WeRead Powered by ReaderPub
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen cover

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 291: B
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The collection retells the principal Norse myths and sagas, presenting cosmogony, the deeds and personalities of key deities such as Odin, Thor, Frey, and Freya, and the roles of figures like Loki, the Valkyries, and the Norns. It explores supernatural races—giants, dwarfs, elves—and recounts heroic narratives including the Sigurd and Frithiof legends, concluding with the gods' twilight and comparative remarks on classical myth. Chapters are organized around deities, beings, and episodes, combining narrative summary with thematic commentary and many illustrative plates that accompany the ancient poems and prose traditions.

Register.

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | Y | Z

A

Aager en Else. Ballade van, 182

Aartsengel St. Michael. Cheru’s zwaard het eigendom van den, 88

Abel. Cain’s Wilde Jacht wegens moord op, 25

Abundantia = Fulla, 46

Abundia = Fulla, 46

Acheron. Giöll, de Noorsche, 354

Achilles. Balder, de Noorsche, 355;
vader van Pyrrhus, 356

Adonis. Odin, de Noorsche, 343;
Idoen vergeleken met, 348;
Odur, de Noorsche, 350

Aegeïsche Zee. Argo’s doorkruisen van de, 357

Aegeus. Sigmunds zwaard vergeleken met dat van, 358

Aegir. Stormen, verwekt door, 183;
god van de zee, 183–191, 297;
feestmaal van, 222;
Neptunus, de Grieksche, 354

Aegis. Naam van Fafnirs Helm van Schrik, 266

Aeneas. Vidar, de Noorsche, 356

Aesir. Goden in de Noorsche mythologie genaamd, 5;
twaalf in getal, 11;
Asgard, woning van, 12;
twist tusschen de Vana’s en, 14;
heerschers die hen moesten vervangen, 31;
bewoners van Klein Azië, 37;
Gyfli bezoekt de, 38;
Hrungnir viert feest met de, 72;
Freya bezocht door de, 77;
de ontdekking van den hamer verheugt de, 78;
Fenris gebonden door de, 91;
Suttung gedood door de, 98;
vinden Idoen terug, 106;
Niörd en de, 110;
Aegir niet gerekend tot de, 183;
Aegir noodigt uit de, 186;
Hermod bemind boven de, 203;
herauten uitgezonden door de, 209;
Loki belastert de, 214, 223;
strijd tusschen de reuzen en de, 229;
begin en einde der, 323;
Giallar-hoorn wekt de, 325;
vorstenreuzen komen strijden tegen de, 327;
het gevecht der, 328;
gouden schijven der, 333;
goden vergeleken met de, 341;
Grieksch equivalent voor den strijd tusschen de Vanas en de, 342

Afi. Riger bezoekt, 150

Agnar. Zoon van Hrauding, door Frigga vertroeteld, 33;
geeft Odin een teug drank, 35;
bestijgt den troon, 35;
Grieksch equivalent, 342

Ai. Riger bezoekt, 149

Aku-Thor. Thor de wagenman, 61

Alberich. Koning der dwergen, 239

Albion. Oorsprong van den naam, 243

Alf-blot. Offers aan elven gebracht, 245

Alfheim. Huis der lichtengelen, 10, 243;
Frey woont in, 116;
Frey keert terug naar, 118;
Skirnir ijlt terug naar, 120;
Völund gaat wonen in, 176

Ali = Vali, 162

Alpen. Zomerhuis van Uller in de, 138;
vermoedelijke beteekenis van den naam, 243

Alpenroos. Holda’s meisjes gekroond met, 51

Alpheus. Grieksch equivalent van Noorschen riviergod, 354

Alsvider. Ros voor maanwagen, 6

Alsvin. Ros voor de zonnekar, 6

Althea. Gelijk aan de moeder van Nornagesta, 353

Alva. Cheru’s zwaard opgedolven door den Hertog van, 88

Alvader. Het ongeschapen en onzienlijk wezen genaamd, 2;
Yggdrasil geschapen door, 12;
Odin bijgenaamd, 15;
ondervraagt Vafthrudnir, 31;
zijn boosheid, 43;
Longobarden zoo genaamd door, 45;
ontdoet zich van de monsters, 89;
zendt Hermod naar Finland, 153;
met Vidar om de Nornen te ondervragen, 157;
doemt Brunhild te huwen, 275;
verzwolgen, 329

Alvis. Een dwerg, die versteent, 62

Alvit. Een Valkyr die op aarde huwt, 173

Amalthea. Vergeleken met Heidrun, 341

Ambrosia. Noorsche goden eten zwijnevleesch in plaats van, 340

Amma. Riger bezoekt, 150

Amphion. De Rattenvanger van Hamelin komt overeen met, 344;
Gunnar vergeleken met, 360

Amphitrite. Grieksch equivalent voor Ran, 354

Amsvartnir. Het meer waar Fenris gebonden wordt, 91

Anchises. Noorsch equivalent, 350

Andhrimnir. Kok in Valhalla, 19

Andvaranaut. Andvar’s ring, 268;
Sigurd doet den ring aan, 272;
Brunhild draagt den ring ten teeken harer verloving, 275;
door Sigurd van Brunhild’s hand getrokken, 280;
Goedroen toont, 281;
Goedroen zendt hare broeders, 286;
Grieksch equivalent, 359

Andvari. Loki bezoekt, 268;
ring van, 268, 272, 275, 280, 286

Angantyr. Ottar en, 134;
Tyrfing, zwaard van, 239;
verbonden met Thorsten en Belé, 297;
belasting van, 306;
ontvangt Frithiof, 310

Angelsaksen. Heptarchie, 38;
Uller genaamd Vulder in, 138;
Aegir genaamd Eagor in, 185

Angur-Boda. Moeder van Hel, Fenris en Iörmungandr, 89, 178;
moeder van Gerda, 118;
vrouw van Loki, 216;
voedt wolven in het IJzerbosch, 325

Angurvadel. Tooverzwaard van Viking, 293, 309;
vergelijking, 358.

Annar. Echtgenoot van Nott, 7

Antaeus. Grieksch equivalent voor Hrungnir, 346

Apollo. Grieksch equivalent voor Sol, 339;
verpersoonlijking van de zon, 339;
parallel van wedstrijd tusschen Odin en Vafthrudnir is die tusschen Marsyas en, 342;
huwelijk met Clio vergeleken met dat van Odin en Saga, 343;
Mercurius steelt de ossen van, 345;
Frey’s wild zwijn het prototype van den gouden zonnekar van, 346;
muziekminnaar gelijk Bragi, 347;
Frey vergeleken met, 349;
Uller, liefhebber van de jacht gelijk, 351;
zonnegod gelijk Balder, 355;
zonne-mythe gelijk aan die van Sigurd, 358

Appels. Gna’s, 47, 248;
Idoens, 102, 104, 106;
Skirnir geeft Gerda de gouden, 119;
zinnebeeld der schoonheid en vruchtbaarheid, 121;
Nornen houden wacht over de gouden, 164;
Idoen mag plukken de, 164;
Rerir ontvangt een wonderkrachtigen appel, 248;
vergelijking van Atalanta’s en Gerda’s, 350

Arachne. Vafthrudnir, Noorsch equivalent voor, 342

Ares. Is de zwaardgod Tyr, 347

Arethusa. Prinses Ilse equivalent van, 354

Argo. Komt overeen met Skidbladnir, 346;
vergeleken met Mannigfual, 357

Argus. Geschiedenis vergeleken met die van Brock, 346;
oogen vergeleken met die van Thiassi, 349;
oogen vergeleken met die van Heimdall, 351

Ariadne. Vergeleken met Goedroen, 359

Ariërs. Oorsprong der, 1

Arion. Vergeleken met Sleipnir, 356

Arthur. Aanvoerder van de Wilde jacht, 24, 25

Arvakr. Ros voor de zonnekar, 6

Asa. Hoenir een, 14;
Odin, de almachtige, 122;
Balder een, 195

Asabru = De brug Bifröst, 13

Asa-brug = Bifröst, 13;
Heimdall bewaker van de, 150

Asegeir. De oudste Friezen, 141

Asgard. Huis der goden, 11;
Yggdrasil schiet wortel in, 12;
godenpaleizen in, 14;
Niörd komt wonen in, 14;
Odins zetel in, 15;
uitverkorene gebracht in, 18;
Ifing scheidt Jötun-heim van, 30;
Odin verlaat, 35, 36, 43;
Odin keert terug te, 36;
Gilfy bezoekt, 38;
Thor toegelaten tot, 58;
Bilskirnir in, 58;
Brock gaat naar, 66;
Hrungnir pocht erop Asgard in bezit te zullen nemen, 72;
onveiligheid in, 219;
Thor rijdt terug naar, 78;
Loki vliegt terug naar, 79;
Tyr, een halfgodheid van, 84;
Fenris gebracht naar, 90;
Odin brengt den drank der inspiratie naar, 98;
Idoen en Bragi verschijnen in, 102;
Idoen gelokt uit, 104;
Idoen treurt over haar ballingschap uit, 104, 105, 353;
de Goden keeren zonder Idoen terug naar, 109;
Frey, Freya en Niörd in, 110;
Niörd geroepen naar, 111;
Thiassi afgemaakt in, 106, 111;
Skadi’s wittebroodsweken in, 113;
Frey welkom geheeten in, 116;
Freya in, 129;
Uller voert heerschappij over, 137;
Balder verlaat, 139;
Forseti in, 140;
Heimdall spoedt zich naar, 144;
Heimdall verlaat, 149;
Hermod keert terug naar, 154;
Vali in, 162;
zonde sluipt binnen in, 164;
Aegirs bezoek aan, 186;
Odin wendt zich naar, 200;
de goden komen treurig in, 207;
boden komen terug in, 210;
Loki verbannen uit, 216, 222;
de goden wenschen Asgard te versterken, 219;
een Hrimthurs keert terug naar, 221;
Loki niet toegelaten in, 224;
door reuzen bestormd, 327;
Olympus, het Grieksche, 338;
Valkyren schenksters in, 353

Asgardreia. Wilde jacht, genaamd, 22

Ask. Esch, waaruit de Goden den mensch maakten, 11;
vergeleken met de schepping van Prometheus, 341

Aslaug. De opvoeding van, 276

Asynjur. Noorsche godin, genaamd, 11

Atalanta. Haar appels vergeleken met die van Gerda, 350

Atla. Een der golfmeisjes, 144

Atlantische Oceaan. Mannigfual in den, 233

Atlas. Grieksch equivalent voor Reuzengebergte, 357

Atlé. Daagt Frithiof uit, 309

Atli. Wenscht zich Goedroen tot vrouw, 286;
verraad van, 287;
Gunnar gedood door, 289;
vermoord door Goedroen, 289;
= Attila, de geesel Gods, 291;
Goedroen huwt, 359

Attila. Hunnenkoning, bezitter van Cheru’s zwaard, 88;
= Atli, 291

Aud. Zoon van Nott, 7

Audhumla. Voedsterkoe van Ymir, 3

Augeia. Een der golfmeisjes, 144

Augsburg. Stad naar Tyr genaamd, 84

Aurgiafa. Een der golfmeisjes, 144

Austri. Dwerg die het hemelgewelf in het Oosten steunt, 6

Avond. Deel van den dag, 9

Azië. Hoogvlakte van Iran in, 1;
Aesir komen uit, 37

B

Bacchus. Atli vergeleken met, 359

Balder. Odin ondervraagt Vafthrudnir omtrent, 31;
Zoon van Frigga, 37;
Skadi wenscht Balder te huwen, 112;
Uller bevriend met, 139;
Forseti de zoon van, 140;
Forseti samen genoemd met, 143;
Vali wreekt, 162;
god van zon en zomer, 195–214;
Loki de eigenlijke moordenaar van, 222;
niet tegenwoordig aan Aegirs banket, 223;
vergeleken met Sigurd, 291;
Loki berooft de Aesir van, 323;
het verschijnen van, 332;
Hodur vermoordt, 352;
zijn dood gewroken, 352;
vergeleken met Grieksche goden, 355;
heiligdom van, 299;
zijn beeld valt op het vuuraltaar, 312;
tempel herbouwd, 321

Balmung. Völund vervaardigt, 176;
Odin steekt het zwaard in Branstock, 249;
Sigmund trekt het uit den stam, 250;
Siggeir krijgt, 252;
Sinfiotli maakt gebruik van, 257;
verbrijzeld, 262;
Hiordis verzamelt de stukken van, 263;
opnieuw gesmeed, 270;
Fafnir doorstoken met, 271;
gelegd tusschen Sigurd en Brunhild, 279;
Guttorm in tweeën gehouwen door, 283;
op brandstapel gelegd, 284;
zinnebeeld van zonnestralen, 291;
vergeleken met het zwaard van Aegeus, 358

Baltische Zee. De Mannigfual in de, 234

Barbarossa, Frederik. Aanvoerder van de Wilde jacht, 24, 25

Baucis. Geschiedenis van, vergeleken met Geirrod en Agnar, 342

Baugi. Onthaalt Odin gastvrij, 96

Beav = Vali, 162

Beelden. Houten, 341

Behmer. Woud in Bohemen, 23

Beldegg. Koning van West-Saksen, 38

Belé. Erfopvolger van Sogn, 297;
verbannen door Johul, 297;
op zijn erfelijken troon geplaatst, 297;
verovert de Orkney-eilanden, 298;
helpt Thorsten den door Völund vervaardigden ring te zoeken, 298;
dochtertje van, 299;
spreekt tot zijn zonen, 300;
vorsten gezeten op het graf van, 301

Beli. Dood van, 121;
zoon van Kari, 230

Bergelmir. Ontsnapt aan zondvloed, 4, 228;
= Farbauti, 215

Berserker. Woede, 21;
Frithiof bevangen door Berserker woede, 311;
pogen wolf te bedwingen, 205

Bertha = Frigga, 55;
moeder van Karel den Groote, 55;
beschermster van het spinnen, 56

Bestla. Reuzin, 4;
het sterfelijke element, 8

Bethlehem. Frodi regeert over Denemarken, in de dagen dat er vrede over de wereld was, juist toen Christus werd geboren te, 127

Beyggvir. Dienstbare van Frey, 121

Beyla. Dienstbare van Frey, 121

Bifröst. Regenboogbrug, 13;
Valkyren rijden over, 18, 171;
beschrijving van, 144;
Heimdall gaat heen en weer over, 147;
Odin rijdt over, 197;
het onvoldoende zijn van, 219;
Helgi’s geest rijdt over, 260;
het invallen van, 327;
de Giallar-hoorn maakt bekend den tocht der goden over, 351

Bil. De afnemende maan, 9

Billing. Koning van de Ruthenen, 160;
Wil Rinda redden, 162

Bilskirnir. Thor’s paleis, genaamd, 58;
lijfeigenen verwelkomd in, 58

Bingen. Muizentoren nabij, 28

Bisschop Hatto. Geschiedenis van, 27

Björn. Vertrouweling van Frithiof, 301;
speelt schaak met, 303;
houdt het roer van de Ellida, 308;
brengt mannen aan de kust, 308;
Ellida toevertrouwd aan de zorg van, 314

Blocksberg. Nornen op den, 169

Blodug-Hofi. Paard van Frey, 117;
gaat door het vlammenvuur van Gymir, 119;
vergeleken met Pegasus, 349

Boden. Offerbeker, 94

Bodvild. Misleid door Völund, 176

Bohemerbosch = Behmer, 23

Bolthorn. Reuzin genaamd, 4

Bolwerk. Odin noemt zich, 96

Boommaagden. Elven, 245

Borghild. Sigmund huwt, 259;
Sinfiotli vergiftigd door, 261;
Sigmund bestraft, 262

Bornholm. Het ontstaan van, 234;
het kruisen van Mannigfual genoemd in verband met het eiland, 358

Börr. Huwt Bestla, 4;
de aarde geschapen door de zonen van, 5;
het goddelijk element der goden in, 8

Bourgondisch. Ildico, Bourgondisch prinses, 88;
Gunnar, Bourgondisch vorst, 291

Bous = Vali, 162

Braga-ful. Beker waarin een dronk op Bragi wordt opgediend, 101

Braga-mannen. Noorsche Skalden, 101

Braga-vrouwen. Noorsche priesteressen, 101

Bragi. Helden verwelkomd door, 18;
Gunlod, moeder van, 37;
God van poëzie, welsprekendheid en zang, 99, 100;
geboorte van, 99;
afwezigheid van, 104;
Idoen treurt over, 104, 105;
Idoen gezocht door, 108;
blijft met Idoen in Nevelheim, 109;
helden in het Valhalla verwelkomd door Heimdall en, 148;
Aegir schept behagen in de avonturen van, 186

Branstock. Eik in Volsung’s hal, 249;
zwaard gestoken in, 249;
Sinfiotli onder den, 258

Brechta = Frigga, 55

Breidablik. Balder’s paleis, 195;
Balders lichaam gebracht naar, 203

Bretland. Aardhoop waarin Soté zich verbergt, 298

Brisinga-men. Halsketting van Freya, 132;
Loki tracht te stelen, 147, 351;
zinnebeeld van der aarde schoonsten sier, 148;
gemaakt door dwergen, 239

Brock. Jaloerschheid van, 64;
weddenschap van Loki en, 64;
de drie schatten van, 66;
weddenschap gewonnen door, 66;
geschiedenis vergeleken met die van Io, 346

Brocken. Heksen dansen op de, 135;
Nornen op de, 169

Brunhild. Een Valkyre, 171, 177;
Sigurd vindt, 274;
Sigurd verlooft zich met, 275;
Sigurd huwt, 276;
Sigurd vergeet, 277;
Gunnar bemint, 278, 279;
Gunnar dingt in de gedaante van Sigurd naar, 279;
smart en toorn van, 281;
wendt zich tot Högni om hulp, 282;
lacht luid over Sigurd’s dood, 283;
dood van, 284;
Atli, broeder van, 285;
vergeleken met Grieksche goden, 291, 359

Brunnaker. Idoen in de boschjes van, 104

Buri. Geboorte van, 3;
krijg der reuzen tegen, 4

Burri. Het groene veld, waar Frey en Gerda elkaar ontmoeten, 120

Byzantijnsch. Invloed der Byzantijnsche Christenheid op Teutonische volken, 246