Okone kaikoetjijumu, okone Awaloewa

Kaikoetji ke wa.

Awoe tage kaikoetji toewotjan irowa la

Okone Ikili inasao ko.


Wij roepen U; Tijger, kom geest van geweld,

Doorgloei met Uw vuur al ons wezen.

Omzweef ons opdat in deez’ bloedigen strijd

De vijand den Caraïb leer’ vreezen.

Daal neder, bekoring, verduister het oog

Der strijders, die dra gaan nad’ren,

Om brullend, den Tijger in bloeddorst gelijk,

Te wreken den dood onzer vad’ren.

IJl voort dus Constrictor,17 omklem Uwen prooi,

Wij volgen en worgen met d’ armen.

Bezield door den moordlust van Tijger en Slang,

Mist ons hart elk spoor van erbarmen.”

Deze beschrijving zal, meenen wij, het genot, dat de lezing van „de Geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe” verschaft, niet weinig kunnen verhoogen. Hoewel Christelijke invloed aan dit verhaal niet geheel en al vreemd schijnt te zijn, toch blijft het als belangrijke bijdrage tot de kennis van de moraal en het leven van den Indiaan zijn waarde behouden.

In verschillende der reeds genoemde verhalen, treedt, zooals haast van zelf spreekt, de geestenbezweerder of de piaiman (o.a. in No. 28) als een belangrijk lid der Indianenmaatschappij op. In No. 30, getiteld: „De kolibri, die tabak brengt aan den eersten piaiman”, is meer in [46]het bijzonder daarom belangrijk, omdat er in deze legende van de herkomst van het belangrijkste der ingrediënten, die de piaiman bij zijne bezweringen gebruikt, de tabak, wordt verteld. De Indianen, die tabak ook als genotmiddel gebruiken, onderstellen, dat ook Geesten zeer op tabaksrook gesteld zijn. De piaiman haalt daarom bij zijne bezweringen voortdurend tabaksrook in, om daardoor de Geesten te kunnen aantrekken. Dit verhaal is daarom ook nog de aandacht waard, omdat het vermoeden zou geopperd kunnen worden, dat van de Arowakken, die oorspronkelijk de Antillen hebben bewoond, ook de tabak, die bij de Indianen van Guyana zulk een rol speelt, afkomstig is, en in de tweede plaats, omdat er van de bij alle Indiaansche stammen voorkomende legenden aangaande het voorkomen van vrouwennaties (zg. Amazonen) in wordt melding gemaakt.

Reeds Columbus heeft op zijn eerste reis onder de Indianen vechtende vrouwen gezien en wat de groote ontdekkingsreiziger uit de Oude Wereld bekend was, meende hij nu ook in de Nieuwe Wereld te hebben aangetroffen.

Von Humboldt meende echter, dat de bij alle Indianenstammen voorkomende Amazonen-legende aan de strijdlustigheid van de vrouwen bij sommige stammen moet worden toegeschreven, die door de eerste reizigers, die ze ontmoetten, sterk overdreven is geworden, onder den invloed van de groote vreugde, bij de pas ontdekte volken gevonden te hebben, wat de oude Grieken vertellen omtrent de barbaarsche Skythen en Afrikanen. Wallace meent, dat het geloof aan Amazonen in de wereld is gekomen door de eigenaardige haardracht der mannen bij sommige Indianenstammen, waarbij hij nog de aandacht vestigde op het dragen van armbanden door de mannen van enkele stammen en de zorgvuldige verwijdering van [47]elk teeken van baardgroei. Ook Schomburgk is deze meening toegedaan. Van deze Amazonen werd verteld, dat zij, om beter in den strijd de wapens te kunnen hanteeren, de rechterborst zouden laten afsnijden; dat zij van de mannelijke bevolking geregeld bezoeken zouden ontvangen en dat de jongens, die geboren werden, òf den vaders werden meêgegeven, òf gedood werden.

De Gebroeders Penard meenen, dat de legenden, waarvan wij er een uit hun werkje opnemen (No. 31, getiteld: „Het ontstaan der vrouwennaties”) gedeeltelijk een voorstelling is van het paradijs der Indiaansche vrouwen. Volgens hen kan de vrouw zich geen staat van gelukzaligheid denken, waarin de man haar heerscher en zij slechts zwoegende slavin is. „In hare verbeelding ontstond dus een voorstelling van het paradijs, waar zij als gebiedster optreedt en de man slechts geduld wordt tot voortplanting der soort.”

Dat, hoewel onder alle Indianenstammen van Amazones verteld wordt, toch geen Indiaan ooit de juiste plaats dezer schoonen kon aanwijzen, schijnt voor de meening van bovengenoemde oudere schrijvers te pleiten. Bij de ingeboren eigenschap van den Indiaan, om zich vaak in beeldspraak uit te drukken, is de meening der Penards niet te verwerpen, die het bestaan van een vrouwennatie als een voorstelling van het Mazwano, het Paradijs der Indiaansche vrouwen beschouwen.

De legenden leeren, dat dit paradijs niet gemakkelijk te bereiken is. De vrouwen moeten daartoe tal van gevaren doorstaan. Zij moeten varen over de duistere wateren in het land Enamba of der Eeuwige nacht. Dan eerst zullen, gelijk de nacht vliedt voor den dag, voor hare verrukte blikken verrijzen de witte wateren, de als goud glinsterende, door de morgenzon beschenen bergtoppen en zal de rook uit de barbakotten* der Maswana- of [48]manvrouwennatie opstijgen. Maar niet één vrouw, die het gelukt, dit paradijs binnen te treden, zal weder tot hare stamgenooten terugkeeren.

De voorstelling van de Duistere wateren in het land Emanba of der Eeuwige nacht, meenen de Penards, komt vrij wel overeen met de rivier Styx en de onderwereld Amenthes uit de Oostersche mythologie.

Een oude vrouw vertelde aan de schrijvers, waaraan het voorgaande ontleend is, dat zij in haar jeugd naar de Mazwano had willen vluchten, omdat haar man haar mishandelde, doch dat zij overal, waar zij inlichtingen inwon, moest vernemen, dat de vrouwen den weg naar het lustoord vergeten waren. Ten slotte was het haar echter gelukt, door middel van Oeloekwa-toelala de oogen van haar man zoodanig te verduisteren, dat hij haar verliet.


Het is eigenaardig, dat terwijl alle gewoonten en opvattingen der Indianen in hunne Mythen- en Legendenschat worden aangetroffen, er aangaande een zeer eigenaardig gebruik zoo zelden iets voorkomt. Wij bedoelen hier de vreemde gewoonte, die zoowel bij Arowakken, als bij Caraïben en Warraus wordt aangetroffen, dat na de geboorte van het kind gedurende den tijd, dat de vrouw in het kraambed ligt, ook haar man in zijn hangmat moet blijven en zich als kraamvrouw moet aanstellen. Men noemt dit gebruik, dat ook bij andere wilde stammen—o.a. in Oost-Indië—voorkomt18, Couvade en bij de Caraïben Kenonimáno. Volgens de meening van Dr. Herman ten Kate wordt er een magische band gedacht tusschen vader en kind gedurende de eerste levensweken van den pasgeborene. Alles, wat dus den vader zou kunnen overkomen, als hij zich van huis verwijderde, zou [49]schadelijk kunnen inwerken op het kind. Volgens een mededeeling der Penards gaat kort nadat de kinderziel zich van het vaderlichaam heeft losgemaakt, een proces dat dikwijls meer dan een maand duurt, de moeder overal bij hare kennissen rond, om het kind te vertoonen.

Walter E. Roth heeft in de Indianen-folklore slechts één enkel spoor gevonden, dat op dit gebruik doelt. Ik geef het korte verhaal weêr onder den titel: „Het gebroken ei” (No. 32). Daarop laat ik volgen hetgeen Dance (D) aanhaalt betreffende de gewoonte der Couvade bij de Arowakken, en dat als een vertelling, getiteld: „De Geest van den pasgeborene” onder No. 33 in dezen bundel voorkomt. De inhoud is, zooals den lezer zal blijken, met ten Kate’s meening in overeenstemming.


Een aantal vertellingen der Indianen geven een antwoord op de vraag, hoe verschillende dieren hunne tegenwoordige eigenschappen hebben gekregen o.a. in No. 1 en No. 34, getiteld: „De huid van den reuzenslang”, terwijl er ook velen zijn, waarin aan dieren herinnerd wordt, die den mensch kwaad kunnen doen.

Hoewel de geheele Indiaansche folklore een moralistische strekking heeft, zijn er toch een aantal vertellingen aan te wijzen, die meer bepaaldelijk een waarschuwing bevatten voor de gevolgen van overtredingen, van ondoordachte handelingen of verkeerde neigingen. Hiertoe behooren No. 35, getiteld: „Een waarschuwing voor vrouwen” en No. 36, getiteld: „Hoe een man van zijn luiheid genezen werd.”

Het „Een man een man, een woord een woord”, een der eerste regels eener goede moraal, en dat in de hedendaagsche, zoogenaamde beschaafde maatschappij, waarin wij moeten verkeeren, steeds minder wordt toegepast, wordt bij den Indiaan nog altijd in hooge eere gehouden, [50]hoewel eerlijkheid en woordtrouw bij den „geciviliseerden” Indiaan wel even groot gevaar zal loopen, belangrijk achteruit te gaan, als dit met alle primitieve volken, die met het blanke ras in aanraking zijn gekomen, het geval is geweest.

De Indiaan zal een eenmaal gegeven woord niet gauw verbreken en doet hij dit, bijv. wanneer hij zich bedronken heeft, dan zal, volgens hem, vroeg of laat de gerechte straf niet uitblijven. (Zie No. 37 en 43). In het algemeen kan kwaad, meent hij, nimmer ongestraft blijven19 (No. 16, 27 en 39) en typeerend voor de Indiaansche moraliteit kan gelden, dat in vele zijner verhalen de veranderingen, die in den oorspronkelijken Indiaanschen gelukstaat hebben plaats gegrepen, hieraan worden toegeschreven, dat de ongehoorzaamheid in de wereld haar intrede heeft gedaan. Volgens de Indianen waren het de blanken, die de laatste sporen van dezen gelukstaat verloren deden gaan.

Al hetgeen in het voorafgaande omtrent den inhoud van de mythen, sagen en legenden der Zuid-Amerikaansche Indianen is meegedeeld, groepeert zich bijna zonder uitzondering om het hoofdmotief—de zorg, om zich het noodige voedsel te verschaffen, die bij een volk, dat geen intensieven landbouw drijft, doch hoofdzakelijk van de jacht en visscherij en daarnevens van de produkten van eenen primitieven hakbouw op hunne slechts tijdelijke verblijfplaatsen leeft, een punt van dagelijks wederkeerende zorg is, en het denken bijna geheel in beslag neemt.

Wie ondervonden heeft, hoe schuw het wild in de tropische oerwouden is, en dat alleen hij, die met de [51]gewoonten der daarin levende dieren bekend is, zich er geruischloos doorheen weet te bewegen en van het juiste oogenblik weet gebruik te maken, om zijn oogmerk te treffen, kans op succes zal hebben20, kan het niet verwonderen, dat een jongeling, die een Indiaansch meisje tot vrouw begeert, naar ouder gewoonte tot volle tevredenheid van zijn aanstaanden schoonvader proeven zijner bekwaamheid op de jacht heeft af te leggen (No. 35) en dat hij, wanneer deze voorwaarde, om in het onderhoud van een familie te kunnen voorzien, niet bij hem aanwezig is, alles zal doen om zich deze bekwaamheid eigen te maken (No. 35 en No. 37).

De mythen, sagen en legenden, die de eerste reizigers en zendelingen bij de Indianen te hooren kregen, worden, zooals meerdere schrijvers, die door een langer verblijf onder hen, grondige onderzoekingen hieromtrent hebben kunnen doen, hebben vastgesteld, nog steeds—de aanraking met het blanke element ten spijt—door hen verteld, omdat zij zich het als eerste plicht rekenen, dat de mondelinge overleveringen, waarin voor een niet gering deel hunne heilige, godsdienstige overtuigingen zijn neêrgelegd, op het jongere geslacht overgaan.

Bij de Noord-Amerikaansche stammen worden, zooals reeds vermeld, in het bijzonder de lange winteravonden aan dit heilige werk gewijd, wanneer de jeugd, gehurkt om het flikkerende vuur naar de mysteries van het leven en hun godsdienst luistert en zij den innigen band moet leeren begrijpen, die de menschheid, volgens hun leer, met de geheele haar omringende natuur vereenigt. Tevens moest het haar duidelijk worden gemaakt, dat men met [52]planten en dieren evengoed gesprekken kan voeren (No. 30) als deze het onder elkaar doen, enz.


De lezer, wien hier uit de uitgebreide mondelinge litteratuur der Indianen, meer in het bijzonder der stammen van West-Indië, meerdere voorbeelden worden aangeboden, die hem de overtuiging zullen kunnen schenken, dat de Indiaan daarin zijn gansche leven en denken heeft neêrgelegd, zal het zeker evenmin verwonderen, dat ook belangrijke historische gebeurtenissen, die indruk op hem hebben gemaakt, en van zoo grooten invloed op zijne maatschappij zijn geweest, nog steeds in de herinnering van het Indiaansche volk zijn blijven voortleven en als historische legenden tot op den huidigen dag door hen worden verteld.

Niet alle gebeurtenissen in de geschiedenis van een primitief volk hebben echter even groote kans, een haast onvergankelijk deel van zijn folklore te vormen. Groote feiten, die het volk met trots blijft gedenken, zullen eerder door het verre nageslacht nog als legenden worden verteld, dan gebeurtenissen, waaraan de herinnering onaangename gewaarwordingen te voorschijn roept. Velen der eerste categorie schijnen als het ware onsterfelijk te zijn. Het spreekt van zelf, dat, waar de volken, ook in geestelijk opzicht, zoozeer uiteenloopen, ook de inhoud hunner historische legenden bepaalde trekken zal vertoonen, die met het karakter van het volk overeenstemmen.

Alb. S. Gatschet (Ga) waaraan wij het bovenstaande ontleenen, heeft dit in zijn leerrijk werk „A migration legend of the Creek Indians” duidelijk gemaakt. In sommige legenden wordt bijv. uitsluitend verteld van de Opperhoofden en wordt over het Volk gezwegen; in anderen spelen mythische helden en onmogelijke feiten een groote rol. Terwijl er volken zijn, die er van houden, het [53]wonderbaarlijke op den voorgrond te laten treden, houden anderen hunne legenden vrij van het wonderbaarlijke element, enz. Tot de bijna onsterfelijke historische legenden behooren de z.g. migratie-legenden, die van de groote volksverhuizingen (migraties) vertellen, welke bij talrijke volken en bij de Indianen in overoude tijden op grooten schaal hebben plaats gegrepen. Zulke migratie-legenden behooren zeker tot de belangrijkste historische legenden, omdat zij voor de kennis van een volk dikwijls waardevolle gegevens bevatten, die, in verband met de uitkomsten der Archaeologische onderzoekingen en der vergelijkende taalstudiën, tot vaststaande feiten geworden zijn. Zulks is o.a. het geval geweest met de traditie der Joden, waarin verteld wordt van hunne immigratie in Palestina uit de noordelijke landen over de rivier de Euphraat; en eveneens met de legenden, die de immigratie der Doriërs naar Griekenland behandelen, uit Thracië en Macedonië dwars door Epirus en Thessalië heen enz. Zulke migratie-legenden zijn veelal samengeweven met mythen, die den oorsprong der volken behandelen of die van het ontstaan van bepaalde instellingen of van belangrijke produkten vertellen, die een groote economische beteekenis voor hen hebben verkregen.

Bij de Indianen is de herinnering aan oeroude gebeurtenissen, zooals volksverhuizingen, niet zelden verbleekt tengevolge eener strenge wet, die verbiedt, de namen hunner overleden voorvaderen uit te spreken (zie blz. 39). Zulks is o.a. het geval bij vele Noord-Amerikaansche stammen, zooals die, welke hunne woonplaatsen hebben langs de kusten der Stille Zuidzee. In de zuidelijke deelen van Noord-Amerika, o.a. in het gebied, dat de Golf van Mexico begrenst, schijnt dit bijgeloof, dat de geschiedkundige overlevering tegenhoudt, niet te bestaan, zoodat bij de daar levende Indianenstammen verschillende legenden [54]bewaard zijn gebleven, die van verhuizingen in lang vervlogen tijden vertellen, en die voor de geschiedenis dezer stammen belangrijke gegevens hebben opgeleverd.

Dit geldt bijv. voor de groote groep der Maskoki-stammen, waartoe ook de z.g. Creek-Indianen behooren, en wier migratie-legenden leeren, dat zij in oude tijden van het Westen naar het Oosten en het Zuid-Oosten zijn getrokken, waar zij nu ten Oosten van den Mississippi-stroom in Alabama, Georgia en op het schiereiland Florida in verschillende stammen hunne woonplaatsen hebben. Daar deze stammen evenals vele anderen, als de Chirokezen, Choctaws, Chickasaws enz., die landbouw en veeteelt drijven, en reeds lang in dorpen samenwonen—als „geciviliseerde” Indianen het eigenlijke Indianen-territorium vormen, staan de Sioux, die echte jagerstammen zijn en de Nomaden en Bedouïnen der Nieuwe Wereld kunnen genoemd worden, nog in den aanvang der „beschaving”; hun bestaan hing bijna uitsluitend van den Bison af, die nu zoo goed als geheel uitgeroeid is.

Bij de Creek-Indianen, eertijds Moskoquis genoemd, die zoowel in lichamelijk opzicht en door hunne gewoonten en gebruiken, als door de natuur hunner woonstreek een brug vormen, die de Noord-Amerikaansche met de Indianen van Zuid-Amerika verbindt, worden nog verschillende migratie-legenden verteld, van welke ik er een als voorbeeld en ter aanvulling in dezen bundel heb opgenomen (No. 48), omdat het, vreemd genoeg, niet gelukt is, in de litteratuur betreffende de Zuid-Amerikaansche stammen een tot deze categorie behoorende legende op te sporen, tenzij men er toe wil rekenen een lange legende, door Walter E. Roth uit een Arowakken-mond opgeteekend, waarin de avonturen verteld worden gedurende een lange reis, in oude tijden gedaan, om steenen bijlen* op te zoeken. Een migratie-legende in den waren zin is [55]deze niet, want de reizigers keeren weder naar hunne woonplaatsen terug.

Ter toelichting der bedoelde migratie-legende der Creek-Indianen diene, dat, toen zij in het jaar 1735, waarin deze staat nog aan Engeland behoorde, te Savannah in Georgia, in tegenwoordigheid van den Gouverneur Oglethorpe, was uitgesproken, de verteller Tchikilli, Keizer van de Boven- en Beneden Creek-Indianen, haar, geschreven op een Bisonhuid, aan den Engelschen vertegenwoordiger overhandigd heeft, en het merkwaardige document nog in hetzelfde jaar met de Engelsche vertaling naar Engeland werd verzonden. De toegevoegde huid werd in een lijst in het toenmalige „Georgia Office” te Londen opgehangen. Het eenige wat, in verband met het geschenk, op verzoek van den bekenden schrijver over Indianen, Dr. D. G. Brinton21, later teruggevonden werd, was een brief, die door genoemden Tchikilli in Maart 1734 geschreven was en gedeponeerd werd in „The Public Record Office” te Londen.

Een vertaling in het Duitsch van de Legende was echter onder een aantal verhandelingen over koloniale aangelegenheden tusschen 1735 en 1741 opgenomen, en onder den titel „Ausfuerliche Nachricht von den Saltzburgischen Emigranten, die sich in America niedergelassen haben enz.” Halle 1735, blz. 869–876, gepubliceerd. De legende vindt men in het eerste deel in Hernn Philipp Georg Friedrichs von Reck’s „Diarium von Seiner Reise nach Georgien im Jahr 1735.” Deze von Reck was de leider van een aantal protestantsche emigranten, die wegens godsdienstvervolging uit Salzburg uitgeweken waren. Wij geven deze bijzonderheden, teneinde sommige der hiaten te verklaren, die den lezer wellicht in de [56]legende zullen opvallen, en ongetwijfeld te wijten zijn aan de vertaling van het Engelsch in het Duitsch, en daarna weder van het Duitsch in het Engelsch. Ik volgde streng den Engelschen tekst in het werk van Gatschet.

In alle migratie-legenden der Maskoki-Indianen wordt, hetgeen de aandacht verdient, vertelt, dat de verhuizingen steeds oostwaarts gericht waren.22 Van deze Zonaanbidders was het te begrijpen, dat hunne Hoofden het volk steeds den raad gaven, daarheen te trekken, waar hun weldoener en beschermer—de Zon—zich uit het aardrijk verheft, dus naar het Oosten, hoewel bij zulke verhuizingen het opsporen van streken, waar men rijkdom aan eetbare gewassen, goede jachtterreinen en vischwateren hoopte te vinden, wel altijd op den voorgrond zal hebben gestaan.


Aan den arbeid der Penards hebben wij de kennis van een aantal historische legenden te danken, die, hoewel zij wegens de invloeden der blanke overheerschers, [57]die er zoo duidelijk in naar voren komen, uit een wetenschappelijk oogpunt van minder belang zijn, toch in dezen bundel niet mogen ontbreken.

In de „Legende van Letterhoutstomp” (No. 38), die den schrijvers door een ouden Caraïb van de Boven-Marowijne werd verteld, wordt de herinnering nog levendig gehouden aan een der eerste nederzettingen van Europeanen in Suriname, nl. aan de Fransche Kolonisten, die er tusschen 1640 en 1650 hebben verblijf gehouden en die vooral door de herhaalde invallen der Indianen genoodzaakt zijn geweest, het land weêr te verlaten.

De als hoofd der volkplanting aangestelde Poncet de Bretigny, die den oorlog verklaard had aan alle Indianen, moet een zeer gevreesde wreedaard geweest zijn. Hij bewapende zelf een vaartuig en daarin trok hij tegen hen ten strijde, maar de aanvallers werden met een hagelbui van pijlen ontvangen en tot den laatsten man doodgeschoten. De overwinnende Caraïben bemachtigden de lijken, deden ze op een licht vuur braden en maakten er een verschrikkelijk maal mede.

Verwonderen kan het ons niet, dat van de eerste aanraking der Indianen af aan met menschen van zóó geheel ander voorkomen, van zóó geheel verschillenden aard en levensbeschouwing als zij, allerlei zonderlinge verhalen aangaande de vreemde indringers onder hen de ronde gingen doen, noch minder, dat ook deze verhalen van geslacht op geslacht werden overgeleverd en tot op den huidigen dag bewaard zijn gebleven.

Voor hem, die zich eenig denkbeeld wil vormen van het psychologisch proces, dat bij dit dichterlijk en wijsgeerig aangelegd, moreel hoogstaand volk zich door deze aanraking ging voltrekken, mogen bedoelde legenden zeker van niet minder belang geacht worden, dan het [58]grootste deel van dezen bundel mythen, sagen en legenden, die ons in de oorspronkelijke denkwijzen van het zoo lang buiten iedere vreemde aanraking gebleven Roode ras een blik kan leeren slaan.

De Legende van Armoribo en Jorobodie (No. 39), waarin van den strijd der Arowakken met de eerste blanken verteld wordt23, is niet alleen in verband met de voorafgaande regels onze aandacht waard, doch ook wegens eenige gewoonten en opvattingen, die wij er in aantreffen en die tot illustratie kunnen dienen van de voorgaande beschouwingen.

Na deze legende, die wij aan den katholieken missionaris, Pater C. van Coll te danken hebben, nemen wij uit den arbeid der gebroeders Penard een tweetal legenden over, omdat deze verhalen, naar onze meening, de uiting zijn van het besef der diepe klove, die de Indianen ten opzichte hunner levensbeschouwingen en denkbeelden met die der van verre komende blanken steeds meer moesten gaan gevoelen. Zulks moet vooral het geval geweest zijn bij hunne aanraking met zendelingen, die hun een geloof trachtten op te dringen, dat zóó ver buiten hun gedachtensfeer ligt en dat deze zoo streng aan hun overtuiging en aan de met hun geloof in verband staande voorschriften zich houdende menschen in hooge mate moest krenken.

In dit licht beschouwd, zijn de „Legende van de uitdrijving van een priester uit den Indiaanschen hemel” (No. 40) en de „Legende van de uitdrijving van Indianen uit den Hemel der Paters” (No. 41) de aandacht waard, niet het minst, omdat de „beschaafde blanken”, die zich zoo gaarne tegenover de zoogenaamde „wilde volken” [59]stellen, uit den mond van den Indiaan er in moeten vernemen, hoe hij daarover denkt, en wat hij naar zijn meening aan de Blanken dankt.

Stemt het niet tot nadenken, dat de meermalen genoemde missionaris Pater van Coll, die meer dan 40 jaren onder de Indianen van Suriname gearbeid heeft, moest verklaren: „Zij (de Indianen) zijn er verre van af, zich tegenover ons als wilden te beschouwen. Daarvoor ligt de zwakke zijde van den Europeaan te bloot en te open voor hen.”

In dit verband verwijzen wij den belangstellenden lezer nogmaals naar het belangrijke artikel van den Nederlandschen kenner der Indianen, Dr. ten Kate in de Gids van 1919, getiteld: de Indiaan in de Letterkunde, waarin hij o.a. de aangehaalde Brieven (Love Letters) van mrs. Ryan (zie onder „dichters” in het verklarend register) „als een ernstige waarschuwing” beschouwt „aan het adres van fanatieke ijveraars voor de beschavingsidee, zooals er onder zendelingen en zendingsvrienden maar al te veel voorkomen.”

Treffend zijn deze beide legenden vooral hierom, omdat de Indianen zich er als de slachtoffers in beschouwen van de zonden der blanken; want de drank, die deze hun gebracht hebben, en waarop zij zoo verzot zijn geworden, is zooveel sterker dan de paiwarri, die zij door gisting van Cassave bereiden.

In de „Legende van Paramaribo” die wij onder No. 43 aan de Penards ontleenen, komt eveneens de ellende tot uiting, die de Blanken den Indianen hebben toegebracht door hen met jenever en brandewijn te doen kennis maken. Het schoone Indiaansche voorschrift, nimmer het eenmaal gegeven woord te verbreken, heeft hen, zooals wij er mede uit leeren, in het ongeluk gebracht. Ook deze ondervinding der Indianen is de aandacht waard, [60]omdat, gelijk ik reeds opmerkte, een Indiaan zich nog steeds aan zijn gegeven woord houdt, terwijl men het in het „beschaafde” land der blanken, vooral in de tegenwoordige periode, in dit opzicht zoo nauw niet neemt.

Het zwerversleven, dat de Indianen van oudsher geleid hebben24 en dat, zooals reeds betoogd, eensdeels een gevolg is van het leven van de opbrengst der jacht en visscherij, en van den roofbouw op onbemest land, anderdeels te verklaren is uit het bijgeloof, dat hen dikwijls noodzaakt een plaats des onheils te verlaten, vinden wij in tal van legenden neêrgelegd.

De lange, in het duister gehulde geschiedenis der Indianen was eene van herhaalde onderlinge oorlogen, die met de komst der blanken nog lang bleven voortduren. Er waren stammen, die voortdurend tegen elkaar ten strijde trokken; maar er waren ook stammen, die steeds bevriend met elkander bleven. In No. 42 wordt van een bezoek aan een veraf wonenden, bevrienden stam verteld.

In de vele legenden, die onder de Benedenlandsche Indianen van Guyana de ronde doen en die doelen op geschiedkundige gebeurtenissen, sedert de blanken hunne woonstreken zijn binnengedrongen, worden wij ook herinnerd aan de tochten, die de nieuwe bezitters van het land tegen de weggeloopen negerslaven, de z.g. Marrons ondernamen, waarbij de laatsten niet zelden door de Indianen geholpen werden. Hierop doelt „De [61]Legende van Post Sommelsdijk” (No. 44) die wij aan de Gebroeders Penard ontleenen.

De verbinding dezer legende aan Post Sommelsdijk is duidelijk. Onder het Bestuur van den Gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk, die van 1684–1688 de Kolonie Suriname bestuurde, en na het vertrek der Engelsche Kolonisten den grondslag legde van haren lateren bloei en welvaart, werd het Fort Sommelsdijk aan de samenvloeiing van de Commewijne en de Cottica aangelegd, en werd een einde gemaakt aan de herhaalde invallen der Indianen, die hij in 1684 tot den vrede dwong. Meer dan eens, zegt J. R. Thomson, in zijn Overzicht der Geschiedenis van Suriname, trok hij aan het hoofd van een geringe krijgsmacht tegen de vijandige Indianen op. Op zijn tweeden tocht ging hij met drie vaartuigen over zee naar de Coppename en drong hij het binnenland in, waarbij vele Indianen gedood of gevangen werden genomen en ettelijke dorpen in de asch werden gelegd.

Reeds vóór zijn komst, onder het Engelsche Bestuur, waren vele slaven wegens de mishandelingen, die zij van hun blanke meesters hadden te verduren, naar de bosschen gevlucht. Van Sommelsdijk sloot in genoemd jaar ook met de Boschnegers van de Coppename vrede.

Ook aan de voortdurende oorlogen, die verschillende Indianenstammen, ook in het gebied van Guyana, hebben gevoerd, kwam langzamerhand een einde. Vooral waren het de strijdlustige Caraïben, die de meer vreedzame Arowakken voortdurend beoorloogd hebben. Toch kwam het wel eens voor, dat, wanneer gemeenschappelijke belangen in het spel waren, beide stammen zich vereenigden, om gezamenlijk ten strijde te trekken.

Het besluit tot zulk een gemeenschappelijken strijd woonde o.a. een der eerste missionarissen der Moravische [62]Broedergemeente (Herrnhuttergemeente) bij, die in April 1745 aan de Corantijn kwam. Er werd toen door de Caraïben en Arowakken aldaar een groote raad inhouden, waarbij de voornaamste hoofdmannen (kapiteins) tegenwoordig waren en waarop besloten werd, tegen de Spaansche Indianen van het Orinoco-gebied op te trekken. In 18–20 vaartuigen voeren zij naar de Orinoco en zij brachten 14 dagen op het water en 8 dagen op het land door. Eindelijk bereikten zij de vijandelijke kampen. Aanvankelijk gedroegen zij zich als vrienden, hun allerlei ruilmiddelen aanbiedend, maar plotseling overvielen zij hen, doodden zij de mannen en namen zij de vrouwen en kinderen als gevangenen mede. Iedere overwinnaar nam een verslagen vijand, sneedt hem het vleesch af, dat in het eerstvolgende nachtkwartier geroosterd en opgegeten werd.

Deze geschiedkundige herinnering uit deugdelijken bron doet ons veel denken aan de Legende van Mapajawari of de Uitroeiing der Menscheneters, die wij onder No. 47 van dezen bundel opnemen.

Ook aan de Indiaansche broederoorlogen, die zooveel tot den achteruitgang der Indianenbevolking hebben bijgedragen, kwam een einde. In „Einde van den Indiaanschen broederoorlog” (No. 45) wordt van het laatste dezer gevechten verteld.

Uit de geschiedenis der Zuid-Amerikaansche Indianen zijn evenals uit die der Noord-Amerikaansche oorspronkelijke bevolking ook voorbeelden bekend van de algeheele verdelging van stammen, die eertijds een belangrijke rol hebben gespeeld. Hier mag o.a. herinnerd worden aan de dappere Aturiërs door menschen-etende Caraïben, waarvan, naar de groote natuuronderzoeker Alexander von Humboldt ons in zijn meesterwerk „Ansichten der Natur” heeft medegedeeld, nog destijds [63]onder de Guareca-Indianen de overlevering gewaagde.

Onder het vermaarde rotsgewelf van Aturuipe, aan den rechteroever van de Boven-Orinoco, ontdekte de onderzoekingsreiziger in het begin der vorige eeuw het graf van den verdelgden volksstam. Ongeveer 600 goed bewaarde geraamten werden in even zoovele korven, zg. mapires, gevlochten uit de stelen van palmbladen van verschillende grootten, al naar den leeftijd der dooden, bewaard gevonden. Volgens de bedoelde overlevering moeten de Aturiërs, door de Caraïben in het nauw gebracht, zich op de klippen der hier door den stroom gevormde watervallen gered hebben en in dit treurig toevluchtsoord ten onder zijn gegaan. Volgens Von Humboldt moet de laatste familie der Aturiërs eerst laat zijn uitgestorven, want te Maypures leefde in Humboldts tijd nog een oude papegaai, van welke de inboorlingen beweerden, dat zij hem daardoor niet verstaan konden, omdat hij de taal der Aturiërs sprak. Von Humboldts vriend, de bekende geschiedvorscher Prof. Ernst Curtius, heeft op dezen papegaai een treffend gedicht vervaardigd, dat ik hier in de Nederlandsche vertaling van Dr. E. M. Beima, die van bedoeld werk een Nederlandsche uitgave bezorgde,25 in zijn geheel overneem. De trochaeus, de versvoet met de lange en korte syllabe, die voor gedichten van plechtigen inhoud wordt gebezigd, heeft de vertaler van den dichter overgenomen.

In de verre en woeste streken

Van den Orinoco-stroom,

Zit een papegaai te treuren,

Als versteend, zoo koud en loom

Schuimend breekt door steile klippen,

Ginds en her de breede vloed,

Langs den palm, die in hem spieglend,

Tiert in heldren zonnegloed.

[64]

Vruchtloos spilt op ’t rotsgevaarte

Eeuwenlang de golf haar kracht:

In de uiteengespatte waat’ren

Speelt des lichtstraals kleurenpracht.

Onder, waar de golven woeden,

Ligt een volk in eeuwge rust;

Uit zijn bakermat verdreven,

Zoekt het toevlugt aan deez’ kust26.

Vrank en vrij, gelijk hij leefde

Zonk de Alurenstam in ’t niet;

’t Laatste spoor zijns droeven aanzijns

Dekt nu ’t groenend oeverriet.

’t Laatste?—Neen, van ’t berggevaarte

Schalt de Papegaai zijn kreet;

Aan de rots zijn snavel wettend,

Klaagt hij der Arturen leed.

Ook de knapen, die hem leerden

Klanken van hun moedertaal,

En de vrouwen, die hem voedden,

’t Nest hem bouwden—allemaal

Liggen dood en wreed verslagen,

Langs den oever uitgestrekt;

En de noodkreet van den vogel

Heeft geen hunner nog gewekt.

Eenzaam roept hij, in den vreemde,

Dan zijn woord wordt niet verstaan;

Hij hoort slechts de golven27 ruischen

Zijner trekt zich niemand aan.

En de wilde rept de riemen,

Wendt zijn vaartuig, schuwt de baai,

Ziet hij huivrend, angstig bevend

Den Aturen-Papegaai.

Hetzij dat deze overlevering op waarheid berust, of uit het dichterlijke brein der Indianen is voortgesproten, zooveel is zeker, dat deze papegaai ons op treffende wijze het sterven van de geslachten der menschen [65]symboliseert. Dat zulks ook het lot is van een der meest sympathieke volken der aarde—de Indianen—zal wel in de allereerste plaats door hen betreurd worden, die de herinnering hebben behouden aan een verblijf in hun midden, dat hun de hoogst denkbare levenswijsheid heeft vermogen te schenken.

Mogen ook zij, die dit voorrecht niet gekend hebben, zich bij dit oordeel hartgrondig aansluiten, wanneer hun geest zich in dezen bundel gelaafd zal hebben aan het vele schoone, dat de Indianen-ziel siert, en waarvan hunne mondelinge overleveringen zoo herhaaldelijk getuigenis afleggen; en mogen de voorbeelden, die ik uit de rijke litteratuur over den Indiaan voor deze Mythen- en Legenden-serie heb gekozen, ook den lezers iets van de groote bekoring hebben laten gevoelen, die niet alleen van het leven en de moraal van den Indiaan, maar ook van de machtige natuur der maagdelijke wouden, te midden waarvan de Zuid-Amerikaansche stammen nog leven, in zoo hooge mate uitgaat! [66]