Nacht. Dochter van Norvi, 7
Nagilfar. Het vlot maken van, 326
Nagilfari. Man van Nott, 7
Nain. Dwerg des doods, 99
Nal. Moeder van Loki, 216
Namiddag. Deel van den Dag, 9
Nanna. Moeder van Forseti, 140;
vrouw van Balder, 195;
dood van, 204;
Balder in Hel’s eetzaal met, 208;
zendt karpet aan Frigga, 209;
symbool der plantengroei, 212;
vergeleken met Grieksche godinnen, 355
Narve. Zoon van Loki, 216;
dood van,
225
Nastrond. De misdadigen en onreinen
in, 181, 334;
analoog aan Tartarus, 355
Neckar. God en rivier, 191, 192, 354
Nectar. Vergeleken met Noorschen drank, 340
Nemeïsche Leeuw. Noorsch equivalent, 352
Neptunus. Noorsche equivalenten, 338, 341, 348, 354, 361
Nereïden. Noorsch equivalent, 354
Nereus. Niörd gelijk, 348, 349
Nerthus = Frigga, 56, 57;
vrouw van Niörd, 111,
116, 129
Niblungen. Sigurd bezoekt de,
277;
Brunhild, koningin der, 278;
smart der, 283;
Atli en de, 286, 287
Niblungenlied. Germaansch epos, 247, 285
Nicort. Zeemonsters, 191
Nida. Bergen waar de dwergen wonen, 334
Nidhug. Knaagt aan de wortels van Yggdrasil, 12, 158, 181, 327
Nidud. Koning van Zweden, 174, 176;
vergelijking, 353
Niflheim. Woonplaats van mist en
donker, 2;
wortel van Yggdrasil in, 12;
Bifröst aan weerszijden van, 13;
Odin staart in, 32;
Hel in, 89, 178;
Hel’s vogel in, 325;
Idoen in, 108;
Uller in, 139;
hoorn gehoord in, 145;
Odin bezoekt, 197;
Hermod naar, 203;
Balder in, 208;
vergelijkingen, 338, 348, 354
Nikker Oude. Oorsprong van den naam, 191
Nimfen. Vergeleken met Elven, 340
Niörd. Komt wonen in Asgard,
14;
zeegod 110–116, 183;
Skadi huwt, 113, 138, 139;
handschoen van, 115;
Frey, zoon van, 116;
de half-historische, 122;
eed op, 122;
Freya,
dochter van, 129;
equivalent, 183, 350
Nip. Vader van Nanna, 195
Nixen. Watergoden, 191, 192, 354
Njorfe. Koning van Uplands, vriend
van Viking, 294, 295;
zoons van, vallen Thorsten aan, 296
Nôatûn. Paleis van Niörd, 110, 111, 113
Noodlot. Vergeleken met Orlog, 341
Noordzee. Mannigfual in de, 233, 357
Noormannen. Nemen beelden der elven
mede, 246;
het geloof der, 246, 333
Noorsch Raadsel, 22
Noorwegen. Odin verovert, 37;
Thor in, 59;
Koningin van, 114, 122;
Malmström nabij, 128;
Freya in, 129,
135;
mijnwerkers in, 242;
Haloge, Koning van, 292;
Sigurd Ring in, 303
Nordri. Dwerg die het hemelgewelf steunt, 6
Nornagesta. Geschiedenis van,
167, 168;
vergeleken met Meleager, 353
Nornen. Besprenkelen Yggdrasil,
13;
plichten der, 31;
hoofdstuk betreffende de, 164–171;
besluit der, 86;
Odin ondervraagt de, 157, 166;
zijn Valkyren, 170;
verschijnen aan de stervelingen, 165, 259;
het web der, 165, 328;
Grieksch equivalent, 341, 352
Norvi. Vader van Nott, 7, 164;
Nornen stammen af van, 164
November. Gewijd aan Uller, 139
Oberwesel. Visscher van, 193
Oceaan. Zondvloed zijnde Ymirs bloed, 4
Oceaniden. Vergeleken met golven-maagden, 354
Oceanus. Noorsch equivalent, 338
Odensö. Gebouwd door Odin, 37
Od-hroerir. Ketel der
inspiratie,
94;
Odin zoekend naar, 95;
vergeleken met den Helicon, 347
Odin. Geboorte van, 4;
schept den mensch, 11;
hal van, 12;
geit van, 12;
broeder van, 14;
hoofdstuk betreffende, 15–40;
karakteristiek van, 22;
gewaad en speer van, 15;
troon van, 18;
vader der gesneuvelden, 18;
liefde der krijgslieden voor, 20;
de Wilde Jacht, 24;
aanvoerder der schimmen, 25;
sterrenbeeld, 29;
een oog van, 29, 89, 93,
249;
Geirrod verzorgd door, 33;
de historische Odin, 37, 122, 343;
slangen van, 39;
beelden van, 39;
Frigga, vrouw van, 41;
drinken op, 41;
terugkomst van, 44;
Thor, zoon van, 58;
geschenk voor, 63;
Hrungnir’s wedloop met, 72;
ziet Jötun-heim, 78;
Grid, vrouw van, 79, 156;
Tyr,
zoon van, 84;
speer van, 66, 86, 239,
260;
ontdekt Loki’s afstammelingen, 89, 178;
ontdekt Od-hroerir, 95;
wint de liefde van Gunlod, 97;
runen van, 100;
bezoekt de aarde, 103;
Loki keert terug naar, 104;
Loki ter verantwoording geroepen door, 105;
geeft Idoen de wolfshuid, 108;
de lucht is, 109;
Hoenir,
broeder van, 110;
troon van, 118;
Freya huwt, 135;
Uller neemt de plaats in van, 137;
verjaagt Uller, 137, 138, 139;
huwt de golfmeisjes, 144;
Heimdall vervangt, 148;
Hermod,
dienaar van, 152;
runenstaf van, 153;
moord van eenen der zonen van, 154;
voorspelling betreffende, 158;
vrijage om Rinda, 160–163,
211;
Nornen bezocht door, 166, 328;
Valkyren dienen, 171;
zal zwaard geven aan Sigmund, 176;
Balder, zoon van, 195;
Vala geraadpleegd door, 197–200;
gerustgesteld door Frigga, 200;
leent Sleipnir uit, 203;
fluistert Balder in het oor, 204;
Draupnir teruggezonden aan, 209;
symbool van den hemel, 212;
Loki,
broeder van, 214;
scheppingsdriehoek, 215;
helpt een boer, 217;
Sleipnir, paard van, 221;
Loki ontdekt door, 224;
bezoekt de reuzen, 229;
Signy,
zoon van, 247;
Sigmund neemt het zwaard van, 250,
257;
eischt Sinfiotli op, 261;
Sigurd geraden door, 265, 270;
bezoekt Hreidmar, 266;
Brunhild bestraft door, 275;
valt in den strijd, 329;
vergeleken met Grieksche goden, 338, 340, 341, 342, 343, 344, 347, 349, 352, 356, 358
Odur. Freya, echtgenoote van, 130;
Freya vindt, 131;
Freya zoekt,
131, 343;
verpersoonlijking van de zon, 132,
135;
Grieksch equivalent, 350
Oenone. Vergeleken met Brunhild, 359
Okolnur. Reuzen wonen in, 334
Olaf. Beeldenstormer, 39, 82,
123;
Yulefeest overgebracht naar Kerstdag door, 126;
Nornagesta bezoekt, 168, 353;
reuzen in de dagen van, 231
Olaf Sir. Door elven in hun kring gesloten, 243
Oldenburg. Drinkbeker der familie, 232
Oller = Uller, 137
Olrun. Huwt op aarde, 173
Olympus. Noorsche equivalenten, 338, 340, 353
Omphale. Noorsch equivalent voor, 345
Oost Saksen. Door Odin veroverd, 38
Opstanding. Het woord door Odin uitgesproken, 31
Oreaden. Vergeleken met Noorsche elfen, 340
Orgelmir. IJsreus, 3
Orion. Noorsche equivalenten voor, 42, 349, 351
Orkney-eilanden. Veroverd door
Thorsten, Belé en Agantyr, 298;
Frithiof bezoekt de, 306
Orlog. De eeuwige wet van het al,
165, 200;
equivalent, 341
Ormt. Thor doorwaadt, 59
Orpheus. Noorsche equivalenten, 344, 347, 355, 360
Orvandil. Door Thor bevrijd, 75;
equivalent, 346
Ostara = Eástre, 54
Ottar. Freya helpt, 134
Otter. Gedood door Loki, 267
Oude Nikker. Ontstaan van den naam, 191
Oxford. Yule in, 124
Paderborn. Irminzuil bij, 28
Paris. Noorsch equivalent, 359
Pegasus. Blodug-hofi vergeleken met, 349
Pelias. Noorsch equivalent, 347
Peneus. Noorsch equivalent, 354
Pentland-Firth. Draaikolk te, 128
Perseus. Noorsch equivalent, 352, 358
Phaeton. Noorsch equivalent, 350
Phaetusa. Noorsch equivalent, 339
Philemon. Noorsch equivalent, 342
Philoctetes. Noorsch equivalent voor de pijlen van, 359
Phoebe. Equivalent, 339
Phoebus. Equivalent, 339
Phoenicische. Dwergen vergeleken met Phoenicische mijnwerkers, 242
Pinksteren. Laatste verschijning van Prinses Ilse op, 234
Pluto. Noorsche equivalenten, 338, 340
Pollux. Noorsch equivalent, 360
Poolcirkel. IJsbergen van den, 1
Priamus. Vergeleken met Odin, 356
Procris. Noorsch equivalent, 339
Prometheus. Noorsch equivalent, 341, 356
Proserpina. Noorsche equivalenten voor, 343, 346, 348, 355
Proteus. Noorsch equivalent, 351
Psychopompus. Vergeleken met Odin, 344
Pyrrha. Noorsch equivalent, 357
Pyrrhus, Noorsch equivalent, 356