Register.
A
Aager en Else. Ballade van, 182
Aartsengel St. Michael. Cheru’s zwaard het eigendom van den, 88
Abel. Cain’s Wilde Jacht wegens moord op, 25
Abundantia = Fulla, 46
Abundia = Fulla, 46
Acheron. Giöll, de Noorsche, 354
Achilles. Balder, de Noorsche,
355;
vader van Pyrrhus, 356
Adonis. Odin, de Noorsche, 343;
Idoen vergeleken met, 348;
Odur, de Noorsche, 350
Aegeïsche Zee. Argo’s doorkruisen van de, 357
Aegeus. Sigmunds zwaard vergeleken met dat van, 358
Aegir. Stormen, verwekt door,
183;
god van de zee, 183–191,
297;
feestmaal van, 222;
Neptunus, de Grieksche, 354
Aegis. Naam van Fafnirs Helm van Schrik, 266
Aeneas. Vidar, de Noorsche, 356
Aesir. Goden in de Noorsche mythologie
genaamd, 5;
twaalf in getal, 11;
Asgard, woning van, 12;
twist tusschen de Vana’s en, 14;
heerschers die hen moesten vervangen, 31;
bewoners van Klein Azië, 37;
Gyfli bezoekt de, 38;
Hrungnir viert feest met de, 72;
Freya bezocht door de, 77;
de ontdekking van den hamer verheugt de, 78;
Fenris gebonden door de, 91;
Suttung gedood door de, 98;
vinden Idoen terug, 106;
Niörd en de, 110;
Aegir niet gerekend tot de, 183;
Aegir noodigt uit de, 186;
Hermod bemind boven de, 203;
herauten uitgezonden door de, 209;
Loki belastert de, 214, 223;
strijd tusschen de reuzen en de, 229;
begin en einde der, 323;
Giallar-hoorn wekt de, 325;
vorstenreuzen komen strijden tegen de, 327;
het gevecht der, 328;
gouden schijven der, 333;
goden vergeleken met de, 341;
Grieksch equivalent voor den strijd tusschen de Vanas en de, 342
Afi. Riger bezoekt, 150
Agnar. Zoon van Hrauding, door Frigga
vertroeteld, 33;
geeft Odin een teug drank, 35;
bestijgt den troon, 35;
Grieksch equivalent, 342
Ai. Riger bezoekt, 149
Aku-Thor. Thor de wagenman, 61
Alberich. Koning der dwergen, 239
Albion. Oorsprong van den naam, 243
Alf-blot. Offers aan elven gebracht, 245
Alfheim. Huis der lichtengelen,
10, 243;
Frey woont in, 116;
Frey keert terug naar, 118;
Skirnir ijlt terug naar, 120;
Völund gaat wonen in, 176
Ali = Vali, 162
Alpen. Zomerhuis van Uller in de,
138;
vermoedelijke beteekenis van den naam, 243
Alpenroos. Holda’s meisjes gekroond met, 51
Alpheus. Grieksch equivalent van Noorschen riviergod, 354
Alsvider. Ros voor maanwagen, 6
Alsvin. Ros voor de zonnekar, 6
Althea. Gelijk aan de moeder van Nornagesta, 353
Alva. Cheru’s zwaard opgedolven door den Hertog van, 88
Alvader. Het ongeschapen en
onzienlijk wezen genaamd, 2;
Yggdrasil geschapen door, 12;
Odin bijgenaamd, 15;
ondervraagt Vafthrudnir, 31;
zijn boosheid, 43;
Longobarden zoo genaamd door, 45;
ontdoet zich van de monsters, 89;
zendt Hermod naar Finland, 153;
met Vidar om de Nornen te ondervragen, 157;
doemt Brunhild te huwen, 275;
verzwolgen, 329
Alvis. Een dwerg, die versteent, 62
Alvit. Een Valkyr die op aarde huwt, 173
Amalthea. Vergeleken met Heidrun, 341
Ambrosia. Noorsche goden eten zwijnevleesch in plaats van, 340
Amma. Riger bezoekt, 150
Amphion. De Rattenvanger van Hamelin
komt overeen met, 344;
Gunnar vergeleken met, 360
Amphitrite. Grieksch equivalent voor Ran, 354
Amsvartnir. Het meer waar Fenris gebonden wordt, 91
Anchises. Noorsch equivalent, 350
Andhrimnir. Kok in Valhalla, 19
Andvaranaut. Andvar’s ring,
268;
Sigurd doet den ring aan, 272;
Brunhild draagt den ring ten teeken harer verloving, 275;
door Sigurd van Brunhild’s hand getrokken, 280;
Goedroen toont, 281;
Goedroen zendt hare broeders, 286;
Grieksch equivalent, 359
Andvari. Loki bezoekt, 268;
ring van, 268, 272, 275,
280, 286
Angantyr. Ottar en, 134;
Tyrfing, zwaard van, 239;
verbonden met Thorsten en Belé, 297;
belasting van, 306;
ontvangt Frithiof, 310
Angelsaksen. Heptarchie, 38;
Uller genaamd Vulder in, 138;
Aegir genaamd Eagor in, 185
Angur-Boda. Moeder van Hel, Fenris en
Iörmungandr, 89, 178;
moeder van Gerda, 118;
vrouw van Loki, 216;
voedt wolven in het IJzerbosch, 325
Angurvadel. Tooverzwaard van Viking,
293, 309;
vergelijking, 358.
Annar. Echtgenoot van Nott, 7
Antaeus. Grieksch equivalent voor Hrungnir, 346
Apollo. Grieksch equivalent voor Sol,
339;
verpersoonlijking van de zon, 339;
parallel van wedstrijd tusschen Odin en Vafthrudnir is die tusschen
Marsyas en, 342;
huwelijk met Clio vergeleken met dat van Odin en Saga, 343;
Mercurius steelt de ossen van, 345;
Frey’s wild zwijn het prototype van den gouden zonnekar van,
346;
muziekminnaar gelijk Bragi, 347;
Frey vergeleken met, 349;
Uller, liefhebber van de jacht gelijk, 351;
zonnegod gelijk Balder, 355;
zonne-mythe gelijk aan die van Sigurd, 358
Appels. Gna’s, 47, 248;
Idoens, 102, 104, 106;
Skirnir geeft Gerda de gouden, 119;
zinnebeeld der schoonheid en vruchtbaarheid, 121;
Nornen houden wacht over de gouden, 164;
Idoen mag plukken de, 164;
Rerir ontvangt een wonderkrachtigen appel, 248;
vergelijking van Atalanta’s en Gerda’s, 350
Arachne. Vafthrudnir, Noorsch equivalent voor, 342
Ares. Is de zwaardgod Tyr, 347
Arethusa. Prinses Ilse equivalent van, 354
Argo. Komt overeen met Skidbladnir,
346;
vergeleken met Mannigfual, 357
Argus. Geschiedenis vergeleken met
die van Brock, 346;
oogen vergeleken met die van Thiassi, 349;
oogen vergeleken met die van Heimdall, 351
Ariadne. Vergeleken met Goedroen, 359
Ariërs. Oorsprong der, 1
Arion. Vergeleken met Sleipnir, 356
Arthur. Aanvoerder van de Wilde jacht, 24, 25
Arvakr. Ros voor de zonnekar, 6
Asa. Hoenir een, 14;
Odin, de almachtige, 122;
Balder een, 195
Asabru = De brug Bifröst, 13
Asa-brug = Bifröst, 13;
Heimdall bewaker van de, 150
Asegeir. De oudste Friezen, 141
Asgard. Huis der goden, 11;
Yggdrasil schiet wortel in, 12;
godenpaleizen in, 14;
Niörd komt wonen in, 14;
Odins zetel in, 15;
uitverkorene gebracht in, 18;
Ifing scheidt Jötun-heim van, 30;
Odin verlaat, 35, 36, 43;
Odin keert terug te, 36;
Gilfy bezoekt, 38;
Thor toegelaten tot, 58;
Bilskirnir in, 58;
Brock gaat naar, 66;
Hrungnir pocht erop Asgard in bezit te zullen nemen, 72;
onveiligheid in, 219;
Thor rijdt terug naar, 78;
Loki vliegt terug naar, 79;
Tyr, een halfgodheid van, 84;
Fenris gebracht naar, 90;
Odin brengt den drank der inspiratie naar, 98;
Idoen en Bragi verschijnen in, 102;
Idoen gelokt uit, 104;
Idoen treurt over haar ballingschap uit, 104, 105, 353;
de Goden keeren zonder Idoen terug naar, 109;
Frey, Freya en Niörd in, 110;
Niörd geroepen naar, 111;
Thiassi afgemaakt in, 106,
111;
Skadi’s wittebroodsweken in, 113;
Frey welkom geheeten in, 116;
Freya in, 129;
Uller voert heerschappij over, 137;
Balder verlaat, 139;
Forseti in, 140;
Heimdall spoedt zich naar, 144;
Heimdall verlaat, 149;
Hermod keert terug naar, 154;
Vali in, 162;
zonde sluipt binnen in, 164;
Aegirs bezoek aan, 186;
Odin wendt zich naar, 200;
de goden komen treurig in, 207;
boden komen terug in, 210;
Loki verbannen uit, 216, 222;
de goden wenschen Asgard te versterken, 219;
een Hrimthurs keert terug naar, 221;
Loki niet toegelaten in, 224;
door reuzen bestormd, 327;
Olympus, het Grieksche, 338;
Valkyren schenksters in, 353
Asgardreia. Wilde jacht, genaamd, 22
Ask. Esch, waaruit de Goden den
mensch maakten, 11;
vergeleken met de schepping van Prometheus, 341
Aslaug. De opvoeding van, 276
Asynjur. Noorsche godin, genaamd, 11
Atalanta. Haar appels vergeleken met die van Gerda, 350
Atla. Een der golfmeisjes, 144
Atlantische Oceaan. Mannigfual in den, 233
Atlas. Grieksch equivalent voor Reuzengebergte, 357
Atlé. Daagt Frithiof uit, 309
Atli. Wenscht zich Goedroen tot
vrouw, 286;
verraad van, 287;
Gunnar gedood door, 289;
vermoord door Goedroen, 289;
= Attila, de geesel Gods, 291;
Goedroen
huwt, 359
Attila. Hunnenkoning, bezitter van
Cheru’s zwaard, 88;
= Atli, 291
Aud. Zoon van Nott, 7
Audhumla. Voedsterkoe van Ymir, 3
Augeia. Een der golfmeisjes, 144
Augsburg. Stad naar Tyr genaamd, 84
Aurgiafa. Een der golfmeisjes, 144
Austri. Dwerg die het hemelgewelf in het Oosten steunt, 6
Avond. Deel van den dag, 9
B
Bacchus. Atli vergeleken met, 359
Balder. Odin ondervraagt Vafthrudnir
omtrent, 31;
Zoon van Frigga, 37;
Skadi wenscht Balder te huwen, 112;
Uller bevriend met, 139;
Forseti de zoon van, 140;
Forseti samen genoemd met, 143;
Vali wreekt, 162;
god van zon en zomer, 195–214;
Loki de eigenlijke moordenaar van, 222;
niet tegenwoordig aan Aegirs banket, 223;
vergeleken met Sigurd, 291;
Loki berooft de Aesir van, 323;
het verschijnen van, 332;
Hodur vermoordt, 352;
zijn dood gewroken, 352;
vergeleken met Grieksche goden, 355;
heiligdom van, 299;
zijn beeld valt op het vuuraltaar, 312;
tempel herbouwd, 321
Balmung. Völund vervaardigt,
176;
Odin steekt het zwaard in Branstock, 249;
Sigmund trekt het uit den stam, 250;
Siggeir krijgt, 252;
Sinfiotli maakt gebruik van, 257;
verbrijzeld, 262;
Hiordis verzamelt de stukken van, 263;
opnieuw gesmeed, 270;
Fafnir doorstoken met, 271;
gelegd tusschen Sigurd en Brunhild, 279;
Guttorm in tweeën gehouwen door, 283;
op brandstapel gelegd, 284;
zinnebeeld van zonnestralen, 291;
vergeleken met het zwaard van Aegeus, 358
Baltische Zee. De Mannigfual in de, 234
Barbarossa, Frederik. Aanvoerder van de Wilde jacht, 24, 25
Baucis. Geschiedenis van, vergeleken met Geirrod en Agnar, 342
Baugi. Onthaalt Odin gastvrij, 96
Beav = Vali, 162
Beelden. Houten, 341
Behmer. Woud in Bohemen, 23
Beldegg. Koning van West-Saksen, 38
Belé. Erfopvolger van Sogn,
297;
verbannen door Johul, 297;
op zijn erfelijken troon geplaatst, 297;
verovert de Orkney-eilanden, 298;
helpt Thorsten den door Völund vervaardigden ring te zoeken,
298;
dochtertje van, 299;
spreekt tot zijn zonen, 300;
vorsten gezeten op het graf van, 301
Beli. Dood van, 121;
zoon van Kari, 230
Bergelmir. Ontsnapt aan zondvloed,
4, 228;
= Farbauti, 215
Berserker. Woede, 21;
Frithiof bevangen door Berserker woede, 311;
pogen wolf te bedwingen, 205
Bertha = Frigga, 55;
moeder van Karel den Groote, 55;
beschermster van het spinnen, 56
Bestla. Reuzin, 4;
het sterfelijke element, 8
Bethlehem. Frodi regeert over Denemarken, in de dagen dat er vrede over de wereld was, juist toen Christus werd geboren te, 127
Beyggvir. Dienstbare van Frey, 121
Beyla. Dienstbare van Frey, 121
Bifröst. Regenboogbrug, 13;
Valkyren rijden over, 18, 171;
beschrijving van, 144;
Heimdall gaat heen en weer over, 147;
Odin rijdt over, 197;
het onvoldoende zijn van, 219;
Helgi’s geest rijdt over, 260;
het invallen van, 327;
de Giallar-hoorn maakt bekend den tocht der
goden over, 351
Bil. De afnemende maan, 9
Billing. Koning van de Ruthenen,
160;
Wil Rinda redden, 162
Bilskirnir. Thor’s paleis,
genaamd, 58;
lijfeigenen verwelkomd in, 58
Bingen. Muizentoren nabij, 28
Bisschop Hatto. Geschiedenis van, 27
Björn. Vertrouweling van
Frithiof, 301;
speelt schaak met, 303;
houdt het roer van de Ellida, 308;
brengt mannen aan de kust, 308;
Ellida toevertrouwd aan de zorg van, 314
Blocksberg. Nornen op den, 169
Blodug-Hofi. Paard van Frey, 117;
gaat door het vlammenvuur van Gymir, 119;
vergeleken met Pegasus, 349
Boden. Offerbeker, 94
Bodvild. Misleid door Völund, 176
Bohemerbosch = Behmer, 23
Bolthorn. Reuzin genaamd, 4
Bolwerk. Odin noemt zich, 96
Boommaagden. Elven, 245
Borghild. Sigmund huwt, 259;
Sinfiotli vergiftigd door, 261;
Sigmund bestraft, 262
Bornholm. Het ontstaan van, 234;
het kruisen van Mannigfual genoemd in verband met het eiland, 358
Börr. Huwt Bestla, 4;
de aarde geschapen door de zonen van, 5;
het goddelijk element der goden in, 8
Bourgondisch. Ildico, Bourgondisch
prinses, 88;
Gunnar, Bourgondisch vorst, 291
Bous = Vali, 162
Braga-ful. Beker waarin een dronk op Bragi wordt opgediend, 101
Braga-mannen. Noorsche Skalden, 101
Braga-vrouwen. Noorsche priesteressen, 101
Bragi. Helden verwelkomd door,
18;
Gunlod, moeder van, 37;
God van poëzie, welsprekendheid en zang, 99, 100;
geboorte van, 99;
afwezigheid van, 104;
Idoen treurt over, 104, 105;
Idoen gezocht door, 108;
blijft met Idoen in Nevelheim, 109;
helden in het Valhalla verwelkomd door Heimdall en, 148;
Aegir schept behagen in de avonturen van, 186
Branstock. Eik in Volsung’s
hal, 249;
zwaard gestoken in, 249;
Sinfiotli onder den, 258
Brechta = Frigga, 55
Breidablik. Balder’s paleis,
195;
Balders lichaam gebracht naar, 203
Bretland. Aardhoop waarin Soté zich verbergt, 298
Brisinga-men. Halsketting van Freya,
132;
Loki tracht te stelen, 147,
351;
zinnebeeld van der aarde schoonsten sier, 148;
gemaakt door dwergen, 239
Brock. Jaloerschheid van, 64;
weddenschap van Loki en, 64;
de drie schatten van, 66;
weddenschap gewonnen door, 66;
geschiedenis vergeleken met die van Io, 346
Brocken. Heksen dansen op de,
135;
Nornen op de, 169
Brunhild. Een Valkyre, 171, 177;
Sigurd vindt, 274;
Sigurd verlooft zich met, 275;
Sigurd huwt, 276;
Sigurd vergeet, 277;
Gunnar bemint, 278, 279;
Gunnar dingt in de gedaante van Sigurd naar, 279;
smart en toorn van, 281;
wendt zich tot Högni om hulp, 282;
lacht luid over Sigurd’s dood, 283;
dood van, 284;
Atli, broeder van, 285;
vergeleken met Grieksche goden, 291, 359
Brunnaker. Idoen in de boschjes van, 104
Buri. Geboorte van, 3;
krijg der reuzen tegen, 4
Burri. Het groene veld, waar Frey en Gerda elkaar ontmoeten, 120
Byzantijnsch. Invloed der Byzantijnsche Christenheid op Teutonische volken, 246