F.
Farnham, mevrouw C. H. Haar belangstelling in het boek van Vouk over Servische nationale gedichten, 61.
Folklore. Verhalen van Servische——, 211–226; “De Ram met de gouden vacht”, 211–218; “Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde”, 218–222; “Pepelyouga”, 222–227; “De taal der dieren”, 227–333; “De stiefmoeder en haar stiefdochter”, 233–239; “Recht en onrecht”, 238–240; “Wie weinig vraagt, ontvangt veel”, 241–244; Bash Tchelik (Echt staal), 245–264; “De gouden appelboom en negen pauwinnen”. 265–280; “Het vogelmeisje”, 278–280; “Liegen om een weddenschap”, 280–284; “Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar”, 284–288; “Goede daden zijn onvergankelijk”, 288; “Hem, wien God helpt kan niemand kwaad doen”, 297–301; “Dieren als vrienden en als vijanden”, 302–312; “De drie vijvers”, 313–318; “De droom van den koningszoon”, 318–323; “De bijter gebeten”, 324–327; “Het beroep, dat niemand kent”, 337–348; “De tweelingen met de gouden haren”, 349–356.
Franken. De Serviërs een gemakkelijke prooi van de——, 10.
Fransche Prinses; Helene echtgenoote van Ourosh een——, 120; Hof van Karel van Anjou en prins Ourosh, 120; Ourosh tracht [377]een verbond tot stand te brengen tusschen de Serviërs en de Franschen, 120.