S.
Salonica. De Slavische apostelen van—— Cyrillos en Methodius, 35.
Samodreza. Witte kerk van—— op de vlakte van Kossovo, 69; Marko door Voukashin gejaagd rondom de kerk van——, 73.
Sava. Jongste zoon van den Groot Djoupan Stephanus Nemanya, 12; wordt de eerste Servische aartsbisschop, 12.
Schatten. “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 194–196.
Scoetari. Moderne naam voor Skadar. Sir John Bowring en het teeken op de muren van—— een aanwijzing voor het ontstaan van het verhaal omtrent het inmetselen van de vrouw van Goïko, 204.
Servian popular Poetry. Drie gedichten uit Sir John Bowrings——, 197–210. [398]
Servië. Een van de koninkrijken in de Balkanstreken, 9; geregeerd door een dynastie, die gesticht werd door Groot Djoupan Stephanus Nemanya, 11; Stephanus neemt den titel aan van koning van——, 12; Bulgarije een provincie van——, 13; Doushan de Machtige, tsaar van——, 13; Knez Lazarus verkozen tot regent van——, 14; in 1813 werd—— weer onder het juk gebracht, 17; het congres van Berlijn erkent de onafhankelijkheid van——, 18; een schoonheid als van prinses Roksanda werd in—— niet gevonden, 152; de liefde van een zuster voor haar broer is spreekwoordelijk in——, 107.
Serviërs. De komst der——, 9; Prins Ourosh tracht een verdrag tot stand te brengen tusschen de Franschen en de——, 120; Galicië bezet door—— voor hun invasie in het Balkanschiereiland, 9; Ptolemeus beschrijft——, toen zij aan de oevers van den Don leefden, 9; Heraclius staat provincies af aan de——, 9; een gemakkelijke prooi voor de Byzantijnen, de Bulgaren en de Franken, 10; doen een poging in de negende eeuw om een staat te stichten aan de oevers van de Morava, 10; onderlinge strijd verhinderde dat de—— een machtige politieke eenheid vormden, 11; Kerk, Sava wordt het hoofd der Grieksche kerk; wordt de eerste aartsbisschop van de——, 12; landen door de Turken bezet, 13; worstelingen tusschen de Turken en——, 15; eindnederlaag der——, 16; verhuizing van—— naar Hongarije, 16; bijgeloof en nationale gebruiken, 20–57; vermengd met de oorspronkelijke bevolking van het Balkanschiereiland, 20; de Boshnyaks gaan door voor de——, die het type het zuiverst bewaard hebben, 20; barden, de veele verheerlijkt door——, 23; nationale [399]gebruiken van de——, 37–57; Servische nationale epische poëzie “Banovitch Strahinya” een van de schoonste balladen samengesteld door onbekende barden gedurende de Middeleeuwen, 120; het vertrek der—— van Ledyen, prinses Roksanda meevoerende, 167; waarom het Servische volk arm is. Een Servische populaire anecdote, 357.
Shar. De berg, waar Milosh de Schaapherder met zijn kudde vertoefde, 154.
Sharatz (bontgevlekt). Het wonderbare strijdros van Marko, 24–61; verhaal hoe Marko in het bezit kwam van het paard——, 65–68; afwisselend Sharin of Sharo, 66; Marko besteeg—— en reed naar de vlakte van Kossovo, 72; gereed den Moor te bevechten, 79; rijdt naar Istamboel, 79; Bedevia en——, 82; Marko berijdt—— bij zijn gevecht met den Moor ten einde een einde te maken aan de huwelijksschatting—, 85–88; hoe Marko Bogdan den Bullebak ontsnapte op——, 89; Marko valt generaal Voutcha aan op——, 93–96; Marko snelt heen van de Moorsche prinses op——, 103; de veela Raviyoyla ingehaald door, 105, 106; Marko vervolgt den Groot-Vizier op——, 108; Marko rijdt heen op—— om Moussa te ontmoeten, 113; Marko keert zegevierend terug bij den Sultan te Istamboel op——, 116; Marko doodt en begraaft——, 118, 119.
Shishman, Koning. Marko en de dochter van——, 76–97.
Siméon. Een Bulgaarsch tsaar; Rashka overrompeld door——, 10.
Sirmië I. Een van de koninkrijken van de Balkanstreken, 9; Dragoutin koning van——, 12. II. Een vlakte, waarin het dorp Koopinovo ligt, waar de Zmay-Despoot Vook woonde, 131.
Sitnitza. Strahinya meent de hut [400]van Vlah-Ali te zien van de oevers van de——, 123; Banovitch gaat de rivier—— over, 125; Ban Strahinya’s dood bij het riviertje——, 174.
Skadar of Skadra. Tegenwoordige naam Scoetari; geboorteplaats van Prins Marko, 63; de hoofdstad van Noord-Albanië, waar Strashimir Balshitch-Nemanyitch regeerde (1360–1370), 120; de hoofdstad van Zeta (Montenegro), 120; naam ontleend aan het Italiaansche Scodra, Scoetari, 197; behoorde sinds onheugelijke tijden aan de Serviërs, 197; Servische ballade “Het Bouwen van——”, 197, 208; aan de rivier Boyana, 184.
Skoupshtina. (De Nationale Vergadering). Milosh op den troon hersteld door——, 18; de—— kiest koning Peter I.
Slaven, De. Evangelie van Christus vertaald voor de—— door Cyrillos en Methodius, 9; Cyrillos en Methodius twee apostelen van de——, 34; verklaring hoe de Ottomaansche generaals de—— der Balkanstaten onderwierpen, 175.
Slavische rassen. Heidendom en godsdienst van——, 21–57; invloed van Grieksch-Oostersche mythen en legenden, oude Illyrische en Romeinsche propaganda, christelijke legenden en apocriefe geschriften over Slavische rassen, 21; overblijfselen van afgoden gevonden, die den Zonnegod “Daybog” voorstellen, 22.
Sleutels, van het hemelsche rijk gekozen door Petrus, 195; de—— van de hemelen door God aan de heiligen gegeven, 196.
Sredoi. Een bloedverwant van George Irene; Iconia beloofd aan—— van Irene, 200.
“Staal, Echt”. Het Servisch Volksverhaal van “Bash Tchelik” of——, 245–265. [401]
Stalatch. Een bouwvallige vesting aan de oevers van de rivier Morava, 208; Theodorus van——, 208.
Stamboel. De geschiedenis der Middeleeuwen van Servië bevat menig voorbeeld van ontevredenen die naar—— gaan en werktuigen worden van Ottomaansche generaals, 175; terugkomt van den Vizier van Tyoopria te——, 179.
Stephanus. Tweede zoon van den Groot Djoupan Stephan Nemanya, 11; bij de abdicatie van zijn vader neemt hij den titel aan van Koning van Servië;——, 12; Radoslav, zoon van,—— 12.
Stephanus Detchanski. Zoon van Miloutin; door de overwinning van Velbouzd onderwerpt hij geheel Bulgarije aan zijn macht——, 13; onttroond door Doushan——, 13.
Stephanus Strematz. De beroemde Servische romanschrijver——, en Slava gebruiken——, 50.
Stephanus Tomashevitch. Koning van Bosnië——, 15.
“Stiefmoeder en haar Stiefdochter, De”. Een Servisch Volksverhaal—, 233–238.
“Stiefzusters De”. Een Servische ballade uit Sir John Bowring’s “Servian popular poetry”, 204–208.
Stoyan en Stoyana. Tweelingen, die men wilde trachten in te sluiten in de vesting van Skadar, 197–204.
Strahiyna, Ban. Tsarina Militza bij den dood van——, 174.
Strahinya, Banovitch. Servische barden improviseeren ballades om de geschiedenis te verhalen van Nikolaas I Petrovitch, op dezelfde wijze als hun voorvaderen de heldendaden berichtten van——, 120; Vlah-Ali doet een aanval op het kasteel en neemt de vrouw van gevangen——, 120–129; verslaat Vlah-Ali en keert terug naar Kroushevatz, 129. [402]
Strashimir Balshitch-Nemanyitch volgens sommige Servische geschiedkundigen identiek met Banovitch Strahinya——, 120; een afstammeling van de oude provençaalsche familie des Baux——, 120; regeerde met twee broeders te zamen te Skadar, de hoofdstad van Noordelijk Albanië (1360–1370)——, 120.
“Svati” (of Svatoyi). Een Servische uitdrukking, bruiloftsgasten——, 38.
Svetchar, Het hoofd van het huisgezin op Slavadag——, 45–47.
Svetopluk, Prins. Cyrillos en Methodius, aan wie een zending aan keizer Michaël door—— werd opgedragen, 35.