. Eerste vestiging in, 246
Groote Beer. Odins wagen, 29
Groote Jager van Fontainebleau. Aanvoerder van Wilde Jacht, 25
Grotti. Magische molensteenen, 127
Grypto. Non op, 231
Grijsvel. Zie Greyfell
Gullfaxi. Hrungnirs paard, 72;
Magni krijgt, 74
Gullin-bursti. Wild zwijn, 64;
Frey ontvangt, 66, 116;
dwergen maken, 239
Gullin-kambi. Huishaan in Midgard, 325
Gullintani = Heimdall, 146
Gull-top. Paard van Heimdall, 146
Gundicarius = Gunnar, 291
Gungnir. Odins speer, 15;
gevormd van een tak van Yggdrasil, 30;
runen op, 32;
Dvalin, maakt, 63, 239;
Odin ontvangt, 66;
Hermod werpt met, 152;
Dag in het bezit van, 260;
Grieksch equivalent, 340
Gungthiof. Zoon van Frithiof, 319
Gunlod. Moeder van Bragi, 37, 99;
bewaakt den drank der inspiratie, 95;
Odin bezoekt, 97
Gunnar. Zoon van Giuki, 278;
wenscht zich Brunhild tot vrouw, 279;
Brunhild zal huwen, 280;
verneemt laatste wensch van Brunhild om mede verbrand te worden,
284;
Atli vraagt verzoening van zijn zusters dood, 285;
belofte van, 285;
dood van, 289;
= Gundicarius, 291
Guttorm. Zoon van Giuki, 277;
Sigurd gedood door, 283;
dood van, 283
Gylfi. Odin verwelkomd door, 38;
misleiding van, 38;
Gefjon bezoekt, 48
Gymir. Gerda, dochter van, 118;
woning van, 111;
= Ægir, 186;
zoon van Hler, 230
Gijzelaars. Uitgewisseld tusschen Aesir en Vana’s, 14
Hades. Vergeleken
met Niflheim, 346, 354;
Jötun-heim vergeleken met, 353
Hagal. Voedt Helgi op, 259
Hagedises. Nornen genaamd, 169
Hakon. Thora, dochter van, 285;
huwt een Valkyr, 353
Halfdan. Boezemvriend van Viking,
293;
vriendschapsbond met Njorfe, 294;
zoons van Viking gezonden naar, 296;
zoon van Belé, 298;
verzoend met Frithiof, 321
Hallinskide = Heimdall, 148
Halogaland. Haloge en Odin regeeren over, 292
Haloge = Loki, regeert over
Noorwegen,
292;
Viking, kleinzoon van, 292
Ham. Heks onder bevel van Helgé, 307
Hamadryaden. Noorsch equivalent, 340
Hamdir. Zoon van Goedroen, 289;
dood van, 290;
Grieksch equivalent, 360
Hamelin. Fluitspeler, 25, 26;
Grieksch equivalent, 344
Hamer. Het teeken van den hamer
gemaakt over pasgeboren kinderen, om grenspalen in te slaan, huwelijk
in te wijden, 60, 61;
het slaan met den, 68, 69;
de diefstal van den, 75;
het teeken van den, 101
Hamond. Zoon van Sigmund, 259
Hans van Hackelberg. Aanvoerder van de Wilde Jacht, 24, 25
Har. Het visioen van, aan Gylfi verschenen, 38
Harald Harfager. Noormannen van huis gedreven door, 246
Hati. De wolf, 8;
opgevoed in het IJzerbosch, 325;
demon der duisternis, 356,
357
Hatto. Bisschop, 28
Hávamál. Wetboek van Odin, 39
Hebe. Vergeleken met Valkyrs, 353
Hector. Noorsch equivalent, 356
Heer Olaf. In den kring der elven, 243
Heid. Heks, onder bevel van Helgé, 307
Heidrun. Odins geit, welke den
godendrank verstrekt, 12;
vergeleken met Amalthea, 341
Heilige Onschuldigen. In Wilde Jacht, 25
Heimchen. Ongeboren kinderen, 55
Heimdall. Bifröst bewaakt door,
14;
negen moeders van, 39, 144;
geeft Thor raad, 77;
zoekt Idoen, 108;
bewaakt Brisingamen, 133, 148;
bewaker van Asgard, 145;
door Heimdall de goden verwant aan de zee, 156;
waakzaamheid van, 219;
zal Loki doen sneuvelen, 227;
blaast op den Giallar-hoorn, 325;
vecht met Loki, 329;
dood van, 329;
Grieksch equivalent, 351
Heim-dellinger = Heimdall, 147
“Heimskringla”. Noorsche kroniek, 122
Hel. Godin van den dood, 25;
geboorte en het verbergen van, 89,
216;
het koninkrijk van, 100;
Idoens verblijf in het Hellegebied, 108;
Uller en, 139;
Skuld als, 170;
hoofdstuk betreffende, 178–183;
Odin bezoekt, 197;
dochter
van Loki, 178, 230;
Hermod
tracht binnen te dringen in, 207;
rustbanken in, 208;
Hermod in, 208;
Balders invrijheidstelling, 208;
Hermod verlaat, 209;
de vogel van, 325;
komt in Vigrid, 327;
het leger van, 328;
donders geworpen over de negen rijken van, 330;
Garm houdt de wacht aan de poort der, 354, 355;
strafoefening van, 355
Hela = Hel, 178
Helena. Noorsche equivalenten, 357, 359
Helferich = Elf, 263
Helfrat = Elf, 263
Helgé. Zoon van Belé,
298;
weigert Ingeborg aan Frithiof te geven, 304;
wil Sigurd Ring antwoorden, 303;
sluit verdrag met Sigurd Ring, 304;
ondervraagt Frithiof naar diens ontheiliging van Balder’s tempel,
306;
verwekt storm tegen Frithiof, 307;
Angantyr weigert schatting aan, 311;
Frithiof trekt ring van Balder’s arm, 312;
vervolgt Frithiof, 313;
dood van, 321
Helgi. Lotgevallen van, 259, 260;
huwelijk van, 353
Heliaden. Noorsch equivalent, 350
Helicon. Vergeleken met Sokvabek,
343;
vergeleken met Odhroerir, 347
Heligoland. Benaming van, 142
Helios. Noorsch equivalent, 339
Helle-Koek. Garms woede gestild door, 179
Hellepoort. Hermod, door de, 179, 208
Helleweg. Hermod rijdt langs den, 207
Helm van Schrik, 268;
Sigurd draagt den, 272, 279, 290
Helschoenen. Voor voeten van een overledene, 179
Helva. Dochter van den heer van Nesvek bidt voor Esbern, 237, 238
Hendrik. Moord op, 25;
Keizer Hendrik bezoekt Ilse’s waterval, 234
Hengi-Kiaptr. Frodi krijgt molensteenen van, 127
Hengist. Afstammeling van Odin, 38
Heracliden. Noorsch equivalent, 347
Hercules. Noorsche equivalenten, 338, 345, 346, 352, 353, 355
Herla. Mythisch koning van Engeland, 24
Herlathing. Wilde Jacht genaamd, 24
Hermæ. Noorsch equivalent, 345
Hermie. Mimung het zwaard van, 176
Hermod. Helden verwelkomd door,
18;
Frigga de moeder van, 37;
vlugge god, 152, 153;
op weg naar Niflheim, 179, 203–211;
Grieksch equivalent, 352
Herodes. Aanvoerder van de Wilde Jacht, 25
Hertog van Alva. Cheru’s zwaard opgedolven door den, 88
Heru = Tyr, 86;
= Heimdall, 148
Hervor. Dochter van Angantyr, 240
Hialli. Het trillende hart van, 288
Hilding. Pleegvader van Frithiof en
Ingeborg, 299;
vraagt Frithiof om hulp voor de Koningen van Song, 303;
Frithiof weigert zijn verzoek, 304;
meldt Frithiof het huwelijk van Ingeborg, 311
Himinbiorg. Paleis van Heimdall, 146, 150
Himinbrioter. Sigurd komt bij de,
273;
Brunhilde voor Odin gebracht naar, 275, 278
Hindarfiall. Sigurd komt bij de,
273;
Brunhilde voor Odin gebracht naar, 275, 278
Hindfell = Hindarfiall, 275
Hiordis. Sigmund dingt naar de hand
van, 262;
bewaart de stukken van het zwaard, 263;
Elf huwt, 264;
dood van, 285
Hippomenes. Noorsch equivalent, 350
Hiuki. Metgezel van Mani, 9
Hlader. Thor’s tempel te, 82
Hleidra. Hoofdstad van Denemarken, 49
Hler = Aegir, 183, 186;
broeder van Loki, 215;
zoon van Fornjotnr, 230
Hlessey. Aegirs woonplaats, 183, 186
Hlidskialf. Zetel van Odin, 15, 17,
78, 340;
Odin op Hlidskialf gezeten herinnert zich het winterverblijf, 33;
Frigga zit op, 41;
Odin ziet de vandalen vanaf, 44;
Frey beklimt, 118
Hlin. Dienstbode van Frigga, 46
Hlodyn = Nerthus, 57
Hlora. Thor toevertrouwd aan, 58
Hlorridi = Thor, 58
Hnikar = Odin, 270
Hnoss. Dochter van Freya, 130
Hodmimir. Het bosch, 332
Hodur. Verpersoonlijking der
duisternis, 139, 211;
Vali vermoordt, 163, 199;
tweelingbroeder van Balder, 195;
Balder zal worden vermoord door, 198;
Balder gedood door, 202;
Vali verslaat, 211, 352;
beteekenis van de geschiedenis van, 211;
Loki brengt hem ertoe, de maretak naar Balder te werpen, 222;
terugkeer van, 332
Hoenir. Verschaft den mensch
zintuigen, 12;
bezoekt de aarde, 103, 266;
Loki keert terug naar, 104;
gaat in Vana-heim wonen, 110;
boeren vragen hulp aan, 218;
ontmoeting van, 332
Hofvarpnir. Paard van Gna, 47
Högni. Zoon van Giuki, 277;
plan om Sigurd te dooden, 282;
waarschuwing van, 286;
krijgsgevangen, 287;
het hart van, 288
Holda = Frigga, 50;
Uller gemaal van, 138
Holland. Frigga vereerd in, 56
Holle, Frau = Frigga, 50
Holler = Uller, 138
Holmgang. Thors en Hrungnirs, 73
Hongarije. Attila zet zich neder in, 88
Honig. Druipt van Yggdrasil, 12
Hooglied = Hávamál, 39
Hordaland. Rijk door Frithiof veroverd en aan zijn zoons overgelaten, 319 Horn = Freya, 131
Hörselberg. Holda’s woning in de, 52, 345
Horso. Afstammeling van Odin, 38
Hræ-svelger. Lijken-zwelger,
9;
winden veroorzaakt door, 340
Hrauding. Agnar en Geirrod, zoons van, 33
Hreidmar. Geschiedenis van, 266–270
Hrim-faxi. Paard van Nott, 7
Hrim-Thurs. IJsreus uit rijm geboren,
3;
Skadi, een, 112;
architect van Valhalla een, 221
Hrungnir. Wedloop met Odin, 72;
Thor’s gevecht met, 72,
73;
Grieksch equivalent, 346
Hrym. Bestuurder van een schip, 327
Hubert St. Uller vervangen door, 138
Hugi. Thialfi houdt wedloop met, 71
Hugin. Raaf van Odin, 16, 341;
Od-hroerir ontdekt door, 95
Hulda = Holda, 50
Huldra = Holda, 57
Huldra-volk. Woudnimfen, 57, 236
Hunaland. Gna gaat over, 47;
Brunhild’s woonplaats, 275
Hunding. Helgi’s twist met,
263;
nakomelingschap van, 260, 262
Hunnen. Inval der, 88;
Sigi koning der, 248;
Atli, koning der, 285, 360;
het land der, 286, 287, 297
Hunnenland. Sinfiotli keert terug naar, 258
Hunthiof. Zoon van Frithiof, 319
Hunvor. Zweedsche prinses, door Viking verlost, 293
Hvergelmir. De ziedende ketel,
2;
wortel van Yggdrasil nabij, 12;
Nidhug in, 12;
het zieden van, 180;
gewasschen in, 181
Hymir. Thors bezoek en visschen met, 186–191
Hyndla. Freya en Ottar bezoeken, 134
Hyperboreers. Noorsch equivalent, 338
Hyperion. Noorsch equivalent, 339
Hyrrokin. Het van stapel laten loopen van Ringhorn door, 205