D.
Daden. “Goede daden zijn onvergankelijk”. Het Servische volksverhaal, 288.
Daedalus. In Servische balladen met keizer Trajanus verward, 33.
Dalmatiërs. Een zeevarend volk, dat alleen den Heiligen Nicolaas aanbidt, 55.
Danitza. De morgenster; de verschijning van—— drijft den Zmay van Yastrebatz op de vlucht, 131; —— in “De gevangenschap en het huwelijk van Stephanus Yakshitch”, 177.
Danskringen. (Vrzino kollo). De veele en haar——, 23; de—— op den berg Kom in Montenegro, genaamd Vilino Kollo, 23.
Daybog. (De Zonnegod) De Russische naam is Daszbog—— letterlijk “Geef, o God!” 22; voor de Serviërs de verpersoonlijking van zonneschijn, leven en voorspoed, 22; bij de Zuid-Slavische stammen geen overblijfselen gevonden van—— 22; Kerstfeest en—— 53.
Dessimir. Koning Vukashins trouwe dienstknecht——, 198.
“Dever”. De geleider van de Servische bruid, 41.
Diascevastes. De geleerde——uit het tijdperk van Pisistratus, 58.
Dieren. De koning verklaart den oorlog aan de——; in het Servische volksverhaal “Dieren als vrienden en vijanden”, 309, 310.
“Dieren als vrienden en als vijanden”. [374]Een Servisch volksverhaal, 302–304.
Dieren, De——raad. In het Servische volksverhaal “Dieren als vrienden en als vijanden”, 304, 306.
Dieren, De koning van de. Held in een Servisch volksverhaal, 228.
Dieren, Taal der——. Een Servisch volksverhaal over de——, 227.
Diocletianus, keizer. Verwijzingen in Zuid-Slavische legenden naar——, 33.
“Divan”. Wordt in Servië elke vergadering van een regeeringslichaam genoemd. In de ballade “De Heiligen verdeelen de Schatten” beteekent—— Laatste Oordeel. 195.
Djelat, (de beul). Stephanus Yakshitch dreigt met den——, 180.
Dobrivoy. Knecht van Theodorus van Staletch, 209.
Dochters. De honderd dochters in het Servische volksverhaal: “De bijter gebeten”, 327.
“Doda” of “Dodola”. Godsdienstige plechtigheid in verband met de lievelingsgoden van den Regen, 55.
Don, De Rivier. De Serviërs woonden aan de oevers van den—— 9.
Donau. Wordt verhaald hoe Sharatz over de—— zwemt, 92; Marko verdrinkt een deel van Voutcha’s leger in de——, 93.
Donderaar, De. Naam van Elias, 104.
Dood. Feest ter eere van den—— gedurende den vastentijd, 56; de aartsengel Michael en de——, 37.
Dourmitor. De berg——, 185.
Doushan, De Machtige. Onttroont zijn vader, Stephanus Detchanski, 13; vampieren en de code van—— 28; de trouweloosheid van Voukashin tegenover—, 64; —— werd tot zijn laatsten snik bijgestaan door aartsbisschop Nedelyko, 70; het huwelijk van——, 151–169; —— stuurt Theodorus zijn kanselier naar koning Michael van Ledyen, 151; —— dingt naar de hand van prinses Roksanda, 151; de twee [375]voïnovitsch Voukashin en Petrashin, neven van——, 152; Milosh, de schaapherder voegt zich bij de huwelijksprocessie van——, 156; de vier proeven door Milosh den schaapherder ondernomen om prinses Roksanda te winnen, 160–166; herinnering aan de ontworsteling der Serviërs tegen hun Turksche onderdrukkers, waardoor het rijk bijna even uitgestrekt werd als onder——, 176.
Dragomir. Djoupan van Trebinye, vader van Stephen Voïslav, 10.
Dragoutin. Zoon van Ourosh den Groote; onttroont zijn vader en wordt koning van Servië, 12; schenkt bij zijn leven den troon aan zijn broer Miloutin, 12; neemt den titel aan van koning van Sirmië, 12; staat zijn troon af aan zijn broeder Miloutin, 12.
“Droom van den koningszoon, De.” Een Servisch volksverhaal, 318–324.
Ducaydin, Vlakte van. Als leengoed gegeven aan Mehmed-Bey Obrenbegovitch, 150.
Duivels, (dyavo). Als heidensche goden beschouwd, 19.
Dyogo. Trouw paard van Banovitch, 121, 122, 123; —— stelt Banovitch in staat aan Vlah-Ali’s speer te ontkomen, 127.